Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV2833

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
484590 / HA ZA 11-728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

non-conformiteit oldtimer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 484590 / HA ZA 11-728

Vonnis van 9 november 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --, [land],

eiser,

advocaat mr. R.R.F. van der Mark te Amsterdam,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. H.A.A. van den Broek te Nijmegen.

Partijen zullen hierna “[A]” en “[B]” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 februari 2011, met producties;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 11 mei 2011 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

- het proces-verbaal van comparitie van 4 juli 2011 en de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] heeft op 12 september 2010 een auto, merk Talbot, type Lago T 14 LS, bouwjaar 1957 (hierna “de oldtimer”), gekocht van [B] voor een bedrag van € 142.500,--.

2.2. [B] is de eigenaar van “[B] Auto [plaats]” en maakt aldus zijn bedrijf van de handel in “exclusieve automobielen”.

2.3. [A] heeft samen met de heer [C], de oldtimer bezichtigd in de werkplaats van [B].

2.4. [A] heeft de oldtimer bekeken en de motor heeft enige tijd gelopen, [A] heeft geen proefrit gemaakt.

2.5. [B] heeft de dag voor de verkoop van de oldtimer aan [A], een rit van ongeveer 20 tot 25 kilometer gemaakt met de oldtimer.

2.6. [D], een door IHK Saarland (Duitsland) gecertificeerde Deskundige Motorrijtuigen, heeft op 5 november 2010 van [A] de opdracht gekregen de oldtimer te onderzoeken en heeft van dit onderzoek een rapport opgemaakt.

2.7. In de door [A] overgelegde Nederlandse vertaling (die door [B] niet is betwist) van het rapport van de heer [D] is - onder meer - vermeld:

“De precieze omvang van de beschadiging kan echter pas worden vastgesteld wanneer de transmissiekast uit het voertuig gehaald wordt en voor een precieze diagnose uit elkaar gehaald wordt.

Dit is echter heel tijdsintensief en uit kostenoogpunt werd daartoe op dit moment geen opdracht verstrekt.

(…)

Op dit moment kan de ondergetekende echter ondubbelzinnig vaststellen dat de transmissiekast van het onder punt 3 genoemde voertuig aanzienlijk beschadigd is in de vorm van versleten elementen waarvan de omvang pas na nader onderzoek kan worden vastgesteld.

Het voertuig is vanwege de aanwezige schade aan de transmisse maar beperkt bruikbaar omdat er rekening mee moet worden gehouden dat door het rijden de schade alleen maar groter wordt wat dan eventueel tot een total loss van de versnellingsbak kan leiden.

6. Samenvatting

De inspectie en het onderzoek van het onder punt 3 nader omschreven voertuig heeft aangetoond dat van een aanzienlijke schade aan de verbouwde versnellingsbak, die naar alle waarschijnlijkheid uit twee verschillende versnellingsbakken is samengebouwd, sprake is en merkbaar wordt door sterke geluidsontwikkeling, aanzienlijke speling bij het schakelen en ratelen.

Een precieze diagnose van de schade kan ik pas geven nadat de versnellingsbak werd gemonteerde en uit elkaar gehaald.”

2.8. [A] heeft [B] op 18 oktober en 14 december 2010 per brief in gebreke gesteld en gemaand de schade aan de aandrijving te herstellen, wat [B] heeft geweigerd.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert samengevat - uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat [B] aansprakelijk is voor de aan de aandrijving van de oldtimer bestaande schade zoals die zal blijken uit een nader onderzoek door de deskundige de heer [D] en

- [B] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 28.500,-- aan [A] voor de schade wegens het gebrek aan de oldtimer aan de aandrijving betreffende de 2e en 3e versnelling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de aankoopdatum 12 september 2010 althans van de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

- veroordeling van [B] in de kosten van het geding.

3.2. Aan zijn vordering legt [A] ten grondslag dat hij als consument een oldtimer heeft gekocht welke niet aan de koopovereenkomst beantwoordde nu deze een ernstig gebrek aan de aandrijving heeft. Hiermee is [B] tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. [A] heeft tijdig het gebrek bij [B] gemeld en hem tweemaal in gebreke gesteld en aangemaand. [B] heeft geweigerd het gebrek te herstellen en is derhalve in verzuim en schadeplichtig.

3.3. [B] voert verweer en heeft betwist dat er een gebrek aan de aandrijving is en stelt dat als er al sprake is van een gebrek, het gebrek niet aanwezig hoeft te zijn geweest ten tijde van de verkoop nu de schade ook kan zijn ontstaan bij het vervoer van de oldtimer. Tevens heeft [B] aangevoerd dat de eventuele aanwezigheid van een dergelijk gebrek geen non-conformiteit oplevert nu de oldtimer reeds vijftig jaar oud is en ruim 100.000 kilometer heeft gereden.

Voorts komt [A] geen beroep op non-conformiteit toe nu deze zijn onderzoeksplicht heeft geschonden.

Ten slotte heeft [A] de auto gekocht zonder enige contractuele garantie. Wegens het afzien van garantie is er een korting van € 7.500,-- verleend ter compensatie van eventuele reparaties.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het geschil heeft een internationaal karakter nu [A] in Duitsland woont. Ingevolge de preambule en artikel 1 van deze verordening, dient de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) door de rechtbank te worden geraadpleegd teneinde te onderzoeken of haar rechtsmacht toekomt om over dit geschil te oordelen. Nu het een consumentenkoop betreft en gedaagde is gevestigd in Nederland is, op grond van artikel 16 van deze verordening, de bevoegdheid van deze rechtbank gegeven.

4.2. Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt zodat op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Op grond van lid 2 van ditzelfde artikel is de overeenkomst het nauwst verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar verblijfplaats heeft. In het onderhavige geval moet de kenmerkende prestatie worden verricht door [B] die zijn verblijfplaats in Nederland heeft zodat het Nederlandse recht het toepasselijke recht is.

4.3. Tussen partijen is in geschil of de oldtimer die [B] aan [A] heeft verkocht aan de koopovereenkomst beantwoordde. Nu [B] bij de verkoop van de oldtimer, een roerende zaak, handelde in de uitoefening van zijn bedrijf en [A] als koper niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, moet de koopovereenkoms als een consumenten koop worden beschouwd. Artikel 7:17 Burgerlijk Wetboek (hierna “BW”) bepaalt dat een afgeleverde zaak dient te beantwoorden aan een overeenkomst en in lid 2 is omschreven wanneer er sprake is van een gebrek aan overeenstemming. Bepalend hierbij is het gerechtvaardigd verwachtingspatroon van de koper. Dit verwachtingspatroon dient te worden vastgesteld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Deze omstandigheden kunnen meebrengen dat op de verkoper een mededelingsplicht en op de koper een onderzoeksplicht rust.

4.4. De rechtbank neemt bij deze beoordeling tot uitgangspunt dat de oldtimer een gebrek aan de aandrijving heeft betreffende de 2e en 3e versnelling. [B] heeft betwist dat de oldtimer een gebrek heeft en heeft voorts aangevoerd dat hij geen waardeoordeel aan het door [A] overgelegde rapport van [D] kan verbinden nu hoofdstuk 4 ontbreekt. De door [A] gestelde problemen met de aandrijving zijn door hem onderbouwd met het rapport van de heer [D], een motorrijtuigen deskundige. Weliswaar ontbreekt hoofdstuk 4 van dit rapport, echter het overgelegde rapport bevat wel de vaststellingen en de samenvatting van de deskundige. Tevens vinden de in dit rapport geconstateerde bevindingen steun in de door [A] overgelegde internet uitdraaien, welke door [B] niet zijn betwist. Uit deze uitdraaien volgt dat reeds in 2009 met betrekking tot de oldtimer aandacht wordt gevraagd voor de 2e en 3e versnelling. Voorts overweegt de rechtbank dat [B] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de oldtimer door een andere deskundige te laten onderzoeken zodat op dit moment alleen het rapport van [D] beschikbaar is. De rechtbank zal dan ook aan dit verweer van [B], als onvoldoende onderbouwd, voorbij gaan.

4.5. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of [A], gelet op zijn gerechtvaardigd verwachtingspatroon bij de koop van de oldtimer, mocht verwachten dat de oldtimer zonder een dergelijk gebrek in de aandrijving zou worden geleverd. [B] heeft aangevoerd dat gezien de leeftijd en gebruikshistorie van de auto, het meer dan gebruikelijk slijten van de aandrijving te verwachten is, een koper dient hier dan ook rekening mee te houden.

4.6. [A] heeft onweersproken gesteld dat hij bij de koop van de oldtimer [B] heeft verteld dat hij de oldtimer kocht omdat hij hiermee wilde gaan rijden. De oldtimer beantwoordt in beginsel door het geconstateerde gebrek aan de aandrijving dan ook niet aan de overeenkomst, nu uit het rapport van [D] volgt dat de oldtimer door de schade maar beperkt bruikbaar is omdat door het rijden de schade alleen maar groter wordt en tot een total loss van de versnellingsbak kan leiden. [B] heeft weliswaar aangevoerd dat een oldtimer altijd enige speling heeft in de versnellingsbak en dat een koper van een oldtimer dit moet verwachten, echter uit het rapport van [D] volgt dat het gebrek omvangrijker is dan slechts enige speling bij de versnellingsbak. [B] heeft voorts niet betwist dat de staat van de oldtimer, zoals beschreven in het rapport van [D], geen normale staat is voor een oldtimer. De rechtbank zal hier dan ook van uit gaan. Een koper hoeft een dergelijk gebrek zoals aangetroffen, dan ook niet te verwachten, ook niet bij een oldtimer.

4.7. Vervolgens dient te worden beoordeeld of [A] een onderzoeksplicht had, zoals [B] heeft gesteld. In het geval [A] niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, zou hij geen beroep op non-conformiteit kunnen doen. De rechtbank overweegt dat een onderzoeksplicht van een koper niet zo ver gaat dat deze hierdoor niet meer mag afgaan op de juistheid van de mededelingen van de verkoper. In dit kader heeft [A] heeft gesteld dat hij is afgegaan op de mededelingen van [B] dat de auto uitstekend dan wel (heel) goed reed, mede gelet op het feit dat [B] de dag voor de verkoop van de oldtimer hier 20 tot 25 kilometer mee heeft gereden. [B] heeft weliswaar betwist dat hij zou hebben mede gedeeld dat de auto “uitstekend” dan wel “(heel) goed” reed, echter [B] stelt dat hij wel heeft mede gedeeld dat de “auto normaal liep voor een auto van meer dan 50 jaar oud”. Zoals reeds onder 4.6 overwogen is vast gesteld dat de oldtimer echter niet in een normale staat is en het niet mogelijk is hiermee “normaal” te rijden, ook al is de auto ruim 50 jaar oud. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op de mededeling van [B], [A] geen onderzoeksplicht op dit punt had en het hem dus vrij staat een beroep op non-conformiteit te doen.

4.8. [B] heeft aangevoerd dat de oldtimer ten tijde van de verkoop het gebrek aan de aandrijving nog niet had. Op grond van artikel 7:18 lid 2 BW geldt in het geval van een consumentenkoop het wettelijke vermoeden dat de zaak reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien het gebrek binnen 6 maanden na de levering zich openbaart. Uit het feit dat de oldtimer op 12 september 2010 is gekocht en [B] op 18 oktober 2010 voor de eerste keer door [A] in gebreke is gesteld, leidt de rechtbank af dat het gebrek aan de aandrijving binnen 6 maanden na aankoop is geconstateerd. Voor zover [B] heeft willen stellen dat er een uitzondering moet worden gemaakt op dit wettelijk vermoeden omdat de transporteur dit gebrek zou hebben veroorzaakt overweegt de rechtbank het volgende. [B] heeft aangevoerd dat de transporteur van de oldtimer bij het opladen hiervan voor het vervoer naar [A] in Duitsland, verkeerd heeft geschakeld en dat dit het gebrek aan de aandrijving zou kunnen hebben veroorzaakt. Echter, [A] heeft voorafgaand aan de comparitie een verklaring overgelegd van een medewerker van het transport bedrijf dat de verzender van de auto, te weten het bedrijf van [B], na problemen met het starten van de oldtimer erop heeft gestaan om deze zelf op te laden. [B] heeft deze verklaring niet weersproken zodat de rechtbank hier van uit dient te gaan. [B] heeft zijn stelling dat er een uitzondering moet worden gemaakt op het wettelijke vermoeden dan ook onvoldoende onderbouwd zodat de rechtbank van het wettelijke vermoeden zal uit gaan. Het verweer van [B] treft dan ook geen doel en voor verdere bewijslevering is geen plaats.

4.9. Ten slotte heeft [B] aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat er geen garantie werd verleend en dat [A] een korting van € 7.500,-- heeft gekregen op de aankoopprijs ter compensatie van eventuele reparaties aan de oldtimer. Volgens [B] vallen de kosten voor het herstel van het gebrek aan de aandrijving onder deze korting. De rechtbank overweegt allereerst dat het [A] vrij staat een beroep op artikel 7:17 BW te doen, ook in het geval geen garantie is overeengekomen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de kosten voor het herstel van het gebrek aan de aandrijving niet vallen onder de tussen partijen overeengekomen korting. Nu vast staat dat [A] op grond van de mededeling van [B] de gerechtvaardigde verwachting had dat de oldtimer een dergelijk gebrek niet zou hebben, staat vast dat [A] niet de reparatie van een dergelijk gebrek voor ogen had bij het overeenkomen van deze korting.

4.10. De vordering van [A] om voor recht te verklaren dat [B] aansprakelijk is voor de schade kan dan ook worden toegewezen. De rechtbank overweegt dat dit de schade betreft zoals weergegeven in het rapport van [D], te weten het gebrek aan de aandrijving betreffende de 2e en 3e versnelling. Voorts overweegt de rechtbank dat niet is gesteld noch gebleken welk belang [A] heeft bij zijn vordering dat het (nadere) onderzoek naar de schade slechts door [D] kan worden uitgevoerd. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.11. Ten slotte overweegt de rechtbank dat [B] de hoogte van het door [A] gevorderde voorschot heeft betwist. [B] heeft aangevoerd dat het herstel van een versnellingsbak goed mogelijk is door middel van revisie en dat dit doorgaans € 2.000,-- tot

€ 2.500,-- kost en niet het gevorderde voorschot van € 28.500,--. Ter comparitie heeft [B] gesteld dat deze reparatie niet meer dan € 3.000,-- zou hoeven te bedragen. [A] heeft deze stelling van [B] niet weersproken. Voorts valt, zonder nadere onderbouwing welke ontbreekt, niet in te zien waarom de kosten door [A] worden geschat op 20% van de aankoopprijs van de oldtimer. In het licht van het gemotiveerde verweer van [B] heeft [A] het gevorderde bedrag van € 28.500,-- onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank het voorschot slechts voor een bedrag van € 3.000,-- zal toewijzen.

4.12. [B] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,81

- griffierecht € 588,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief II)

Totaal € 1.593,81

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. verklaart dat [B] aansprakelijk is voor de schade aan de aandrijving betreffende de 2e en de 3e versnelling van de oldtimer;

5.2. veroordeelt [B] om aan [A] te betalen een bedrag van € 3.000,-- (drieduizend euro) als voorschot voor de schade aan de aandrijving betreffende de 2e en 3e versnelling van de oldtimer;

5.3. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 1.593,81, waarvan € 904,00 aan salaris voor zijn advocaat;

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Thomas en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.?