Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV6780

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
483437 - HA ZA 11-585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident; artikel 613 lid 2 Rv.

De schadestaatprocedure vormt een bijzondere vorm van tenuitvoerlegging die moet worden gezien als voortzetting van het hoofdgeding. Indien in het hoofdgeding geen beroep is gedaan op een arbitraal beding, staat dat arbitraal beding niet in de weg aan de bevoegdheid ten aanzien van de schadestaatprocedure van de (scheids)rechterlijke instantie die de hoofdzaak in de eerdere procedure heeft beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/132
TVA 2012/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 483437 / HA ZA 11-585

Vonnis in incident van 10 augustus 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] VENDOR LEASE B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAXEDA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Diemen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. S. van der Kamp te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en Maxeda genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 februari 2011, met producties,

- de incidentele conclusie van onbevoegdheid tevens (voorwaardelijk) van antwoord schadestaatprocedure,

- de incidentele conclusie van antwoord onbevoegdheid.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. [A] is rechtsopvolger na splitsing van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HVB Vendor Lease B.V. (hierna: HVB). Maxeda is na naamswijziging de nieuwe naam van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vendex KBB Nederland B.V. (hierna: Vendex).

2.2. Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 18 augustus 2004 (294969 / H 04.2390) (hierna: het verstekvonnis), in de zaak tussen HVB enerzijds en Maxeda en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vendex Participatie V B.V. anderzijds, zijn Maxeda en Vendex Participatie V B.V. onder andere hoofdelijk veroordeeld om “aan HVB te vergoeden de door haar geleden en nog te lijden schade, zoals in de dagvaarding omschreven, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat deze schade daadwerkelijk is geleden tot aan de voldoening”.

2.3. Maxeda heeft tegen het verstekvonnis geen verzet aangetekend.

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1. [A] vordert – kort gezegd – veroordeling van Maxeda bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van € 241.475,10, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2. [A] legt, onder verwijzing naar de vaststaande feiten en de in het geding gebrachte stukken, aan haar vordering ten grondslag dat zij noodgedwongen is overgegaan tot het laten herstellen van alle lekkages en bestaande gebreken. Maxeda is volgens [A] aansprakelijk voor de door [A] in dat kader geleden schade, die [A] begroot op € 230.899,00. Daarnaast is er schade bestaande uit de buitengerechtelijke kosten ad € 9.890,10 en de kosten van het geding in eerste aanleg ad € 696,00, aldus [A].

3.3. Maxeda voert gemotiveerd verweer.

4. Het geschil in incident

4.1. Maxeda vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij legt hieraan ten grondslag dat tussen partijen een arbitragebeding geldt, dat partijen zijn overeengekomen in de koopovereenkomst waarop [A] zijn vordering heeft gebaseerd. Gelet op dat arbitragebeding heeft de rechtbank zich volgens Maxeda bij verstekvonnis in strijd met de wet bevoegd verklaard. De rechtbank dient zich op grond van het arbitragebeding alsnog onbevoegd te verklaren ten aanzien van de vaststelling van de schade, aldus Maxeda.

4.2. [A] voert verweer. Daartoe beroept [A] zich op de onherroepelijkheid van het verstekvonnis, op grond waarvan de bevoegdheid van deze rechtbank in de hoofdprocedure volgens haar vast is komen te staan. [A] voert aan dat deze rechtbank op grond van artikel 613 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ook bevoegd is ten aanzien van de onderhavige schadestaatprocedure.

4.3. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in het incident

5.1. Vooropgesteld wordt dat aan het verstekvonnis, zoals [A] terecht betoogt, gezag van gewijsde ex artikel 236 Rv toekomt, nu Maxeda daartegen geen verzet heeft aangetekend en het verstekvonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De aansprakelijkheid van Maxeda is daarmee onherroepelijk komen vast te staan.

5.2. Op grond van artikel 613 lid 2 Rv is ten aanzien van de schadestaatprocedure bevoegd de rechter die in eerste instantie over de hoofdzaak heeft geoordeeld. Hieruit volgt dat deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering in de schadestaatprocedure.

5.3. De rechtbank volgt Maxeda niet in haar stelling dat artikel 613 lid 2 Rv slechts ziet op de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. De schadestaatprocedure vormt immers een bijzondere vorm van tenuitvoerlegging die moet worden gezien als voortzetting van het hoofdgeding. Dit volgt ook uit artikel 615a Rv, waarin slechts ten aanzien van de toepassing van de in dat artikel genoemde wetsartikelen wordt bepaald dat de hoofdzaak en schadestaatprocedure als afzonderlijke gedingen worden beschouwd. Ten aanzien van de (vervolg)schadestaatprocedure is dan ook bevoegd de (scheids)rechterlijke instantie die in de hoofdzaak in de eerdere procedure heeft beslist, derhalve in dit geval deze rechtbank. Daaraan staat niet in de weg dat de rechtbank zich mogelijk onbevoegd zou hebben verklaard indien Maxeda in het geding met rolnummer 04-2390 zou zijn verschenen en zich op het arbitraal beding zou hebben beroepen. Immers, zij heeft dat niet gedaan en het verstekvonnis heeft kracht en gezag van gewijsde. Daarom faalt het beroep van Maxeda op de artikelen 1022 lid 1 en 1052 lid 5 Rv. Anders dan Maxeda betoogt, kan om voornoemde redenen ook niet worden gezegd dat de rechtbank zich in het geding met nummer 04-2390 in strijd met de wet onbevoegd heeft verklaard.

5.4. Maxeda zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. veroordeelt Maxeda in de kosten van het incident, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 452,00,

in de hoofdzaak

6.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 augustus 2011 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.?