Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV6824

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
24-02-2012
Zaaknummer
AWB 09/4435 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres meegedeeld dat haar bezoldiging bij voortdurende arbeidsongeschiktheid met ingang van 12 december 2009 tot het einde van het dienstverband 70% zal bedragen. Bij eerdere besluiten was een korting op de bezoldiging van eiseres toegepast van 10% en 25%, omdat eiseres vanaf 11 december 2007 niet of niet volledig in staat is haar eigen functie te vervullen. Deze besluiten zijn inzet geweest van procedures voor deze rechtbank waarin op 12 januari 2010 uitspraak is gedaan (AWB 08/4078 AW en AWB 08/4806 AW). In deze uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat er weliswaar sprake was van abnormale werkomstandigheden, maar dat de door de rechtbank benoemde deskundige niet heeft kunnen vaststellen dat er causaliteit aanwezig was tussen de werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid van eiseres (artikel 504 van het ARA). Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft in deze procedure (09/4425 AW) geen aanleiding gezien om anders te oordelen dan de rechtbank in de uitspraak van 12 januari 2010 heeft gedaan. Het beroep is ongegrond verklaard. Deze uitspraak is vernietigd door de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 21 juli 2011, LJN: BR4097).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4435 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. O.W. Borgeld,

en

Brandweer Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde mr. L.A.M. ten Brink.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar bezoldiging bij voortdurende arbeidsongeschiktheid met ingang van 12 december 2009 tot het einde van het dienstverband 70% zal bedragen.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van 17 september 2009 en verweerder verzocht om met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft aan dit verzoek gevolg gegeven en heeft het bezwaarschrift doorgezonden. Het besluit van 7 september 2009 wordt aangemerkt als het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2010.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij eerdere besluiten een korting op de bezoldiging van eiseres toegepast van 10% en 25%, omdat eiseres vanaf 11 december 2007 niet of niet volledig in staat is haar eigen functie te vervullen. Deze besluiten zijn inzet geweest van procedures voor deze rechtbank waarin op 12 januari 2010 door de meervoudige kamer uitspraak is gedaan. In deze uitspraak is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat er sprake was van abnormale werkomstandigheden. Vervolgens is aan psychiater J. Rübsaam (hierna: Rübsaam) een medische opdracht gegeven om te bepalen of er een causaal verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid van eiseres en deze omstandigheden. Rübsaam heeft niet kunnen vaststellen dat de hiervoor bedoelde causaliteit aanwezig is, hoewel er gedurende een bepaalde tijd wel sprake is geweest van een extreem hoge werkdruk. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

2. De rechtbank stelt vast dat zich na de uitspraak van 12 januari 2010 geen - voor de beoordeling van deze zaak relevante - nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Aan het thans bestreden besluit ligt hetzelfde feitencomplex ten grondslag als aan de besluiten die inzet zijn geweest van de eerdere procedure.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – in navolging van de eerdere besluiten – een korting toegepast op de bezoldiging van eiseres op grond van artikel 7.4, vierde lid, van het Nieuwe Rechtspositiereglement van de Gemeente Amsterdam (NRGA). Hierin is bepaald dat de ambtenaar bij voortduring van zijn arbeidsongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht heeft op 70% van zijn bezoldiging. Het NRGA is – als opvolger van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) – in werking getreden op 1 oktober 2008. Artikel 521 van het ARA is getransformeerd tot artikel 7.4 NRGA. De materiële inhoud is ongewijzigd.

4.1. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, omdat eiseres nooit een aanstellingsbesluit van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland heeft ontvangen en dus feitelijk daar niet in dienst is.

Voor de beoordeling van deze beroepsgrond verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de uitspraak van 12 januari 2010. In die procedure was dezelfde beroepsgrond aangevoerd, naar aanleiding waarvan de rechtbank in rechtsoverweging 4.2. heeft geoordeeld dat het in die procedure bestreden besluit bevoegd was genomen. Voorts overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit in dit geval is ondertekend door de sectormanager Bedrijfsvoering. Uit het Mandaatbesluit Brandweer Amsterdam-Amstelland van 8 mei 2008 volgt dat aan hem ondermandaat is verleend door de Commandant Brandweer voor het nemen van rechtspositionele beslissingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit bevoegd is genomen.

4.2. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de gemachtigde van verweerder, mr. L.A.M. ten Brink, niet bevoegd is om namens verweerder op te treden, omdat de machtiging niet door een bevoegd persoon is ondertekend.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van de gemachtigde van verweerder, nu het dossier een namens de Commandant Brandweer Amsterdam-Amstelland ondertekende machtiging bevat. Dat de Commandant Brandweer bevoegd was deze machtiging te verlenen volgt uit het Algemeen Mandaatbesluit van 24 oktober 2007.

4.3. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met het NRGA is genomen. Op grond van artikel 7.4, zesde lid, van het NRGA heeft eiseres recht op doorbetaling van haar volledige bezoldiging, aangezien er sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

Voor zover eiseres bedoelt te stellen dat niet het vierde lid, maar het zesde lid van artikel 7.4 van het NRGA van toepassing is, verwijst de rechtbank wederom naar de uitspraak van 12 januari 2010. Daarin heeft de rechtbank - mede op basis van het door dr. Rübsaam uitgebrachte deskundigenrapport - geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres is veroorzaakt door de werkomstandigheden. Artikel 7.4, zesde lid, van het NRGA is dan ook niet van toepassing. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van het thans bestreden besluit tot een ander oordeel te komen.

4.4 Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat Rübsaam niet de juiste deskundige is. Hij heeft volgens eiseres geen ervaring met arbeidszaken. Eiseres heeft verzocht om de Polikliniek Mens en Arbeid behorend bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten een advies te laten uitbrengen over de vraag of haar burnout in overwegende mate door haar werkomstandigheden is veroorzaakt.

De rechtbank overweegt dat de stelling van eiseres niet is onderbouwd met een verklaring van een medisch deskundige. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid van Rübsaam.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard. Voor toekenning van proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB