Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV2114

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
489400 / HA ZA 11-1500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Toepasselijkheid artikel 1:88, vijfde lid, BW in geval van feitelijke zeggenschap?"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 489400 / HA ZA 11-1500

Vonnis van 14 december 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOP-UP B.V.,

gevestigd te Zeewolde,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAMPTON COURT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] LABEL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. G. de Gelder te Woudenberg

procedure ten aanzien van deze partij van rechtswege geschorst in verband met faillissement

2. [B],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G. de Gelder te Woudenberg

3. [C],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Eiseressen in conventie tevens verweersters in reconventie zullen hierna Top-Up c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [A] Label c.s. en afzonderlijk als [A] Label, [B] en [C].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 13 en 14 april 2011 met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van de zijde van [A] Label en [B] met producties,

- inbreng van de beslagstukken aan de zijde van Top-Up c.s.,

- het tussenvonnis van 29 juni 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 2 september 2011 met de daarin genoemde stukken die tot het procesdossier zullen behoren.

1.2. [A] Label is op 5 juli 2011 in staat van faillissement verklaard. Het geding tussen Top-Up c.s. en [A] Label is gelet op het bepaalde in artikel 29 Faillissementswet van rechtswege geschorst. De rechtbank zal hierna slechts het geschil tussen Top-Up c.s. enerzijds en [B] en [C] anderzijds beoordelen.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] Label B.V. (hierna [A] Label) ontwikkelde kleding onder de merknaam “NAN”. Deze kledinglijn werd in opdracht van [A] Label geproduceerd door Ethics Kledingproducties B.V. (hierna Ethics Kledingproducties).

2.2. [A] Holding B.V. (hierna [A] Holding) was enig aandeelhouder in [A] Label. [A] (hierna [A]) was bestuurder van [A] Label.

2.3. Manibo B.V. (hierna Manibo) beschikte over 80% van de aandelen in [A] Holding en Ethics Group B.V. (hierna Ethics Group) over de resterende 20%. Manibo was tevens bestuurder van [A] Holding.

2.4. [B] Beheer B.V. (hierna [B] Beheer) is enig aandeelhouder en bestuurder van Ethics Group.

2.5. [B] is enig aandeelhouder en bestuurder van [B] Beheer.

2.6. Ethics Group is de moedervennootschap van Ethics Kledingproducties.

2.7. [A] en [C] zijn gehuwd.

2.8. Op 4 februari 2009 zijn [B] en [A] een overeenkomst aangegaan waarin, voor zover relevant is opgenomen:

“In het kader van de 20% participatie van Ethics Group BV in [A] holding B.V. hebben [A] en [B] de volgende afspraken gemaakt.

(…)

Ondanks dat Koper na Transactie een minderheidsbelang in de Vennootschap houdt, zullen belangrijke beslissingen met een unanimiteit van stemmen worden genomen. Het betreffen hier beslissingen die een fundamentele invloed hebben op de bedrijfsvoering van [A].

Hieronder wordt verstaan, huisvesting kantoor, leverancierskeuzes, uitbreiden/afstoten van retailactiviteiten, internationale uitbreiding en investeringen die groter zijn dan 10.000 euro.

(…)”

2.9. Op 9 maart 2009 hebben [A] Holding, Ethics Group en [B] een managementovereenkomst gesloten, waarin is bepaald dat Ethics Group voor [A] Holding als bestuurder diensten zal verrichten. De diensten zullen worden uitgevoerd door [B] als directeur. De overeenkomst vermeldt verder voor zover relevant:

“ONDERGETEKENDEN

1. [A] HOLDING B.V. (…) (hierna te noemen de Vennootschap);

2. ETHICS GROUP B.V. (…) (hierna te noemen: de Bestuurder)

en

3. De heer [B] (…) (hierna te noemen: de Directeur).

(…)

“artikel 1 – Inhoud en aard van de diensten

1.1 De Bestuurder verbindt zich conform de bepalingen van deze overeenkomst alle taken te vervullen die aan een bestuurder van de Vennootschap zijn opgedragen krachtens de wet en de statuten van de Vennootschap, zulks met inachtneming van de voorschriften, regels en procedures opgenomen in de wet en de statuten, alsmede met in achtneming van de algemene voorwaarden, instructies en regels van tijd tot tijd vastgesteld of vast te stellen door de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: de “AVA”) en/of de Overeenkomst met betrekking tot de Vennootschap.

(…)”

2.10. Op 19 januari 2010 is een overeenkomst van geldlening voor een bedrag van EUR 200.000,- gesloten tussen Top-Up c.s. enerzijds en [A] Label c.s. anderzijds (hierna de overeenkomst). De overeenkomst luist voor zover relevant:

“ De ondergetekenden:

1. (…) Top-Up (…) en (…) Hampton Court (…)

en

2. [A] Label (…), rechtsgeldig vertegenwoordigd door [A], (…)

en

3. [C] (…)

en

4. R. [B] (…)

Partijen 2, 3 en 4 gezamenlijk en ieder afzonderlijk hierna te noemen: schuldenaar

(…)

IN AANMERKING NEMENDE

5. Dat er een lening wordt gesloten ten behoeve van het financieren van de uitlevering van de NAN spring summer 2010 collectie van NAN welke zal plaatsvinden in de periode van januari tot 15 maart 2010

(…)

6. Geldnemer verklaart zich door ondertekening van deze overeenkomst akkoord dat indien partij 2 nalatig is in de nakoming van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, dat partij 3 en 4 – zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk – direct en zonder benodigde actie door schuldeiser zorg zullen dragen voor nakoming van alle door schuldenaar te nemen maatregelen teneinde deze overeenkomst tijdig en volledig na te leven.

(…)

8. Indien en voorzover Geldnemer nalatig blijft in de nakoming van haar betalingsverplichtingen, staat het Geldgever vrij alle drie de ondergetekenden onder partij 2 gezamenlijk en ieder afzonderlijk voor het geheel bij rechte aan te spreken op nakoming van deze overeenkomst. (…)”

2.11. Op 28 januari 2011 heeft Ethics Group alle aandelen in [A] Label verworven.

2.12. Op 30 maart 2011 is door Top-Up c.s. beslag gelegd op de onverdeelde helft van de onroerende zaken in Zeist die aan [B] toebehoren.

2.13. Bij brieven van 6 april 2011 aan Top-Up c.s. heeft de echtgenote van [B] de vernietiging van de overeenkomst ingeroepen op grond van artikel 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW), omdat haar toestemming voor de overeenkomst ontbreekt.

2.14. Bij brief van 11 april 2011 heeft de advocaat van Top-Up c.s. de echtgenote van [B] bericht dat hij de vernietiging verwerpt.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Top-Up vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van [A] Label c.s. tot betaling van EUR 115.065,-, maandelijks te verhogen met een rente van 2% over het niet betaalde vanaf 1 april 2011 en de kosten van de procedure, inclusief beslagkosten.

3.2. Top-Up c.s. legt het volgende ten grondslag aan haar vordering. [A] Label c.s. is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door de lening niet tijdig terug te betalen. Op grond van de overeenkomst zijn [B] en [C] hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de resterende schuld vermeerderd met de contractuele rente. [B] is tevens aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad voor de schade die is ontstaan doordat [B] bij het aangaan van de overeenkomst verzwegen heeft dat hij binnen Ethics Group voldoende vermogen had om de investering in de kledingcollectie van [A] Label te financieren zonder vreemd vermogen aan te trekken en omdat hij niet dat vermogen heeft ingezet voor bedoelde investering. Bovendien zijn door zijn toedoen met het van Top-Up c.s. geleende geld schulden aan Ethics Group in de periode van januari 2010 tot juni 2010 afbetaald. De schade is gelijk aan het bedrag van het restant van de geldlening vermeerderd met de contractuele rente.

3.3. [B] voert als verweer aan dat hij zich in de overeenkomst borg heeft gesteld dan wel zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden voor de schuld van [A] Label, hetgeen blijkt uit de artikelen 6 en 8 van de overeenkomst. Voor een dergelijke rechtshandeling is op grond van artikel 1:88 sub c BW toestemming van de echtgenote nodig. Nu deze toestemming ontbreekt en zijn echtgenote de overeenkomst conform artikel 1:89 BW heeft vernietigd, kan Top-Up c.s. geen nakoming van de overeenkomst meer vorderen. Van onrechtmatig handelen is eveneens geen sprake, omdat voor [B] geen verplichting bestond om Top-Up c.s. op de hoogte te brengen van vermeend voldoende vermogen binnen de Ethics Group, noch om dit vermogen aan te wenden zodat onderhavige lening niet nodig zou zijn geweest. Verder had [B] geen invloed op de activiteiten van [A] Label en op de besteding van het geleende geld. [B] betwist voorts dat het van Top Up c.s. geleende geld ten goede is gekomen aan Ethics Group.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [B] vordert samengevat – opheffing van het door Top-Up c.s. gelegde beslag op zijn aandeel in de onroerende zaken te Zeist, subsidiair veroordeling van Top-Up c.s. tot opheffing van het beslag op zijn aandeel in de onroerende zaken te Zeist,

zulks op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,- voor iedere dag dat Top-Up c.s. in gebreken zijn met de opheffing van de beslagen en hoofdelijke veroordeling van Top-Up c.s. in de proceskosten, inclusief nakosten en de wettelijke rente daarover.

3.6. Top-Up c.s. voert als verweer aan dat op grond van het door haar gestelde in conventie, het beslag op terechte gronden is gelegd, zodat de vordering moet worden afgewezen.

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

vernietiging overeenkomst op grond van artikel 1:89 BW

4.1. Top-Up c.s. heeft niet betwist dat de overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub c, noch dat daarvoor de toestemming van de echtgenote is vereist.

4.2. Top Up c.s. voert daartegen als verweer aan dat in dit geval het vijfde lid van artikel 1:88 BW van toepassing is, zodat geen toestemming is vereist. Hoewel [B] geen bestuurder was van [A] Label, had hij op grond van de managementovereenkomst (zie onder 2.9) en de overeenkomst van 4 februari 2009 (zie onder 2.8) wel de feitelijke zeggenschap in [A] Label. Voorts was [B] getrapt aandeelhouder in [A] Label en is de overeenkomst aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van [A] Label. Aldus Top-Up c.s.

4.3. Artikel 1:88 lid 5 BW is van toepassing indien de rechtshandeling (in dit geval als bedoeld onder c van dit artikel) is verricht door een bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap die daarvan alleen of samen met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Voor toepassing van lid 5 is niet van belang of de bestuurder onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is. In situaties waarin de aandelen van de vennootschap niet rechtstreeks gehouden worden door de handelende bestuurder maar door een (of meer) tussenschakel(s), dient ook ten aanzien van de tussenschakel(s) te zijn voldaan aan de vereisten van bestuur en aandeelhouderschap van artikel 1:88 lid 5 BW.

4.4. Uit de parlementaire geschiedenis komt naar voren dat de wetgever met de uitzondering op de gezinsbescherming van lid 5 (voorheen lid 4) van art. 1:88 BW een eenvoudige, doorzichtige regeling heeft willen geven en die uitzondering daarom heeft willen beperken tot gevallen waarin de handelende echtgenoot bestuurder is van een naamloze of besloten vennootschap waarvan deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt. Met bijvoorbeeld afwijkingen van de normale regeling van het stemrecht en met de mogelijkheid van certificering van de aandelen heeft de wetgever in het huidige lid 5 van art. 1:88 daarom bewust geen rekening gehouden. Het moest een eenvoudige, doorzichtige regeling zijn die de criteria bevat die hier van belang zijn, namelijk een combinatie van zeggenschap en financieel belang, zoals die zich voor de ondernemer ook bij de eenmanszaak en de vennootschap onder firma voordoet. Hierbij past niet de uitzonderingsbepaling van art. 1:88 lid 5 BW aldus uit te leggen dat die mede ziet op handelingen van een echtgenoot die wel middellijk aandeelhouder is van een vennootschap, maar geen (middellijk) bestuurder is van die vennootschap. Het bepaalde in de overeenkomst van 4 februari 2009 valt niet onder de beperkte uitzondering die de wetgever met lid 5 beoogde door een eenvoudige doorzichtige regeling te willen geven. Uit deze overeenkomst vloeit immers op zichzelf zeggenschap in [A] Holding voort en niet in [A] Label. Weliswaar heeft [B] ter comparitie verklaard dat die overeenkomst is opgesteld om meer zeggenschap in [A] Label te verkrijgen, maar daarbij heeft hij tevens betwist dat hij in beslissingen van [A] Label is gekend en invloed heeft gehad op betalingen door [A] Label. De managementovereenkomst met [A] Holding leidt niet tot een andere uitkomst, nu daaruit geen zeggenschap in [A] Label volgt nu [A] Holding geen bestuurder was van [A] Label. Of aan de overige voorwaarden van lid 5 is voldaan kan verder onbesproken blijven.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van [B] zich heeft beroepen op buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst. Top-up c.s. heeft daartegen aangevoerd dat de vernietiging geen werking heeft nu haar advocaat deze vernietiging bij brief van 11 april 2011 heeft verworpen en bovendien alleen de echtgenote een beroep op de vernietiging kan doen en niet [B] zelf.

4.6. Dit verweer treft geen doel. Nu zoals hiervoor overwogen vaststaat dat toestemming was vereist voor het aangaan van de overeenkomst door [B], en de echtgenote een beroep heeft gedaan op buitengerechtelijke vernietiging, aanvaardt de rechtbank het beroep door [B] op de vernietiging door zijn echtgenote. Het beroep op de vernietigingsgrond kan alleen worden gedaan door de echtgenote, maar anders dan Top-Up c.s. stelt kan [B] wel een beroep doen op de vernietiging door zijn echtgenote. De vordering tot nakoming van de overeenkomst dient dan ook te worden afgewezen.

Onrechtmatige daad

4.7. De rechtbank is van oordeel dat ook de vordering op grond van onrechtmatige daad dient te worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat op [B] een verplichting rustte om Top-Up c.s. te informeren over de financiële positie van zijn vennootschappen, noch dat [B] verplicht zou zijn geweest om, indien Ethics Group al over voldoende financiële middelen beschikte, hetgeen [B] betwist, aan [A] Label de gelden te verstrekken voor het vervaardigen van de kledingcollectie als bedoeld in de overeenkomst.

4.8. Verder begrijp de rechtbank de stellingen van Top-Up c.s. aldus dat [B], analoog aan bestuurdersaansprakelijkheid, als feitelijk leidinggevende persoonlijk aansprakelijk is voor het niet nakomen door [A] Label van haar betalingsverplichtingen.

4.9. Als maatstaf voor aansprakelijkheid van een bestuurder die heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, geldt dat hij voor schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te weten dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

4.10. Top-Up c.s. heeft onvoldoende gesteld dat [B] zeggenschap had als ware hij een bestuurder. Uit de managementovereenkomst met [A] Holding volgt niet dat [B] zeggenschap had binnen [A] Label, laat staan feitelijk leidinggevende was. [A] Holding was immers geen bestuurder van [A] Label. Onvoldoende is verder het bepaalde in de overeenkomst van 4 februari 2009, nu daaruit op zichzelf zeggenschap in [A] Holding volgt en niet in [A] Label. Weliswaar heeft [B] ter comparitie verklaard dat die overeenkomst is opgesteld om meer zeggenschap in [A] Label te verkrijgen, maar daarbij heeft hij tevens betwist dat hij in beslissingen van [A] Label is gekend en invloed heeft gehad op betalingen door [A] Label. Daarbij laat de rechtbank nog in het midden of de zeggenschap als overeengekomen in de overeenkomst van 4 februari 2009 voldoende zou zijn om [B] als feitelijk leidinggevende aan te merken. Uit het feit dat aan Ethics Group als crediteur van [A] Label betalingen zijn gedaan, vloeit eveneens niet voort dat [B] feitelijk leidinggevende zou zijn geweest. Nu niet kan worden vastgesteld dat [B] als ware hij bestuurder heeft gehandeld voor [A] Label, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [B] een persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.

Vordering tegen [C]

4.11. Nu tegen [C] verstek is verleend, maar [B] wel is verschenen, wordt op de voet van artikel 140, tweede lid, wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering één vonnis gewezen, dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

4.12. Ten aanzien van de niet verschenen gedaagde, [C], komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze kan worden toegewezen.

4.13. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van [A] Label c.s. in de beslagkosten wordt jegens [C] niet toegewezen, nu de beslagen niet ten laste van hem zijn gelegd.

proceskosten

4.14. Nu Top-Up c.s. ten aanzien van [B] in het ongelijk is gesteld en ten aanzien van [C] in het gelijk, bepaalt de rechtbank de proceskostenveroordeling als volgt.

4.15. Top-Up c.s. dient de proceskosten van [B] te betalen. De kosten aan de zijde van [B] worden, nu het griffierecht aan de zijde van gedaagden in rekening is betaald door [A] Label, begroot op EUR 2.842,- (2 x EUR 1.421) voor salaris advocaat.

4.16. [C] dient de proceskosten van Top-Up c.s. te betalen. De kosten aan de zijde van Top-Up c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 76,31

- vast recht 2.969,00

- salaris advocaat 1.421,00 (1 x tarief V)

Totaal EUR 4.466,31

4.17. De door [B] verzochte veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

4.18. Tegen de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten is geen verweer gevoerd, zodat deze vordering wordt toegewezen.

in reconventie

4.19. Nu de vordering van Top Up c.s. is afgewezen, zal de vordering tot het opheffen van het beslag door Top Up c.s. worden toegewezen. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de rechtbank geen aanleiding. [B] heeft ook niet onderbouwd waarom dit in dit geval noodzakelijk zou zijn.

4.20. Top-Up c.s. dient de proceskosten van [B] te betalen. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op EUR 904,- voor kosten salaris advocaat (2 x tarief II).

4.21. [B] heeft de rechtbank verzocht Top-Up c.s. te veroordelen in de nakosten is in het kader van deze procedure. Top-Up c.s. heeft hiertegen als verweer aangevoerd dat deze kosten alleen bij verzoekschrift kunnen worden gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de tekst van de leden 3 en 4 van artikel 237 Burgerlijke Rechtsvordering wellicht zo te interpreteren is, het niet als een dwingende bedoeling van de wetgever moet worden opgevat dat een aparte rechtsgang wordt gevolgd voor de nakosten. Derhalve wijst de rechtbank de vordering toe. De nakosten zijn, zoals hiervoor overwogen, slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

4.22. Tegen de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten is geen verweer gevoerd, zodat deze vordering wordt toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1. veroordeelt [C] om aan Top-Up c.s te betalen een bedrag van EUR 115.065,- (honderdvijftienduizend en vijfenzestig euro), vermeerderd met de contractuele rente van 2% vanaf 1 april 2011 tot de dag van volledige betaling;

5.2. veroordeelt [C] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Top-Up c.s. begroot op EUR 4.466,31;

5.3. veroordeelt Top-Up c.s. hoofdelijk, zodat en indien voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [B] begroot op EUR 2.842,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, indien Top-Up c.s niet binnen deze termijn hieraan heeft voldaan;

5.4. veroordeelt Top-Up c.s. hoofdelijk, zodat en indien voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Top-Up c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,- voor betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente daraover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, indien Top-Up c.s niet binnen deze termijn hieraan heeft voldaan;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

In reconventie

5.7. heft op het door Top-Up c.s. ten laste van [B] gelegde conservatoir beslag op de onverdeelde helft van de onroerende zaken te Zeist;

5.8. veroordeelt Top-Up c.s. hoofdelijk, zodat en indien voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [B] begroot op EUR 904,- ,vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, indien Top-Up c.s. niet binnen deze termijn hieraan heeft voldaan;

5.9. veroordeelt Top-Up c.s. hoofdelijk, zodat en indien voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Top-Up c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,- voor betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, indien Top-Up c.s niet binnen deze termijn hieraan heeft voldaan;

5.10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.11. wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.B.M. Wijnveldt en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.?