Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1468

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
AWB 10-4855 KINDER
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY4418, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening voorschot kinderopvangtoeslag na verwijdering gastouderbureau uit gemeentelijk register. Eiseres is niet in oktober 2008, maar pas op 8 december 2008 door verweerder op de hoogte gebracht van mogelijke fraude, anders dan de vraagouders in de Afdelingsuitspraak van 9/11/2011 (LJN: BU3771). De voorschotten zijn pas in 2009 stopgezet. Standpunt van verweerder dat eiseres al op 20 oktober 2008 zou hebben kunnen en moeten handelen, is daarom ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met de rechtszekerheid. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4855 KINDER

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. D. Numan,

en

Belastingdienst Toeslagen,

verweerder,

gemachtigde M. Marinus.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2009 heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 op nihil gesteld (het primaire besluit I). Bij besluit van 26 juni 2009 heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 eveneens op nihil gesteld (het primaire besluit II).

Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2011.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Standpunten partijen

1.1. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen de herziening voor het jaar 2008 voor de periode 1 januari 2008 tot 20 oktober 2008 gegrond verklaard. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het primaire besluit II is eveneens ongegrond verklaard, dit besluit blijft gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat artikel 5, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) vereist dat een gastouderbureau geregistreerd is bij de gemeente. Verweerder heeft van eiseres een verklaring van registratie van gastouderbureau [gastouderbureau] te [plaats 1] ontvangen, in de aanvraag uit 2008 staat echter [gastouderbureau] te [plaats 2] vermeld. Laatstgenoemd gastouderbureau is met ingang van 20 oktober 2008 niet meer opgenomen in het register van deze gemeente. Eiseres heeft geen wijziging ingediend waaruit blijkt dat zij is overgestapt naar [gastouderbureau] te [plaats 1], noch is gebleken dat [gastouderbureau] te [plaats 1] de activiteiten van [gastouderbureau] te [plaats 2] heeft overgenomen. Eiseres heeft daarom geen recht op kinderopvangtoeslag na beëindiging van de registratie bij de gemeente. Verweerder concludeert dat eiseres voor het jaar 2008 gedeeltelijk aan de voorwaarden voldoet; voor het jaar 2009 voldoet eiseres niet aan alle voorwaarden.

1.2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het haar op geen enkele wijze bekend was dat gastouderbureau [gastouderbureau] het bedrijf had verplaatst van [plaats 2] naar [plaats 1]. Zij is hierover niet geïnformeerd door het gastouderbureau. Dat zij zou moeten aantonen dat zij is overgestapt van [gastouderbureau] te [plaats 2] naar [gastouderbureau] te [plaats 1] is dan ook een onredelijke eis. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat [gastouderbureau] te [plaats 1] de activiteiten van [gastouderbureau] te [plaats 2] heeft overgenomen. Anders dan verweerder heeft gesteld heeft eiseres niet reeds op 16 april 2009 doorgegeven dat zij gebruik maakte van gastouderbureau [gastouderbureau] te [plaats 1]. Eiseres is pas op 12 juni 2009 over de wijziging dat [gastouderbureau] niet meer was geregistreerd in [plaats 2] geïnformeerd. Volgens eiseres moest verweerder wel al eerder op de hoogte zijn geweest van de beëindiging van de registratie van [gastouderbureau] te [plaats 2]. Door dit eerder mee te delen aan de betrokken vraagouders had verweerder leed kunnen voorkomen. Volgens eiseres reikt de informatieplicht die volgt uit artikel 5, vijfde lid, onder c, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: U Awir), niet verder dan de informatie die haar bereikt via het gastouderbureau dan wel via nadere publieke of regionale kanalen.

2. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de wet of de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49 (voor 1 januari 2009) en artikel 5 (na1 januari 2009), van toepassing.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, wordt onder gastouderbureau verstaan: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder j, wordt onder houder verstaan: degene die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, voor zover hier van belang, doet degene die voornemens is een gastouderbureau in exploitatie te nemen daarvan melding aan het college van burgemeester en wethouders (hierna ook: het college) van de gemeente van vestiging. Een gastouderbureau wordt niet in exploitatie genomen, voordat de termijn, bedoeld in artikel 62, is verstreken of indien uit het onderzoek, bedoeld in dat artikel, eerder is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk, vanaf dat moment.

Ingevolge het tweede lid wordt bij regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald welke gegevens bij die melding worden verstrekt en op welke wijze deze worden verstrekt.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, voor zover hier van belang, houdt het college een register bij van gemelde gastouderbureaus. In het register worden na een melding onverwijld de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 45, tweede lid, zijn verstrekt.

Ingevolge het vijfde lid ligt het register ter gemeentesecretarie kosteloos voor een ieder ter inzage.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, doet de houder van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onverwijld mededeling aan het college.

Ingevolge artikel 48, tiende lid, wordt, voor zover hier van belang, indien blijkt dat de kwaliteit van het gastouderbureau niet langer naar aard en strekking overeenkomt met de op grond van deze wet gestelde regels of dat de houder niet voldoet aan enige verplichting die op grond van deze wet op hem rust, het gastouderbureau uit het register verwijderd.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 56, tweede lid, voor zover hier van belang, is artikel 52 van overeenkomstige toepassing op de houder van een gastouderbureau.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, ziet het college toe op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 66, tweede lid, uitgevaardigde verboden. Het college wijst ambtenaren van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst (hierna: de GGD) aan als toezichthouder.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, onderzoekt de toezichthouder na een melding als bedoeld in artikel 45, eerste lid, binnen een bij regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3.

In het tweede lid is het jaarlijkse onderzoek van de toezichthouder geregeld en in het derde lid het incidentele onderzoek.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, voor zover hier van belang, kan het college van de gemeente waarin zich een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, gegeven voorschriften niet of in onvoldoende mate naleeft, de houder een schriftelijke aanwijzing geven.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan het college het door de toezichthouder gegeven schriftelijk bevel verlengen.

Ingevolge artikel 66, eerste lid, voor zover hier van belang, kan het college de houder verbieden de exploitatie van een gastouderbureau voort te zetten.

In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld de houder te verbieden het kindercentrum in exploitatie te nemen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), zoals deze regeling luidde ten tijde hier van belang, vermeldt bij een melding als bedoeld in artikel 45 van de wet, degene die voornemens is een kindercentrum in exploitatie te nemen aan het college de volgende gegevens:

a. indien de houder een natuurlijk persoon is: naam, adres, postcode, woonplaats en telefoonnummer,

b. indien de houder een rechtspersoon is: naam, rechtsvorm, adres, postcode, plaats van vestiging, telefoonnummer, evenals het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken (hierna: de KvK).

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is het eerste lid, aanhef en onder a en b, van overeenkomstige toepassing op degene, die blijkens een melding als bedoeld in artikel 45 van de wet, voornemens is een gastouderbureau in exploitatie te nemen.

Ingevolge het derde lid worden indien het voornemen bestaat meerdere kindercentra dan wel gastouderbureaus in exploitatie te nemen, bij een melding als bedoeld in artikel 45 van de wet per kindercentrum of gastouderbureau de gegevens, bedoeld in het eerste of tweede lid vermeld.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, worden in het register, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet bij de melding verstrekte gegevens ingeschreven.

Ingevolge het tweede lid wordt in het register voorts ingeschreven de wijziging van gegevens als bedoeld in artikel 47 van de wet met vermelding van de aard van de wijziging en de datum van de wijziging.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover hier van belang, vindt verwijdering door het college van de gegevens van een gastouderbureau uit het register plaats indien is gebleken dat de houder niet langer het gastouderbureau in de gemeente exploiteert.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan verwijdering door het college van de gegevens van een gastouderbureau uit het register plaatsvinden, indien uit onderzoek als bedoeld in artikel 62 van de wet is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 3, paragrafen 2 en 3, van de wet gegeven voorschriften.

Ingevolge het derde lid maakt het college de verwijdering van gegevens uit het register bekend in een lokaal verspreid dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en […] de naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Tussen partijen is nog in geschil, of eiseres recht heeft op kinderopvangtoeslag over de periode van 20 oktober 2008 tot en met 31 december 2009. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Eiseres had voor het jaar 2008 een overeenkomst ter zake van kinderopvang met gastouderbureau [gastouderbureau] te [plaats 2]. Het bureau is met ingang van 20 oktober 2008 uit het register kinderopvang van de gemeente [plaats 2] verwijderd nadat de GGD Zuid-Holland Zuid bij een inspectie had geconcludeerd dat het bureau niet voldoet aan de eisen van de Wko.

Verweerder heeft op 16 april 2009 terzake van de kinderopvangtoeslag van eiseres een digitaal wijzigingsformulier ontvangen. In dit formulier werd het adres van [gastouderbureau] te [plaats 1] opgegeven. De wijziging gaat volgens het formulier met terugwerkende kracht in op 1 januari 2009.

3.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiseres pas op 16 april 2009 heeft opgegeven dat zij is overgestapt van [gastouderbureau] te [plaats 2] naar [gastouderbureau] te [plaats 1], maar dat zij verder geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij naar [gastouderbureau] te [plaats 1] is overgestapt. Evenmin is gebleken dat [gastouderbureau] te [plaats 1] de activiteiten van [gastouderbureau] te [plaats 2] heeft overgenomen, aldus verweerder.

3.3. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 20 oktober 2010 (LJN: BO1137) vloeit uit artikel 16, eerste lid, in samenhang met het vierde lid, van de Awir voort dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend, dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Bij uitspraak van 9 november 2011 (LJN: BU3771) heeft de Afdeling geoordeeld dat het gezien de omstandigheid dat desbetreffende vraagouders in oktober 2008 door de Belastingdienst schriftelijk op de hoogte waren gesteld dat de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst een onderzoek is gestart naar het gastouderbureau [gastouderbureau] en dat de Belastingdienst in verband hiermee de uitbetaling van maandelijkse voorschotten kinderopvangtoeslag tijdelijk heeft stopgezet, in samenhang met het feit de verwijdering van [gastouderbureau] uit het gemeentelijke register te [plaats 2] op 21 oktober 2008 in het plaatselijke huis-aan-huisblad was gepubliceerd, op de weg van de vraagouders was gelegen het register te raadplegen of zich anderszins te laten informeren omtrent de registratie van het gastouderbureau.

3.4. De rechtbank stelt vast dat het vervallen van de registratie van [gastouderbureau] te [plaats 2] per 20 oktober 2008 meebrengt dat ingevolge artikel 5, eerste lid onder b, geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat voor kinderopvang door bemiddeling van dit bureau.

3.5. Eiseres heeft aangevoerd dat gastouderbureau [gastouderbureau] is verhuisd van [plaats 2] naar [plaats 1] en dat de gastouderopvang daarmee plaatsvindt door tussenkomst van een in [plaats 1] geregistreerd gastouderbureau. [gastouderbureau] te [plaats 1] heeft de activiteiten van [gastouderbureau] te [plaats 2] overgenomen, aldus eiseres. Volgens verweerder moet het gastouderbureau [gastouderbureau] in [plaats 1] beschouwd worden als een nieuw bedrijf, en daarom moeten ook nieuwe contracten afgesloten worden.

De rechtbank overweegt dat het stelsel van de Wko meebrengt dat lokaal toezicht wordt gehouden op de naleving van de kwaliteitseisen terzake van de gastouderbureaus. Reeds hierom dient te [plaats 2] beschouwd te worden als een ander gastouderbureau dan [gastouderbureau] te [plaats 1], volgens de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011. Dat betekent dat het bureau te [plaats 1] een nieuw bedrijf is, en dat er dus voor het recht op kinderopvangtoeslag een contract met het [plaats 1]se bureau moet zijn. De overeenkomst gastouderopvang, die eiseres bij het beroepschrift heeft gevoegd heeft echter betrekking op gastouderopvang via [gastouderbureau] te [plaats 2]. Een andere overeenkomst heeft eiseres niet overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat eiseres is overgestapt van [gastouderbureau] te [plaats 2] naar een in [plaats 1] geregistreerd gastouderbureau of dat de gastouderopvang plaatsvindt door het bureau in [plaats 1]. Deze grond treft geen doel.

3.6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet reeds op 16 april 2009 heeft doorgegeven dat zij gebruik maakte van gastouderbureau [gastouderbureau] te [plaats 1]. Voor zover eiseres betoogt dat zij die wijziging niet zelf aan verweerder heeft doorgegeven overweegt de rechtbank als volgt. De wijzigingen zijn doorgegeven met behulp van de DigiD van eiseres. Dit betekent dat eiseres zelf die wijzigingen heeft doorgegeven, dan wel dat zij zijn doorgegeven door iemand aan wie eiseres haar DigiD ter beschikking had gesteld. In dat laatste geval zijn de wijzigingen aan eiseres toe te rekenen. De gebruikersnaam en het wachtwoord voor de DigiD zijn immers strikt persoonlijk. Uit artikel 14, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1a, eerste lid, van de Wko volgt dat de kinderopvangtoeslag op aanvraag wordt verstrekt. Verweerder mag daarom een voorschot kinderopvangtoeslag op een daartoe bij hem ingediende aanvraag en wijziging baseren. Dat de wijziging – zoals eiseres ter zitting heeft gesteld – wellicht door het gastouderbureau is ingediend, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Deze grond treft geen doel.

3.7. Eiseres heeft aangevoerd dat haar op geen enkele wijze bekend geworden was dat gastouderbureau [gastouderbureau] het bedrijf had verplaatst van [plaats 2] naar [plaats 1]. Zij is hierover niet geïnformeerd door het gastouderbureau. Dat zij zou moeten aantonen dat zij is overgestapt van [gastouderbureau] te [plaats 2] naar [gastouderbureau] te [plaats 1] is dan ook een onredelijke eis. Volgens eiseres reikt de informatieplicht die volgt uit artikel 5, vijfde lid, onder c, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: U Awir), niet verder dan de informatie die haar bereikt via het gastouderbureau dan wel via nadere publieke of regionale kanalen. Eiseres had daarvan op de hoogte kunnen zijn. Eiseres is in zee gegaan met een gastouderbureau dat niet in haar eigen gemeente is gevestigd. Deze omstandigheid komt voor risico van eiseres, aldus een de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011. Deze grond treft geen doel.

3.8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij niet op 20 oktober 2008 bekend kon zijn met de beëindiging van de registratie van [gastouderbureau] te [plaats 2] en dat verweerder, voor zover hij daarmee toen al wel bekend was, nalatig is geweest de vraagouders hier eerder over te informeren. Volgens eiseres moest verweerder wel al eerder op de hoogte zijn geweest van de beëindiging van de registratie van [gastouderbureau] te [plaats 2]. Door dit eerder mee te delen aan de betrokken vraagouders had verweerder leed kunnen voorkomen. Verweerder heeft eiseres met een brief van 8 december 2008 meegedeeld dat bepaalde bij gastouderbureaus werkzame personen worden verdacht van fraude met betrekking tot kinderopvangtoeslag. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres nog aangevoerd dat verweerder het voorschot na verzending van de brief van 8 december 2008 – waaruit blijkt dat in bepaalde gevallen sprake is van onjuiste aanvragen kinderopvangtoeslag in verband met fraude – niet meteen heeft stopgezet. Voor zover de gemachtigde van eiseres hiermee betoogt dat eiseres hiermee een gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat voor haar recht op kinderopvangtoeslag bestond overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat bij de vraag of en zo ja op welk moment het op de weg van eiseres lag om het register te raadplegen of zich anderszins te laten informeren omtrent de registratie van het gastouderbureau, de omstandigheden van haar geval in onderlinge samenhang moeten worden betrokken, zoals overwogen door de Afdeling in de uitspraak van 9 november 2011. Anders dan de vraagouders in de Afdelingsuitspraak, is eiseres niet in oktober 2008 door verweerder op de hoogte gebracht van de omstandigheid dat in bepaalde gevallen sprake is van onjuiste aanvragen kinderopvangtoeslag in verband met fraude, maar eerst op 8 december 2008. Ook is de uitbetaling van maandelijkse voorschotten pas in 2009 stopgezet. De rechtbank acht het standpunt van verweerder dat het voor de voortgang van de kinderopvangtoeslag 2008 in de lijn der verwachtingen had gelegen dat eiseres op 20 oktober 2008 in deze omstandigheden de nodige handelingen zou verrichten om te voorkomen dat uitbetaling van de toeslag in gevaar zou komen, ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met de rechtszekerheid.

4. Het beroep van eiseres is daarom, voor zover dat betrekking heeft op het berekeningsjaar 2008, gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid en artikel 7:12, eerste lid van de Awb.

5. In het geval dat een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Niet in geschil is dat verweerder eiseres op 8 december 2008 schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van de omstandigheid dat in bepaalde gevallen sprake is van onjuiste aanvragen kinderopvangtoeslag in verband met fraude. Verweerder heeft er ter zitting, mede gezien in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011, terecht op gewezen dat eiseres daarin in ieder geval aanleiding had moeten zien om zich nader te (laten) informeren over de registratie van het gastouderbureau. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 voor de periode van 8 december 2008 tot en met 31 december 2008 terecht op nihil heeft gesteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het voorschot kinderopvang toeslag 2008 voor de periode van 8 december 2008 tot en met 31 december 2008 op nihil stellen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. De rechtbank zal verweerder voorts opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank zal verweerder tevens veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,-).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond, voor zover gericht tegen het gedeelte van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2008;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2008;

- stelt het voorschot kinderopvang toeslag 2008 voor de periode van 8 december 2008 tot en met 31 december 2008 op nihil;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- verklaart het beroep ongegrond, voor zover gericht tegen het gedeelte van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Reiling, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.S.N. van Samson, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2011.

de griffier is verhinderd deze de rechter

uitspraak mede te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB