Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV2784

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
13/467184-08 en 13/412254-06 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens overschrijding redelijke termijn.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN BD 2578) bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.

De vraag rijst of de Hoge Raad bij de formulering van deze regel rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Artikel 3 lid 1 IRVK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ook in het jeugdstrafrecht zal dit als uitgangspunt dienen te gelden. Hiermee wordt het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht bevestigd.

Het pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogisch effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts van aard worden.

Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval – gedurende de vervolging twee grote periodes van inactiviteit van de zijde van het Openbare Ministerie/de rechtbank en een uiteindelijke overschrijding van de redelijke termijn met 28 maanden -, dient het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk te worden verklaard (zie ook Rb. Amsterdam, 29 november 2011, LJN BV2783. Overschrijding redelijke termijn met 13 maanden. OM niet-ontvankelijk).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/467184-08 en 13/412254-06 (TUL)

Datum uitspraak: 29 november 2011

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [woonplaats], gedetineerd in het Huis van Bewaring “PI Zwaag Hoorn, locatie Zwaag” te Hoorn.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 november 2011.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde tenlastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank onderzoekt de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte.

De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, nu de redelijke termijn waarbinnen de zaak van verdachte door de rechter behandeld dient te worden, als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), is overschreden. Desgevraagd heeft zij aangevoerd dat, nu het een jeugdstrafzaak betreft, de regel als gegeven in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, LJN BD 2578, NJ 2008, 358 geen toepassing vindt. De raadsvrouw verwijst naar artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering in combinatie met de Aanwijzing effectieve afdoening in starfzaken jeugdigen en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De beslissing om tot vervolging over te gaan, dan wel na twee forse perioden van inactiviteit voort te zetten, is immers in strijd met de pedagogische doelstelling van het jeugdstrafprocesrecht en hetgeen is gesteld in het IVRK.

De officier van justitie heeft dit bestreden door te stellen dat voormeld arrest onverkort van toepassing is in de onderhavige zaak. Hij heeft geconcludeerd dat hij wel ontvankelijk verklaard dient te worden en dat de overschrijding van de redelijke termijn overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad gecompenseerd kan worden met strafvermindering.

Hoewel de officier van justitie niet heeft betwist dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM is overschreden, onderzoekt de rechtbank eerst of dit inderdaad het geval is.

Op 31 maart 2008 doet [aangever] aangifte van diefstal van zijn busabonnement. Op 2 april 2008 volgt de aanhouding en de inverzekeringstelling van verdachte.

Ter zitting van 10 september 2008 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor het horen van vier getuigen bij de rechter-commissaris.

Op 18 december 2009 heeft de raadsvrouw de rechter-commissaris een fax gestuurd met het verzoek de getuigenverhoren zo spoedig mogelijk in te plannen.

De getuigen worden niet gehoord bij de rechter-commissaris maar zij worden opgeroepen om ter terechtzitting van 15 oktober 2010 te verschijnen. Slechts één getuige verschijnt. De zaak wordt wederom aangehouden.

Op 29 november 2011 heeft de behandeling van de strafzaak ter zitting plaatsgevonden. De uitspraak is bepaald op heden.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, is aangevangen op de dag dat verdachte is aangehouden en inverzekering is gesteld, zijnde 2 april 2008.

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zal moeten leven. Een vergelijkbaar voorschrift is te vinden in artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, van het IVRK.

In zijn arrest van 3 oktober 2000, LJN AA 7309, NJ 2000, 721 stelt de Hoge Raad, dat, als uitgangspunt voor gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheden noemt de Hoge Raad in dit arrest de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Een overschrijding van de redelijke termijn behoort in de regel te leiden tot strafvermindering. In uitzonderlijke gevallen kan het openbaar ministerie niet-ontvankleijk verklaard worden verklaard in zijn vervolging, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.21).

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een ingewikkelde zaak. Ook is de proceshouding van verdachte niet dusdanig dat de redelijke termijn in het onderhavige geval langer dan zestien maanden zou moeten bedragen.

De rechtbank stelt verder vast dat van een voortvarende behandeling van de zaak door de bevoegde autoriteiten geen sprake is geweest. Integendeel. Na de zitting van 10 september 2008 heeft het 25 maanden geduurd voordat het eerste getuigenverhoor plaatsvond. Daarna duurt het nog 13 maanden voordat de zaak op zitting komt. Een verklaring voor deze vertraging in etappes is niet gegeven. In ieder geval is niet gebleken van een omstandigheid dat verdachte kan worden tegengeworpen of de redelijke termijn doet verlengen.

De periode die voor de bepaling van de redelijke termijn van belang is, is aangevangen op 2 april 2008 en eindigt vooralsnog met dit eindvonnis in eerste aanleg per heden. De duur van deze periode is bijna 44 maanden. De hiervoor vastgestelde redelijke termijn van 16 maanden wordt dus met 28 maanden overschreden.

In het door de raadsvrouw en de officier van justitie aangehaalde arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad zijn eerder geformuleerde regels over het rechtsgevolg dat aan een inbreuk op artikel 6, eerste lid van het EVRM is verbonden aangepast. Zo bepaalt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.21 dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden. Deze regel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2010 (LJN: BL3228), alwaar het een strafzaak betrof waarin het strafrecht voor jeugdigen was toegepast, nog eens herhaald.

De vraag rijst of de Hoge Raad bij de formulering van zijn regel, dat overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet –ontvankelijkverklaring leidt, rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

In voormelde arresten noch - voor zover de rechtbank bekend - in sindsdien gewezen arresten heeft de Hoge Raad daaraan overwegingen gewijd. Evenmin kan een uitleg gevonden worden in de ratio van de toepasselijkheid van de regel in uitzonderlijke gevallen, nu deze ratio niet uit het arrest valt af te leiden. Om die reden acht de rechtbank zich vrij om te onderzoeken of het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht en het IVRK in de onderhavige zaak ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

Artikel 3, eerste lid van het IVRK bepaalt dat bij alle – ook door rechterlijke instanties te nemen - maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Ook in het jeugdstrafrecht zal dit als uitgangspunt dienen te gelden. Hiermee wordt het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht bevestigd.

Het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht maakt dat de strafrechtelijke reactie snel, doeltreffend en op maat moet zijn. Naarmate die reactie langer op zich laat wachten, wordt het pedagogische effect minder, nihil en kan uiteindelijk zelfs averechts van aard worden.

Een periode van 44 maanden is voor een jeugdige zoals verdachte, die destijds 15 jaar was en thans 19 jaar is, een onoverzienbare termijn.

Uit het voorgaande volgt dat het pedagogische effect van een veroordeling, ook al wordt de straf verminderd, niet alleen verloren gaat, maar zal, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, in het geval van verdachte zelfs averechts van aard zijn.

De enige beslissing die in deze zaak nu nog op zijn plaats is, dus die waarbij de belangen van het kind voorop worden gesteld, is die van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het IVRK en het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht in de zaak van verdachte ertoe leiden dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verloren.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 26 juni 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/412254-06, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 24 augustus 2006 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een week jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 15 september 2006 aan verdachte is uitgereikt.

Nu de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het verzoek tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Wijst af de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis d.d. 24 augustus 2006 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een week jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.H.G. Odink, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. R.H. de Vries en T. Liefaard, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. de Haan - Bogaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 november 2011.