Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1463

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
20-01-2012
Zaaknummer
AWB 11-2410 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorbereidingsbesluit, aanhoudingsplicht, doorbreken aanhoudingsplicht, vervallen voorbereidingsbesluit, nieuw voorbereidingsbesluit.

Het bouwplan is in overeenstemming met het bestemmingsplan. Ten tijde van de bouwaanvraag en het primaire besluit was een voorbereidingsbesluit van kracht, zodat een aanhoudingsplicht gold. Verweerder heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom deze kon worden doorbroken. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was het eerste voorbereidingsbesluit vervallen en was een nieuw voorbereidingsbesluit van kracht. Een nieuw voorbereidingsbesluit leidt evenwel niet tot verlenging van de aanhoudingsplicht voor lopende bouwaanvragen. Alleen van belang voor de aanhoudingsplicht is een voorbereidingsbesluit dat is genomen vóór de aanvraag om bouwvergunning. In het bestreden besluit is dan ook terecht aangegeven dat er na het verstrijken van de geldingsduur van het voorbereidingsbesluit van 3 november 2009 geen aanhoudingsplicht meer bestond, nu er tijdens de geldingsduur van dat voorbereidingsbesluit geen ontwerp-bestemmingsplan ter inzage was gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2410 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de stichting Stichting Dorpsraad Sloten-Oud Osdorp, gevestigd te Amsterdam, eiseres,

gemachtigde mr. S.J.M. Jaasma,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. G.B. van Driel.

Aan het geding heeft tevens deelgenomen:

[vergunninghouder], vergunninghouder,

gemachtigde mr. M.J. Koning.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van gevelreclame aan het pand gelegen aan de Ditlaar 7 te Amsterdam.

Bij besluit van 19 april 2011, verzonden 26 april 2011, heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2011.

Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. De bouwaanvraag ziet op het plaatsen van reclameaanduidingen aan de voor- en zijgevel, bestaande uit rode kunststof letters met de naam “Ditlaar Staete”, voorzien van led-verlichting met een laag lichtniveau.

1.2. In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 20 januari 2011, overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Dorp Sloten” of het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, zodat hiervoor geen ontheffing nodig is. Verweerder heeft het bouwplan eerst aan de welstandscommissie en vervolgens aan de commissie voor second opinions WZNH voorgelegd. Beide commissies hebben geadviseerd dat, hoewel het bouwplan in strijd is met de Richtlijnen Gevelreclame van het Stadsdeel Osdorp uit 1995 (hierna de Reclamerichtlijnen), de kwaliteit van de openbare ruimte door de reclame niet wordt aangetast. Verweerder heeft daarom besloten om met toepassing van de doelmatigheidsbepaling van de Reclamerichtlijnen de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

2. Beoordeling van het beroep

2.1. Eiseres stelt in beroep allereerst dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het advies van de commissie voor second opinions pas zes dagen voor de hoorzitting, dus binnen de wettelijke termijn van tien dagen, aan eiseres is toegezonden. Eiseres had daardoor onvoldoende tijd om daar tijdens de hoorzitting adequaat op te reageren.

2.2. De rechtbank stelt vast dat het toezenden van het advies van de commissie voor second opinions 6 dagen voor de hoorzitting in strijd is met artikel 7:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt echter ook vast dat dit advies tot dezelfde conclusie komt als het advies van de welstandscommissie dat gedateerd was op 9 november 2009, maar volgens verweerder is opgesteld op 9 november 2010, dat al in het bezit was van eiseres. Verder heeft eiseres in ieder geval in beroep voldoende tijd heeft gehad om zich over de second opinion te beraden. Dit heeft niet geleid tot andere beroepsgronden dan in het bezwaarschrift al vermeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres door schending van dit vormvoorschrift niet in haar belangen is geschaad en zal deze schending met toepassing van artikel 6:22 Awb passeren.

3.1 Eiseres heeft in beroep verder aangevoerd verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat het ten tijde van de aanvraag geldende voorbereidingsbesluit per 9 november 2010 is beëindigd, terwijl deze op 4 november 2010 is verlengd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag terecht op grond van artikel 50, derde lid, van de Woningwet niet is aangehouden, nu het bouwplan noch in strijd is met het geldende bestemmingsplan of met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.

3.2. De rechtbank stelt vast dat het voorbereidingsbesluit van 3 november 2009 gold ten tijde van de bouwaanvraag van 1 april 2010. Op grond van artikel 50, eerste lid, onder a, van de Woningwet, zoals dat destijds luidde, had verweerder de beslissing op de aanvraag behoren aan te houden, omdat er geen grond was de vergunning te weigeren. Ingevolge artikel 50, derde lid, van de Woningwet, kan in afwijking van het eerste lid de bouwvergunning worden verleend, indien het bouwwerk niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Dat is hier het geval. Verweerder had dus de aanhoudingsplicht kunnen doorbreken door hier in het primaire besluit op te wijzen. Dit heeft verweerder niet gedaan, maar dit leidt niet tot een vernietiging van het bestreden besluit, omdat ten tijde van de beslissing op bezwaar het voorbereidingsbesluit van 3 november 2009 inmiddels was verstreken waardoor de aanhoudingsplicht overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van de Woningwet niet langer voortduurde; er was tijdens de geldingsduur van dit voorbereidingsbesluit immers geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

3.3. Weliswaar was ten tijde van de beslissing op bezwaar van 19 april 2011 inmiddels een nieuw voorbereidingsbesluit genomen, maar ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 1980, LJN AF2208) leidt een nieuw voorbereidingsbesluit niet tot verlenging van de aanhoudingsplicht voor lopende bouwaanvragen. Alleen van belang voor de aanhoudingsplicht is een voorbereidingsbesluit dat in werking is getreden vóór de aanvraag om bouwvergunning. In het bestreden besluit is dan ook terecht aangegeven dat er na het verstrijken van de geldingsduur van het voorbereidingsbesluit van 3 november 2009 geen aanhoudingsplicht meer bestond. Deze beroepsgrond slaagt mitsdien niet.

4.1. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met de geldende welstandscriteria, zodat verweerder de bouwvergunning had moeten weigeren. Op grond van de Reclamerichtlijnen is deze lichtreclame in de gevelrand niet toegestaan. Aangezien het bouwplan bovendien in strijd is met de cultuurhistorische waarden, zijn de welstandsadviezen onbegrijpelijk en heeft verweerder deze niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

4.2. Verweerder heeft aangegeven dat hoewel in de Reclamerichtlijnen is aangegeven dat dakreclame, geplaatst in de goot, niet is toegestaan, positief is geadviseerd door zowel de welstandscommissie als de commissie voor second opinions, omdat er geen sprake is van aantasting van de redelijke eisen van welstand, omdat de kwaliteit van de openbare ruimte door de reclame niet wordt aangetast. Verweerder heeft dan ook de doelmatigheidsbepaling vervat in artikel XVI van de Reclamerichtlijnen toegepast.

4.3. In artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet is, voor zover hier van belang, bepaald dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

4.4. Vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009 LJN: BI2952) is dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting.

4.5. Op grond van de Welstandsnota Osdorp worden reclameaanvragen getoetst aan de Reclamenota uit 1995 (lees: de Reclamerichtlijnen). Voor zover de reclame-uiting ook bouwvergunningplichtig is, ontstaat er een samenloop tussen de Reclamerichtlijnen en de Welstandsnota en zijn beide regelingen van toepassing voor de welstandstoets.

4.6. Niet in geschil is dat het bouwplan in ieder geval in strijd is met artikel VI onder B (dakreclame) en artikel VIII onder B (nachtreclame) van de Reclamerichtlijnen.

4.7. In artikel XVI van de Reclamerichtlijnen is bepaald dat het dagelijks bestuur, na advies te hebben ingewonnen bij de schoonheidscommissie, kan toestaan dat wordt afgeweken van deze richtlijnen wanneer strikte toepassing ervan vanuit het belang van de kwaliteit van de openbare ruimte niet kan worden gerechtvaardigd.

4.8. De Commissie voor Second Opinions heeft op 4 oktober 2010 overwogen dat - hoewel het bouwplan in strijd is met de Reclamerichtlijnen - de lichtreclame uitgevoerd in losse letters van 52 centimeter hoog ten opzichte van de gevels waarop/waarboven zij is aangebracht harmonieus is geplaatst en niet te groot is. De kwaliteit van de openbare ruimte wordt door de reclame niet aangetast. Een medeoverweging van de Commissie voor Second Opinions om de doelmatigheidsbepaling van artikel XVI toe te passen is dat een reclame tegen de voorzijde van de gootconstructie wel in de richtlijnen past, maar geen verbetering zou betekenen. Andere reclamezones zijn er in de gevel niet, aldus de Commissie voor Second Opinions.

4.9. De rechtbank ziet in dit geval geen grond voor het oordeel dat verweerder de positieve welstandsadviezen niet had mogen overnemen. Weliswaar is de reclame in strijd met de richtlijnen, maar het gaat hier, zoals ter zitting is gebleken, om relatief kleine losse letters, die vanuit het kerkhof en het oude dorp amper zichtbaar zijn. De verlichting is zodanig dat deze niet hinderlijk uitstraalt. Op de gevel zelf is geen ruimte voor de reclame. De welstandsadviezen en het bestreden besluit motiveren waarom in dit geval mag worden afgeweken van de reclamerichtlijnen, deze motivering is niet onbegrijpelijk of onredelijk, en de Reclamerichtlijnen laten dit in artikel XVI bovendien ook uitdrukkelijk toe. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.C. van der Vlies, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 december 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB