Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV2295

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
493738 - HA RK 11-203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking. Wbp. Incidentenregister. Phishing. Bank heeft gerechtvaardigd belang om de persoonsgegevens te verwerken. Proportionaliteitstoets valt uit in het voordeel van de bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2012/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 493738 / HA RK 11-203

Beschikking van 15 december 2011

in de zaak van

1. [A],

tevens optredend in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon [B],

wonende te --,

verzoekster,

advocaat mr. G.J.W. Pulles te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] (of verzoekster) en ING genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juni 2011;

- de beschikking van 14 juli 2011, waarin een mondelinge behandeling is gelast;

- het verweerschrift met producties;

- het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift, gehouden op

15 november 2011 en het daaraan gehechte stuk;

- de brief van 24 november 2011 van de zijde van [A] met bijlage.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. De zoon van [A], [B] (hierna: [B]) had een jongerenbetaalrekening bij de ING, bekend onder nummer [1]. Op deze rekening-courantovereenkomst waren de algemene voorwaarden van ING van toepassing, waaronder “Voorwaarden gebruik betaalpassen en creditcards”, die, voor zover thans relevant, luiden:

“(…) 7 Bewaren

7.1 U moet uw betaalkaart altijd veilig bewaren. (…)

7.2 U moet uw pincode altijd voor uzelf houden. (…)”

2.2. Op 29 september 2010 is middels internetbankieren op de betaalrekening van [B] een bedrag van EUR 2.523,00 bijgeschreven vanaf ING rekeningnummer [2]. Deze rekening staat op naam van de heer [C] (hierna: de benadeelde).

Op 27, 28 en 29 september is het saldo van de betaalrekening van [B] veelvuldig gecontroleerd. Kort voor de betreffende bijboeking is de betaalrekening op nagenoeg nihil (EUR 0,11) gesteld. In de nacht van 29 op 30 september 2010 werd via drie transacties een bedrag van EUR 2.250,00 opgenomen van de betaalrekening van [B].

2.3. De benadeelde heeft op 6 oktober 2010 aangifte gedaan van oplichting althans frauduleuze overboekingen bij de politie Utrecht en heeft de schade eveneens gemeld bij ING. ING heeft de betaalrekening van [B] geblokkeerd.

2.4. Bij brief van 15 oktober 2010 heeft ING [B], voor zover hier van belang, als volgt bericht:

“(…) Op 29 september 2010 zijn uw persoonsgegevens naar voren gekomen in een onderzoek naar fraude. Er is door middel van Internetbankieren een bedrag van € 2523,00 op uw rekening [1] bijgeschreven, afkomstig van een rekening waarvan de houder geen opdracht heeft gegeven. De benadeelde rekeninghouder heeft hierover ook aangifte bij de politie gedaan. (…)

Bovenstaande kwestie is voor ING Bank N.V. aanleiding om uw persoonsgegevens op te nemen in het incidentenregister.

Voor de volledigheid willen wij u vermelden dat de ING Bank N.V. de benadeelde rekeninghouder schadeloos heeft gesteld, waardoor wij nu een vordering op u hebben. (…)”

2.5. Bij brief van gelijkluidende datum heeft ING de ouders van [B], voor zover hier van belang, als volgt bericht:

“(…) Uit onderzoek is gebleken dat de rekening [1] van uw zoon betrokken is geweest bij frauduleuze handelingen. Bijgaand een kopie van de brief die wij vandaag aan hem hebben toegestuurd. (…)”

2.6. Het Protocol “Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen”, gedateerd 27 juli 2004 (hierna: het protocol), luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) 5. Intern verwijzingsregister (IVR)

(…) 5.2 Vastlegging

In het intern verwijzingsregister kunnen uitsluitend verwijzingsgegevens worden opgenomen van (rechts)personen waarvan gegevens zijn vastgelegd in het incidentenregister en die een risico vormen voor (de organisatie van) de deelnemer. Daarbij kunnen de navolgende criteria als richtsnoer gelden:

• (redelijk vermoeden van) opzettelijke benadeling van de deelnemer, oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of poging daartoe;

• (redelijk vermoeden van) het plegen van strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften dan wel pogingen daartoe, gericht tegen de deelnemer, de organisatie van de deelnemer, haar cliënten en medewerkers.

(…) 6. Extern verwijzingsregister (EVR/EVI)

(…) 6.2 Vastlegging

Deelnemers dragen er voor zorg dat verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna vermelde criteria voldoen worden opgenomen in het extern verwijzingsregister. (…)

Voor opname in het extern verwijzingsregister gelden de volgende opnamecriteria:

1. De activiteiten van de (rechts)persoon kunnen een bedreiging vormen voor de continuïteit en de integriteit van financiële instellingen, de financiële belangen van cliënten en/of de financiële belangen van de (organisatie van de) deelnemer.

2. Er dient een proportionaliteitsafweging plaats te vinden, waarbij de betreffende functionaris vaststelt, dat het belang van de opname in het verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor betrokkene als gevolg van de opname van zijn gegevens.

3. De betreffende (rechts)persoon moet betrokken zijn bij een benadeling van enige financiële instelling (of poging daartoe) of bij onoorbaar gebruik (of poging daartoe) van het financieel stelsel van zodanige aard

• dat aangifte bij een opsporingsinstantie is gedaan of kan worden gedaan of

• de relatie of overeenkomst is opgezegd of het besluit daartoe is genomen of

• is geweigerd om een relatie of overeenkomst aan te gaan. (…)”

2.7. De advocaat van [A] heeft per brief van 15 maart 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de ING en verzocht om [B] uit de verwijzingsregisters te laten verwijderen en zijn rekening weer vrij te geven. ING heeft niet op deze brief gereageerd. De advocaat van [A] heeft vervolgens een rappelbrief gestuurd, gedateerd 6 mei 2011.

2.8. [B] heeft op 6 mei 2011 aangifte gedaan terzake poging tot overige fraude bij de politie Amsterdam-Amstelland. Het bijbehorende proces-verbaal (met nummer PL133E 2011114807-1) luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Ik ben in begin van augustus 2010 benaderd door een vriend van mij [D] wonende op [adres]mij opgebeld met de vraag of ik een zakcentje wilde verdienen? Hij vertelde dat ik 75 euro zou gaan verdienen. Ik kon dit verdienen door middel van mijn pinpas af te geven. Dit leek mij wel leuk omdat vrienden van mij vaak gingen zwemmen en bowlen en dit leek mij ook leuk om te doen. Ik heb hierop geantwoord ja waarom niet. Ik ben toen vervolgens naar hem toe gegaan en heb hem mijn bankpas gegeven.

Ik was 2 dagen daarna op de A J Ernststraat samen met [D]. Toen ik hier was vroeg hij mij naar de pincode van mijn bankpas. Ik vond het in begin een beetje raar maar ik was bang dat hij me anders zou gaan slaan. (…) Hij heet mij vroeger ook wel vaker geslagen en getrapt. (…) Ik was op dat moment dan ook weer erg bang en voelde mij bedreigd. Ik heb toen uit eindelijk besloten om de pincode te geven omdat ik bang was dat hij me ging slaan en zijn woede op mij zou afgaan reageren. (…)”

2.9. Een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming over [B], gedateerd

14 oktober 2011, vermeldt, voor zover hier van belang:

“(…) 2b Zijn er aanwijzingen voor onderliggende problemen en/of stoornissen die de jongere mogelijk in diens ontwikkeling bedreigen?

Er zijn aanwijzingen voor een verhoogde kwetsbaarheid, die zich uit in beïnvloedbaarheid, moeilijk nee kunnen zeggen en moeilijk voor zichzelf op kunnen komen. (…)”

3. Het verzoek en het verweer

3.1. Het verzoek van [A] strekt ertoe dat de rechtbank ING op grond van artikel 46 lid 1 van de Wet bescherming persoonsgegeven (Wbp) zal bevelen alle op haar en haar zoon [B] betrekking hebbende persoonsgegevens uit het incidentenregister en het daaraan gekoppelde Extern Verwijzingenregister (hierna: EVR) te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van ING in de kosten van de procedure.

3.2. [A] legt hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat ING met het opnemen en handhaven van de persoonsgegevens van haar en haar zoon [B] in het incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR onrechtmatig handelt jegens haar en [B]. ING maakt volgens [A] op ontoelaatbare en disproportionele wijze inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer en handelt in strijd met de op haar rustende wettelijke plichten, het protocol en met de zorgvuldigheid die ING jegens hen in acht had moeten nemen. Daarbij wijst [A] erop dat opname in het incidentenregister en met name het daaraan gekoppelde EVR verstrekkende consequenties voor haar en haar zoon heeft. Zo kan geen normale rekening meer worden geopend en betekent opname in de betreffende registers dat je gebrandmerkt wordt als fraudeur.

Voor het opnemen van de persoonsgegevens van [B] geldt dat ING haar bezwaren en verdenkingen ten aanzien van hem niet heeft onderbouwd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, geen aangifte heeft gedaan en geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Voor wat betreft het opnemen van de persoonsgegevens van [A] geldt daarnaast dat er op geen enkel moment aanleiding is geweest om haar in het incidentenregister en het EVR op te nemen, aldus [A].

3.3. ING verweert zich vooreerst op een aantal formele gronden tegen het verzoek. ING stelt voorop dat de persoonsgegevens van [A] nimmer zijn verwerkt in het incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR, zodat het verzoek wat dat betreft niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dient te worden afgewezen. Voorts wijst ING erop dat [B] minderjarig is en een ouder niet zonder machtiging van de kantonrechter als bedoeld in artikel 1:349 van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 1:253k BW voor een minderjarige in rechte kan optreden. Een dergelijk machtiging is vooralsnog niet overgelegd, reden waarom ING zich op de niet-ontvankelijkheid van zowel [B] als [A] beroept. Daarnaast voert ING aan dat [A] het verzoekschrift niet tijdig bij de rechtbank heeft ingediend en ook gelet daarop niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.

3.4. Voorts voert ING – samengevat – aan dat [B] blijkens de door hem zelf aan de politie afgelegde verklaring bewust en vrijwillig heeft meegewerkt aan een zogenaamde katvangerconstructie, waarbij zijn jongerenrekening, zijn betaalpas en zijn pincode zijn gebruikt om via fraude verkregen gelden aan het zicht van de bank te onttrekken. Door zijn betaalpas af te staan, heeft [B] de aanmerkelijke kans aanvaard dat ING zou worden benadeeld, op grond waarvan mag worden aangenomen dat er sprake is van oneigenlijk gebruik van de betaalrekening, de betaalpas en de pincode. Dergelijke fraudes vormen een bedreiging voor de continuïteit en integriteit van financiële instellingen, hetgeen een registratie van de persoonsgegevens van [B] in zowel het incidentenregister als het EVR rechtvaardigt, aldus ING.

3.5. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover hier van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

Verzoek ten aanzien van [A]

4.1. Nu is gebleken dat [A] niet is geregistreerd in het incidentenregister en/of het daaraan gekoppelde EVR, heeft [A] het verzoek voor zover dat ziet op haar tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het verzoek behoeft in zoverre dus geen bespreking meer. De rechtbank zal in het navolgende derhalve slechts ingaan op het verzoek voor zover dat ziet op [B].

Machtiging van de kantonrechter

4.2. Op grond van artikel 1:349 BW juncto 1:253k BW dient een ouder die voor zijn minderjarige kind als eiser althans verzoeker in rechte optreedt een machtiging te hebben van de kantonrechter. Deze machtiging kan ook tijdens het geding nog worden verleend. Nu verzoekster bij brief van 24 november 2011 bedoelde machtiging alsnog heeft overgelegd, zal de rechtbank het niet-ontvankelijkheidverweer van ING dienaangaande passeren.

Termijn voor het indienen van het verzoekschrift

4.3. Op grond van artikel 36 lid 2 Wbp dient een verantwoordelijke een verzoeker binnen vier weken na ontvangst van een verzoek om de hem betreffende persoonsgegevens te verwijderen, te berichten of dan wel in hoeverre hij aan dat verzoek zal voldoen. Verzoekster heeft een dergelijk verzoek per brief van 15 maart 2011 (zie hiervoor onder 2.7) aan ING gericht. ING heeft hierop niet binnen de in voornoemd artikel bepaalde termijn van vier weken gereageerd. Artikel 46 lid 2 Wbp bepaalt dat een verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke en dat, indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord – zoals in het onderhavige geval – het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na afloop van die termijn.

4.4. ING voert op basis van het voorgaande aan dat verzoekster haar verzoekschrift niet tijdig bij de rechtbank heeft ingediend. Zij neemt daarbij de brief van de advocaat van verzoekster van 15 maart 2011 tot uitgangspunt en voert aan dat de termijn van zes weken voor het indienen van een verzoekschrift op 12 april 2011 (vier weken na 15 maart 2010) is gaan lopen en derhalve op 24 mei 2011 is geëindigd. Aangezien het verzoekschrift dateert van 17 juni 2011, meent ING dat verzoekster de termijn voor het indienen van een verzoekschrift heeft laten verstrijken.

4.5. ING gaat er daarbij echter aan voorbij dat de advocaat van verzoekster op

6 mei 2011 een herinnering aan ING heeft gestuurd (zie eveneens hiervoor onder 2.7), waarna partijen wel in overleg zijn getreden. De rechtbank is, met verzoekster, van oordeel dat artikel 46 lid 2 Wbp niet zo kan worden uitgelegd dat alleen het eerste verzoek bepalend is voor de aanvang van de termijn van zes weken. Dit zou immers betekenen dat er geen mogelijkheid zou bestaan voor rappèl of een oplossing in der minne, hetgeen een onbillijke uitleg van de wet zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval voor het bepalen van het moment van aanvang van de termijn aansluiting dient te worden gezocht bij de rappèlbrief van 6 mei 2011. De rechtbank concludeert op basis daarvan dat het verzoekschrift tijdig is ingediend en dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek.

Verzoek ten aanzien van [B]

gerechtvaardigd belang?

4.6. Verzoekster stelt dat ING geen gerechtvaardigd belang heeft bij het opnemen van de persoonsgegevens van [B] in het incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR. Volgens ING is wel degelijk sprake van een gerechtvaardigd belang, namelijk – kort gezegd – de bescherming van de continuïteit en integriteit van financiële instellingen.

4.7. De rechtbank stelt voorop dat het opnemen van de persoonsgegevens van [B] in het incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR is aan te merken als een verwerking van persoonsgegevens, waarop de Wbp van toepassing is. Deze verwerking vindt zijn grondslag in het gerechtvaardigde belang als bedoeld in artikel 8 sub f Wbp van ING en de overige bij het EVR aangesloten financiële instellingen. Dit artikel schrijft voor dat bij het verwerken van persoonsgegevens een afweging wordt gemaakt tussen het gerechtvaardigd belang van – in casu – ING om de gegevens te verwerken in het incidentenregister en het EVR en het belang van [B] op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. ING voert aan dat zij bij haar besluit de voorwaarden van het protocol in acht heeft genomen. Blijkens de preambule van het protocol is het protocol een toelichting op de aanmelding van het incidentenregister bij het College Bescherming Persoonsgegevens. De doelstelling van het incidentenregister is het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector. De rechtbank is van oordeel dat het protocol kan worden beschouwd als een regeling die voldoende waarborgen biedt voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens zoals de Wbp die voorschrijft, zodat het protocol als uitgangspunt zal gelden bij de beoordeling van het onderhavige geschil.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat aan de opnamecriteria zoals vermeld in de artikelen 5.2 en 6.2 van het protocol (zie hiervoor onder 2.6) is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

4.9. Gelet op de gang van zaken als hiervoor omschreven onder 2.2 in combinatie met de verklaring van [B] tegenover de politie, zoals vastgelegd in het hiervoor onder 2.8 geciteerde proces-verbaal, is de rechtbank van oordeel dat is vast komen te staan dat [B] betrokken is geweest bij de frauduleuze handelingen. Onweersproken is dat de overschrijving van EUR 2.523,00 van de rekening van benadeelde naar de betaalrekening van [B] een frauduleuze transactie betreft. Vast staat eveneens dat [B] zijn betaalpas en pincode aan een derde heeft afgestaan om dit geld van zijn rekening op te nemen. Het verweer dat [B] onder psychische druk en (dreiging met) fysiek geweld zou hebben gehandeld kan niet slagen. Immers [B] heeft jegens de politie verklaard dat hij door een vriend werd benaderd met de vraag of hij vijfenzeventig euro wilde verdienen door middel van het afgeven van zijn pinpas en dat dit hem wel leuk leek omdat zijn vrienden vaak gingen zwemmen en bowlen en dit hem ook leuk leek om te doen (zie hiervoor onder 2.8). In het licht van deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan dat sprake was van psychische druk en/of (dreiging met) fysiek geweld.

4.10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van opzettelijke benadeling van ING en oneigenlijk gebruik van de producten en diensten van ING door [B]. Dat ING geen aangifte heeft gedaan tegen [B] staat hier niet aan in de weg, nu het feit gelet op de verklaring van [B] jegens de politie reeds voldoende vast is komen te staan, er momenteel een strafrechtelijk onderzoek loopt naar het voorval en de benadeelde zelf aangifte heeft gedaan van de fraude bij de politie. De uiteengezette omstandigheden vormen een bedreiging van de continuïteit en de integriteit van financiële instellingen in het algemeen en voor de onderneming van ING in het bijzonder. ING had derhalve een gerechtvaardigd belang om de persoonsgegevens van [B] te verwerken in het incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR.

proportionaliteitstoets

4.11. Op grond van artikel 6.2 van het protocol dient in overeenstemming met de Wbp een proportionaliteitsafweging plaats te vinden. Verzoekster stelt in dit verband dat de belangen van [B] disproportioneel worden geschaad. [B] wordt volgens verzoekster ten onrechte gebrandmerkt als misdadiger en fraudeur. Alle aan het incidentenregister deelnemende banken en financiële instellingen kunnen door inzage in het EVR vaststellen dat [B] daarin is opgenomen en vervolgens nadere informatie omtrent de reden van opname opvragen. Dit kan ertoe leiden dat niet alleen ING, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan [B] zullen weigeren. Tot slot wijst verzoekster erop dat bij de belangenafweging ernstig rekening moet worden gehouden met het belang van het kind.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat bij de afweging van de belangen van partijen, het onder 4.10 weergegeven belang van ING thans dient te prevaleren boven de door verzoekster gestelde belangen van haar zoon [B]. Vast staat immers dat ING is benadeeld door handelingen die zijn verricht met gebruikmaking van de betaalrekening, betaalpas en pincode van [B] en dat [B] hieraan bewust en vrijwillig heeft meegewerkt. Blijkens het tijdens de mondelinge behandeling overgelegde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (zie hiervoor onder 2.9) is de thans nog minderjarige [B] kwetsbaar en beïnvloedbaar, hetgeen het risico op herhaling vergroot. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve onvoldoende gebleken dat [B] disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen door opname van zijn persoonsgegevens in het incidentenregister en het EVR.

4.13. Daarbij neemt de rechtbank bovendien nog het volgende in aanmerking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ING aangegeven dat de maximale termijn voor registratie in het incidentenregister en het EVR acht jaar is. Het verweer van [B] dat dit niet proportioneel is, kan niet slagen, nu het een maximale termijn betreft en een tussentijdse herbeoordeling op basis van onder meer leeftijd en actuele situatie om de termijn te bekorten mogelijk is volgens ING. Ook de Wbp voorziet in die mogelijkheid. In de toekomst kan [B] dus opnieuw een verzoek indienen om de registratietermijn te bekorten. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat ING tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat, zodra er meer bekend is over de uitkomst van het lopende strafrechtelijke onderzoek, zij wil overwegen om [B] een rekening aan te bieden die vergelijkbaar is met een convenantenrekening, zodat hij daarop het salaris van zijn bijbaantjes kan ontvangen. Bovendien kan [B], wanneer hij achttien jaar oud wordt, in ieder geval een convenantenrekening openen bij ING. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van ING en dat aan de proportionaliteitstoets is voldaan.

4.14. Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat op ING de plicht rust om het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor toe te passen, hetgeen concreet inhoudt dat zij een individuele betrokkene confronteert met haar bezwaren en deze in staat stelt daarop te reageren voordat tot registratie wordt overgegaan, overweegt de rechtbank als volgt.

ING voert terecht aan dat er op grond van de hiervoor reeds geschetste omstandigheden in het onderhavige geval geen twijfel mogelijk was omtrent de betrokkenheid van [B] bij de fraude. De rechtbank is derhalve met ING van oordeel dat het niet noodzakelijk was om [B] (dan wel zijn moeder) vooraf te horen. Dit geldt te meer nu er, zoals aangevoerd door ING, op grond van het protocol voldoende mogelijkheden bestaan om achteraf bezwaar te maken tegen opname in het incidentenregister en het EVR. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat ING aan de zorgvuldigheidseisen die gelden bij de totstandkoming van een registratie in het incidentenregister en/of het EVR heeft voldaan en dat zij dus niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [B].

4.15. Gelet op het vorenstaande zal het verzoek van verzoekster worden afgewezen.

4.16. Verzoekster zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van ING tot op heden begroot op:

Griffierecht EUR 568,00

Salaris advocaat EUR 904,00 (2 punten x tarief II) +

Totaal EUR 1.472,00

4.17. De door ING gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek af;

5.2. veroordeelt verzoekster in de kosten van de procedure, aan de zijde van ING tot op heden begroot op EUR 1.472,00;

5.3. veroordeelt verzoekster in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en verzoekster niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de kostenveroordeling in de beschikking heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2011.?