Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV3660

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
493936 - HA ZA 11-2060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen advocaat en (voormalige) cliënte, een woningstichting. De exclusieve overeenkomst tussen partijen is door de woningstichting opgezegd, maar vervolgens zijn er overeenkomsten gesloten met drie kantoren, waaronder het kantoor van eiser. Eiser stelt dat de zaken gelijkelijk zouden moeten worden verdeeld, zodat hij te weinig zaken heeft gekregen. De woningstichting betwist dat is overeengekomen dat de zaken gelijkelijk zouden worden verdeeld. In dit incident vordert eiser een voorschot op de schadevergoeding en inzage in stukken waaruit de verdeling blijkt. Mede gelet op de verklaringen die zijn gehouden in het kader van een voorlopig getuigenverhoor wordt het voorschot afgewezen. De rechtbank beveelt een verschijning van partijen in het incident om inzage in de stukken en in de hoofdzaak, om meer informatie te krijgen over de gestelde afspraak dat de zaken gelijkelijk tussen de drie kantoren zouden moeten worden verdeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 493936 / HA ZA 11-2060

Vonnis in incident van 7 september 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de stichting

WONINGSTICHTING ROCHDALE,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J. Weermeijer.

Partijen zullen hierna [A] en Rochdale genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van 21 juni 2011, met producties,

- het herstelexploot van 5 juli 2011, met producties,

- de conclusie van antwoord, tevens houdende antwoord in het incident, met producties,

- de akte uitlating, tevens akte inbreng producties van [A].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. In het incident zal de rechtbank – voorshands – van het volgende uitgaan.

2.2. [A] is advocaat. Rochdale is een woningstichting te Amsterdam.

2.3. Op 28 oktober 2004 is tussen partijen een overeenkomst gesloten, die – voor zover hier van belang – het volgende inhoudt:

(…)

1.2 De opdrachtgever [Rochdale, rechtbank] zal gedurende de geldigheidsduur van deze overeenkomst de zaken betrekking hebbende op geschillen, procedures en adviezen op het terrein van het huurrecht uitbesteden aan opdrachtnemer [[A], rechtbank]. Opdrachtgever garandeert een jaarlijkse minimumomzet van honderd vijftig duizend euro per jaar.

(…)

2.2 Indien de overeenkomst niet met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar wordt opgezegd, wordt de overeenkomst telkens van rechtswege verlengd voor een periode van vijf jaar.

2.4. Bij brief van 12 november 2008 schreef Rochdale aan [A]:

Zoals reeds informeel persoonlijk door de heer [B] bij u aangekondigd en toegelicht, zeggen wij hierbij de overeenkomst (…) op tegen 31 december 2009.

Deze opzegging wordt niet ingegeven door ontevredenheid over de kwaliteit van de door u verrichte werkzaamheden, maar is een gevolg van dat wij met het oog op (…) een gewijzigd inzicht ten aanzien van toe te passen contactvormen wensen te beraden op aard, inhoud en omvang van de samenwerking tussen Rochdale en u.

In de loop van het komend jaar zullen wij met u in contact treden ter bespreking van vormgeving en voorwaarden van toekomstige samenwerking.

2.5. Bij e-mail van 1 april 2009 schreef Rochdale aan [A]:

(…)

Je veronderstelling dat het contract louter voor de vorm is opgezegd, klopt helaas niet. Op enkele essentiele punten verwacht ik in ieder geval dat er wijzigingen zullen komen in de voortzetting van de samenwerking. Ik volsta nu met het noemen van enkele voorbeelden.

* vervallen omzetgarantie

* vervallen exclusiviteit voor wat betreft huurrecht

* wijziging in opdrachtgeverschap aan gerechtsdeurwaarders

* heldere prijsafspraken en daaraan gekoppeld jaarlijkse prijsverhogingen

(…)

2.6. Vervolgens heeft Rochdale op basis van offertes ervoor gekozen haar werkzaamheden uit te besteden aan [kantoor 1], Kennedy van der Laan en [kantoor 2] Advocaten (het kantoor van [A]). [A] heeft zijn offerte opgesteld onder voorbehoud van alle rechten en weren. De offerte van [A] is bij brief van 23 december 2009 geaccepteerd. Rochdale schreef:

Op basis van de in uw offerte omschreven werkzaamheden zullen wij, in eerste instantie voor de duur van een jaar, van de diensten van uw kantoor gebruik maken.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1. In de hoofdzaak stelt [A] zich op het standpunt dat hem is toegezegd dat de opzegging uitsluitend een formaliteit zou zijn en dat partijen vervolgens mondelinge overeenstemming hebben bereikt over voortzetting van de overeenkomst voor een periode van vijf jaar, met uitzondering van het exclusiviteitsbeding en de omzetgarantie. Tevens is hem door een medewerkster van Rochdale toegezegd dat het beschikbare werk gelijkelijk tussen de drie advocatenkantoren zou worden verdeeld, aldus [A]. Volgens Rochdale is geen overeenstemming bereikt en is nimmer toegezegd dat de zaken gelijkelijk zouden worden verdeeld.

3.2. [A] vordert vervangende schadevergoeding, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure, ter zake van het niet nakomen van de gestelde mondelinge overeenkomst, althans onrechtmatig handelen door Rochdale. Rochdale voert verweer.

4. De vordering in de incidenten

4.1. [A] vordert dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, als volgt:

1 Rochdale bij wijze van voorschot op de definitief vast te stellen schadevergoeding te veroordelen aan eiser te voldoen de somma van € 412.500,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2010, althans Rochdale een zodanige maatregel op te leggen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

2 Rochdale te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis te veroordelen aan eiser ter beschikking te stellen een lijst c.q. lijsten waarin opgenomen de in het jaar 2010 aan de kantoren [kantoor 1] en Kennedy van der Laan uitbestede huurgeschillen, een en ander in chronologische volgorde, voorzien van referenties en data waarop de zaken zijn uitbesteed alsmede van de gedeclareerde omzetten, althans een zodanige maatregel op te leggen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander op straffen van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dan wel dagdeel dat Rochdale weigert gehoor te geven aan het gebod, althans een zodanig vast te stellen bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

3 Rochdale te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis te veroordelen aan eiser ter beschikking te stellen informatie c.q. de programmatuur, waarin wordt bijgehouden op welke wijze en volgens welke verdeelsleutel zaken worden c.q. werden uitbesteed in huurzaken van Rochdale aan de kantoren [kantoor 1], Kennedy van der Laan en [kantoor 2] Advocaten, althans een zodanige maatregel op te leggen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dan wel dagdeel dat Rochdale weigert gehoor te geven aan het gebod, althans een zodanig vast te stellen bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

4.2. Rochdale voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in de incidenten en in de hoofdzaak

schadevergoeding

5.1. De rechtbank stelt voorop dat moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel – een voorschot ten bedrag van € 412.500,00 – rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de opzegging van de oorspronkelijke overeenkomst van 2004 niet als insteek had om de relatie tussen partijen definitief te beëindigen. Dat is echter onvoldoende om alleen op die grond een betalingsverplichting van Rochdale aan te nemen. Het standpunt van [A] dat partijen vervolgens mondelinge overeenstemming hebben bereikt, over een grotendeels ongewijzigde voortzetting van de voordien bestaande overeenkomst, wordt door Rochdale betwist. De vraag is derhalve of voldoende vast staat dat en zo ja welke verplichtingen voortvloeiden uit de gesprekken tussen partijen, om reeds als voorlopige voorziening een voorschot op de geleden schade toe te wijzen. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank bestaat daarover thans – mede gelet op de verklaringen van de in het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen – echter onvoldoende duidelijkheid om reeds in incident een voorschot op de schadevergoeding zoals gevorderd toe te wijzen.

terbeschikkingstelling van lijsten en verdeelsleutel

5.3. [A] vordert – kort gezegd – een opgave van Rochdale welke zaken zij heeft uitbesteed bij welke van haar advocaten in 2010, alsmede uitleg over de overwegingen (de verdeelsleutel) die daaraan ten grondslag hebben gelegen.

5.4. [A] stelt daartoe dat hem in 2010 4 nieuwe zaken zijn aangeleverd. De andere kantoren hebben in de periode tot en met mei 2010 ieder ongeveer 20 zaken ontvangen. In de voorafgaande jaren werden echter per jaar 120 tot 130 zaken uitbesteed aan hem. Aldus steeds [A].

5.5. Rochdale verwijst naar de verklaring van haar medewerker zoals afgelegd in een gehouden voorlopig getuigenverhoor en stelt dat in 2010 19 zaken aan [A] zijn toegezonden, 18 zaken aan [kantoor 1] en 11 aan Kennedy Van der Laan. Over de overwegingen die aan die verdeling ten grondslag hebben gelegen, laat Rochdale zich niet uit en er bestaat geen rechtsgrond om onderbouwende stukken over te leggen. Aldus steeds Rochdale.

5.6. De rechtbank ziet de vorderingen niet als een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv, maar als incidentele vorderingen gebaseerd op artikel 843a Rv en artikel 22 Rv. Tussen partijen staat vast dat het exclusiviteitsbeding dat een onderdeel uitmaakte van de overeenkomst tot 2009, in 2010 niet langer gold tussen partijen. Indien echter komt vast te staan dat de door [A] gestelde toezegging – dat de zaken gelijkelijk zouden worden verdeeld tussen de advocatenkantoren – daadwerkelijk is gedaan, dan is er in dat geval sprake van een rechtsbetrekking (die toezegging) waarbij [A] partij is en heeft [A] mogelijk voldoende rechtmatig belang bij een onderbouwd overzicht van het aantal zaken en de verdeling daarvan. Een niet-gelijke verdeling levert immers in beginsel slechts in dat geval een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad jegens [A] op.

5.7. In het incident ex 843a Rv zal de rechtbank ambtshalve, op grond van artikelen 87 en 88 Rv, een verschijning van partijen bevelen tot het verkrijgen van inlichtingen.

5.8. Nu in de hoofdzaak voor antwoord is geconcludeerd, beveelt de rechtbank tevens in de hoofdzaak een verschijning van partijen ter terechtzitting tot het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking.

5.9. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld hun stellingen nader toe te lichten en dienen ter terechtzitting bescheiden waarvan zij zich wensen te bedienen, voorhanden te hebben. Deze stukken dienen uiterlijk twee weken vóór de terechtzitting de rechtbank te hebben bereikt, met toezending van een afschrift aan de wederpartij. In die stukken dienen waar nodig van belang zijnde passages van een markering te zijn voorzien. Dit geldt ook voor de specificaties van bedragen of berekeningen.

5.10. Een eventuele wijziging van eis dient de rechtbank uiterlijk twee weken vóór de terechtzitting te hebben bereikt, met afschrift aan de wederpartij.

5.11. Partijen zal ter terechtzitting worden verzocht aan te geven over welke concrete bewijsmogelijkheden zij beschikken ten aanzien van hun eigen stellingen.

5.12. Ter comparitie kan uitspraak worden gedaan over een bewijsopdracht of deskundigenbericht en een datum voor het getuigenverhoor worden bepaald. Ook kan een datum voor schriftelijk vonnis worden bepaald. Partijen zullen slechts gelegenheid krijgen voor repliek en dupliek, indien dit met het oog op hoor en wederhoor of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is.

5.13. Ter terechtzitting zal de mogelijkheid van een schikking kunnen worden onderzocht.

5.14. Indien één van de partijen verhinderd is om op na te noemen datum voor de rechtbank te verschijnen, dient deze partij binnen twee weken na het uitspreken van dit vonnis schriftelijk de rechtbank hiervan in kennis te stellen, onder opgave van zowel de eigen verhinderdata als die van de wederpartij.

proceskosten

5.15. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van de incidenten aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident ex artikel 223 Rv

6.1. wijst het gevorderde af,

in het incident ex artikel 843a Rv en in de hoofdzaak

6.2. gelast partijen in persoon, rechtspersonen vertegenwoordigd door een bevoegde bestuurder of een door het bestuur schriftelijk gemachtigde, en desgewenst vergezeld van de raadslieden te verschijnen tot het in de rechtsoverwegingen aangegeven doel,

6.3. bepaalt dat deze comparitie zal plaatsvinden op 23 november 2011

van 09:30 tot 11:00 in het gebouw van deze rechtbank, Parnassusweg 220-228 te Amsterdam,

6.4. houdt iedere verdere beslissing aan,

in beide incidenten

6.5. houdt de beslissing omtrent de kosten van de incidenten aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.?