Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1323

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
483633 / HA ZA 11-606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Smartengeld. Geen beperkingen ondanks ongevalsgerelateerde klachten . Eiseres stelt dat zij lijdt aan diverse post whiplashklachten, als gevolg waarvan beperkingen, leidend tot schade. Beroep op voorlopig deskundigenbericht van door de rechtbank benoemde neuroloog. Neuroloog rapporteert: klachten als aangegeven door eiseres zijn te duiden als posttraumatisch pijnsyndroom tgv ongeval, maar geen beperkingen vanuit zijn vakgebied. Eiseres wenst rapportage door anesthesioloog, psychiater en neuropsycholoog tbv vaststelling medische beperkingen. Gedaagde betwist de vordering. Omdat sprake is van zorgvuldige rapportage door een door de rechtbank -juist gezien zijn specialisme en mede met het oog op conflictbeslechting, daaronder begrepen het dispuut omtrent de medische beperkingen- benoemde deskundige, waartegen geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zijn aangevoerd, volgt de rechtbank de bevindingen van de neuroloog. De door hem gediagnosticeerde klachten worden door de rechtbank aangemerkt als ongevalsgerelateerde reële, niet ingebeelde/voorgewende/overdreven klachten. De stelling van eiseres dat sprake is van ongevalsgerelateerde beperkingen wordt - gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, met name ook gezien voormeld processueel kader - afgewezen nu deze stelling niet wordt ondersteund door bevindingen neuroloog. Derhalve in casu geen ruimte voor door eiseres nog voorgestane rapportage.

Voor zover gebaseerd op de gestelde beperkingen, die in rechte niet zijn komen vast te staan, worden de schadevergoedingsvorderingen -waaronder verlies arbeidsvermogen en kosten huishoudelijke hulp- afgewezen. Het gevorderde smartengeld is toewijsbaar tot een bedrag van EUR 3.000 voor zover gebaseerd op de door de neuroloog gediagnosticeerde klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 483633 / HA ZA 11-606

Vonnis van 14 december 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. M. Berruezo te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap

LONDON SCHADEVERZEKERING N.V,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en London genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juni 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 5 september 2011 en het daarin genoemde processtuk.

1.2. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A], geboren [datum], is op 4 april 2005 als inzittende van een auto van achteren aangereden door een bestuurder van een bij London verzekerde auto (hierna: het ongeval).

2.2. London heeft namens haar verzekerde aansprakelijkheid voor de schade als

gevolg van het ongeval erkend.

2.3. [A] was werkzaam als ‘sales-support’ bij een champignonfabriek en verrichtte voornamelijk administratief werk gedurende 36 uur per week. In april 2007 is haar arbeidsovereenkomst door haar werkgever beëindigd wegens aanhoudende ziekte. Sinds 23 april 2007 ontvangt [A] een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.

2.4. Bij beschikking van 10 juli 2008 heeft deze rechtbank prof. dr. E. Ch. Wolters, neuroloog, tot deskundige benoemd en zijn de aan hem te stellen vragen geformuleerd.

Wolters heeft vervolgens een conceptrapport opgesteld en aan partijen toegezonden. [A] heeft terzake van dit conceptrapport geen op- en/of aanmerkingen gemaakt. London heeft wel commentaar geleverd op het conceptrapport. Wolters heeft hierop bij brief aan de rechtbank van 13 februari 2009 gereageerd en geconcludeerd dat dit commentaar hem niet noopte tot aanpassingen van het rapport. In het definitieve rapport van Wolters van 13 februari 2009 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Conclusie en beantwoording van uw vraagstelling:

Een en ander overziende betreft het hier een thans 36-jarige vrouw die 3 april 2005 direct in aansluiting aan een kop-staart auto-ongeval last kreeg van ondanks een intensief therapeutisch beleid persisterende klachten zoals met tintelingen over de linkerarm uitstralende nekklachten, dewelke vooral houdings- en belastingsafhankelijk duidelijk in omvang kunnen toenemen, een bewegingsbeperking over de cervicale wervelkolom, aanvalsgewijs optredende hoofdpijnen, duizeligheid, slaapstoornissen en een abnormaal snel intredende vermoeidheid met wazig zien, concentratiestoornissen en daardoor ook geheugenstoornissen alsmede een episodische emotionele ontregeling en angstequivalenten. Bij uitvoerig neurologisch thans werden hiervoor echter geen aanknopingspunten gevonden voor een betrokkenes klachten onderliggend neurologisch substraat. Genoemde tot op heden persisterende klachten van betrokkene dienen derhalve beschouwd te worden in het kader van een (buiten mijn vakgebied vallend) pijnsyndroom, zich manifesterend met een concordant beperkt bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom.

Vraag 1. De situatie na ongeval.

Vraag A.

De anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandeling en het resultaat van deze behandeling staat uitvoerig beschreven in bijgaand medisch rapport. Kort samengevat betreft het hier een thans 36-jarige vrouw die op 3 april 2005 betrokken was bij een kopstaartbotsing, waarbij zij naar alle waarschijnlijkheid een acceleratietrauma over de cervicale wervelkolom opliep. In verband met de direct in aansluiting aan dit ongeval opgetreden klachten, werd zij intensief behandeld middels chiropractie, fysiotherapie en later psychotherapie. Desondanks blijft zij tot op heden last houden van min of meer onveranderde klachten, dewelke thans door mij geduid kunnen worden in het kader van een posttraumatisch pijnsyndroom.

Vraag B.

Voor onderhavig ongeval is betrokkene naar haar zeggen nimmer ernstig ziek geweest, in een ziekenhuis opgenomen geweest of geopereerd. Zij zou met name nooit last gehad hebben van nek- en/of hoofdpijnen, een abnormaal snel intredende vermoeidheid met visusklachten, concentratiestoornissen en geheugenstoornissen, zoals opgetreden in aansluiting aan onderhavig ongeval d.d. 3 april 2005.

(…)

Vraag D.

Bij oriënterend lichamelijk en uitgebreid neurologisch onderzoek thans vond ik een concordant, licht beperkt, bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom met licht beperkte bewegingsexcursies, vooral voor wat betreft de lateroflexie, anteflexie en retroflexie.

Vraag E.

De (overigens buiten mijn vakgebied gelegen) waarschijnlijkheidsdiagnose luidt:

• Posttraumatisch pijnsyndroom.

Vraag F.

Genoemd pijnsyndroom werd door mij min of meer geobjectiveerd door vaststelling van een bij voortduring aanwezig, concordant, beperkt bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom. Differentiaal diagnostische overwegingen zoals een cervicaal syndroom, cervicaal wortelprikkelingsyndroom, traumatische myelopathie en ook een postcontusioneel klachtenpatroon, konden door mij uitgesloten worden.

Vraag G

De richtlijnen van de American medical association, laatste druk, alsook de richtlijnen van mijn beroepsvereniging volgend lijkt er sprake van een functieverlies (impairment) van 1% van de gehele mens

Vraag H.

Naar mijn oordeel, de richtlijnen van mijn beroepsvereniging volgend, zijn er vanuit mijn vakgebied geen beperkingen voor wat betreft de verrichtingen van het dagelijkse leven, de vrijetijdsbesteding, het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en het verrichten van loonvormende arbeid.

Vraag I.

Alhoewel thans, drieënhalf jaar na vigerend ongeval, een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval gerechtvaardigd lijkt, kan ik niet uitsluiten dat zich in de toekomst nog veranderingen van het klachtenpatroon van betrokkene ontwikkelen.

Vraag J.

Ik kan niet uitsluiten dat zich in de nabije toekomst veranderingen in gunstige zin kunnen ontwikkelen voor wat betreft het klachtenpatroon van betrokkene.

Vraag K.

Ik kan echter geen oordeel geven over de termijn en/of de mate van eventuele verbetering, dewelke zich mogelijk in de toekomst kan ontwikkelen.

Vraag 2. De hypothetische situatie zonder ongeval.

Vraag A.

In zoverre door mij te beoordelen zijn er op mijn vakgebied geen klachten en/of afwijkingen die er ook geweest zouden zijn of die op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als betrokkene het ongeval niet was overkomen.

(…)

Vraag 3. Overige aspecten van de hypothetische situatie zonder ongeval.

Vraag A.

In het medisch dossier van betrokkene komen geen feiten en/of omstandigheden naar voren die ook buiten de huidige klachten en afwijkingen en/of mijn eigen vakgebied gelegen, aanleiding zouden kunnen geven te veronderstellen dat bij betrokkene ook zonder ongeval op enig moment beperkingen zouden zijn opgetreden op het gebied van de uitoefening van de beroepsactiviteit of het verrichten van werkzaamheden in en rond de woning.

Vraag 4. Het genezingsproces en de opstelling van betrokkene daarin.

Vraag A.

Vanuit mijn vakgebied bestaat er geen gouden standaard voor wat betreft de behandeling voor letsels zoals betrokkene bij onderhavig ongeval opliep. Over het algemeen kan evenwel gesteld worden dat hierbij doorgaans behandelingen middels chiropractie en fysiotherapie toegepast worden.

(…)

Vraag 5.

Ik heb geen verdere opmerkingen die voor onderhavige zaak van belang zouden kunnen zijn.”

2.5. London heeft aan [A] een bedrag aan schadevergoeding betaald van

EUR 1.450,00.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, na vermeerdering van eis, - samengevat - veroordeling van London tot betaling van

• een voorschot op de door haar gestelde schade van EUR 27.590,01,

• EUR 3.813,68 aan buitengerechtelijke kosten,

• en alle overige door haar te stellen schade op te maken bij staat,

• vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Het gevorderde voorschot ad EUR 27.590,01 is gespecificeerd als volgt:

EUR 5.000,00 smartengeld

14.646,99 verlies aan arbeidsvermogen vanaf april 2007 t/m december 2009

5.775,00 kosten huishoudelijke hulp

136,00 kosten chiropractor

384,00 kosten fysiotherapeut

6.289,10 kosten neuropsycholoog

50,00 telefoon- en portokosten

1.846,52 reiskosten +

34.127,61

1.450,00 voorschot –

EUR 32.677,61 NB geen verklaring is gegeven voor het verschil van EUR 5.087,61 met

het gevorderde voorschot van EUR 27.590,00

3.3. [A] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij als gevolg van het ongeval sindsdien last heeft van persisterende klachten, te weten:

-met tintelingen over de linkerarm uitstralende nekklachten, die vooral houdings- en belastingsafhankelijk duidelijk in omvang kunnen toenemen,

-een bewegingsbeperking over de cervicale wervelkolom,

-aanvalsgewijs optredende hoofdpijnen,

-duizeligheid,

-slaapstoornissen,

- een abnormaal snel intredende vermoeidheid met wazig zien, concentratiestoornissen en daardoor ook geheugenstoornissen,

-een episodische emotionele ontregeling en angstequivalenten.

[A] stelt dat zij dientengevolge beperkingen heeft en dat zij door deze klachten en beperkingen de onder r.o. 3.2. weergegeven schade lijdt, waarvoor London aansprakelijk is.

3.4. London voert verweer.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

het deskundigenbericht

4.1. Beide partijen betrekken bij hun stellingen (onder meer) het voorlopig

deskundigenrapport van Wolters. De rechtbank neemt bij de beoordeling van dit rapport de

volgende maatstaf in acht. De waarde die in de onderhavige bodemprocedure aan het

deskundigenbericht zal worden toegekend, staat ter beoordeling van de rechtbank, waarbij

met name acht zal worden geslagen op het volgende. Een deskundigenrapport dient

antwoord te geven op de vraag naar de medische klachten en beperkingen en de medische

causaliteit met het ongeval op een zodanig begrijpelijke wijze, dat de rechtbank aan de hand

daarvan een juridisch oordeel kan vellen. De deskundige is vrij in de wijze waarop hij zijn

onderzoek inricht. Zijn rapport dient deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer

inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn

oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn

beroepsgroep, alsmede dat hij een eventuele afwijking daarvan deugdelijk motiveert. Indien

een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de rechtbank op een zorgvuldige

wijze tot stand is gekomen, de conclusies van de deskundige deugdelijk zijn onderbouwd en

voortvloeien uit de door hem in het rapport vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel

van de deskundige, die juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het

onderzoek is benoemd, niet snel naast zich neerleggen. Van de partij die een dergelijk

deskundigenbericht bekritiseert, mag verlangd worden dat hij zijn stellingen deugdelijk

onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te

brengen, waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op

overtuigende wijze worden weersproken. In dat geval zullen er zwaarwegende en

steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het

deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij een dergelijk bericht

naast zich neerlegt.

de klachten ten gevolge van het ongeval

4.2. De door Wolters in het deskundigenbericht op basis van de anamnese omschreven

klachten komen overeen met de door [A] gestelde scala aan klachten als

weergegeven onder r.o. 3.3. Wolters duidt deze klachten (hierna: de klachten) in het kader

van een posttraumatisch pijnsyndroom. Genoemd pijnsyndroom is door Wolters min of

meer geobjectiveerd door vaststelling van een bij voortduring aanwezig, concordant, beperkt

bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom. Daarmee staat naar het oordeel van de

rechtbank, met inachtneming van de criteria van het arrest van de Hoge Raad van van 8 juni

2001, LJN: AB 2054 (Zwolsche/De Greef), vast dat [A] lijdt aan de door Wolters

omschreven klachten.

4.3. London betwist de causaliteit tussen deze klachten en het ongeval door aan te voeren

dat [A] al eerder, te weten in 1997 betrokken is geweest bij een ernstig ongeval waarbij de auto van [A] total loss is geraakt en waarna zij nooit meer heeft durven rijden. [A] heeft Wolters niet voorzien van medische informatie na dit eerste ongeval. Wolters heeft wel melding gemaakt van dit ongeval en opgemerkt dat [A] hiervoor kennelijk geen medische hulp heeft gezocht, maar hij heeft dit niet daadwerkelijk geverifieerd. Dit terwijl de impact van een ongeval waarbij een auto total loss raakt substantieel groter is dan de impact van het onderhavige ongeval met een voertuigschade van slechts EUR 1.019,32 exclusief BTW. Aldus steeds London. London verzoekt de rechtbank te bevelen dat [A] alsnog haar huisartsenkaart vanaf 1997 tot heden overlegt zodat inzicht kan worden verkregen in de gevolgen van voornoemd ongeval.

4.4. [A] bestrijdt op haar beurt de gegrondheid van dit verweer. Zij erkent dat haar in 1997 een ongeval is overkomen, maar volhardt in haar stelling dat zij daarvoor geen medische hulp heeft gehad en dat dit ongeval dus ook geen rol speelt bij het huidige klachtenbeeld. [A] wijst ter onderbouwing van haar stelling op de door haar overgelegde schriftelijke bevestiging hiervan door haar huisarts van 12 juni 2007. Ook Wolters gaat ervan uit dat het ongeval van 1997 geen rol speelt, aldus [A].

4.5. London heeft naar aanleiding van het conceptrapport van Wolters bij brief aan

Wolters van 7 januari 2009 terzake, voor zover hier van belang, het volgende commentaar

geleverd:

“4. U heeft geen objectieve gegevens uit de medische voorgeschiedenis verkregen. Ik meen

te concluderen dat u het ook niet nodig vindt gegevens uit de voorgeschiedenis te

ontvangen.”

Wolters heeft in zijn brief aan de rechtbank van 13 februari 2009 naar aanleiding van deze

brief onder meer, voor zover hier van belang, geantwoord:

“Voor wat betreft het intermezzo: ik kan in de mij ter beschikking staande gegevens en in

mijn rapport nergens vinden dat betrokkene voor regarderend ongeval enkele aanrijdingen

(zonder lichamelijk letsel) zou hebben meegemaakt. Echter, ook al zou dat zo zijn, kennelijk

heeft betrokkene in tegenstelling tot onderhavig ongeval, hiervoor dan geen medische hulp

gezocht.”

Deze visie van Wolters wordt bevestigd door voornoemde schriftelijke verklaring van de

huisarts, waarop [A] zich beroept. Daarin staat, voor zover hier van belang:

“Voor zover mij bekend had mevr. [A] voor het ongeval geen last van vergelijkbare

klachten. Ik heb geen specialistische informatie kunnen vinden in het archief. Ik heb ook

geen spreekuurkontakten kunnen terugvinden.”

Wolters verwijst in zijn rapport in antwoord op vraag C ook naar deze verklaring van de

huisarts. Uit de antwoorden van Wolters op de vragen 1A en 3A valt af te leiden dat hij

de klachten beschouwt als ongevalsgevolg. De rechtbank acht deze conclusie concludent

omdat wordt verwezen naar deze verklaring van de huisarts. Wolters kon naar het

oordeel van de rechtbank, gegeven deze informatie van de betrokken huisarts, er

redelijkerwijs van afzien nog nadere gegevens uit de medische voorgeschiedenis op te

vragen. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding het verzoek van London om het medisch

dossier vanaf 1997 over te leggen te honoreren.

Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is van causaal verband tussen

de klachten en het ongeval.

de uit de klachten voortvloeiende beperkingen

4.6. Wolters komt tot de conclusie, de richtlijnen van zijn beroepsvereniging volgend,

dat er vanuit zijn vakgebied geen medische beperkingen zijn voor wat betreft de

verrichtingen van het dagelijkse leven, de vrijetijdsbesteding, het verrichten van

huishoudelijke werkzaamheden en het verrichten van loonvormende arbeid.

benoeming van een andere deskundige?

4.7. [A] werpt bezwaren op tegen het rapport van Wolters en verzoekt de rechtbank een nieuw deskundigenbericht te gelasten ter beantwoording van de vraag naar de medische beperkingen en stelt voor daartoe een anesthesioloog, een psychiater en een neuropsycholoog te benoemen.

4.8. London heeft dit verzoek gemotiveerd betwist en hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat ook op dit punt het rapport van de door de rechtbank in het kader van een voorlopig deskundigenbericht benoemde neuroloog Wolters, dat aan de daarvoor geldende zorgvuldigheidswaarborgen voldoet, leidend moet zijn voor de verdere beoordeling.

4.9. Ter beoordeling ligt voor of de bezwaren van [A] tegen het rapport van Wolters voor wat betreft de wijze waarop dat rapport tot stand is gekomen alsook de inhoud doel treffen. Dat is het geval als deze bewaren zwaarwegend en steekhoudend zijn. In dat geval kan de beantwoording van de vraag of er sprake is van ongevalsgerelateerde beperkingen niet (zonder meer) aan de hand van dit rapport worden beantwoord (zie hierboven onder 4.1). Het ligt dan in de rede om aan een andere deskundige deze vraag voor te leggen.

Ook heeft de rechtbank te bekijken of er in de stellingen van [A] en de onderbouwing daarvan in het dossier overigens aanleiding bestaat tot benoeming van een andere deskundige. Met name gelet op het scala van de door Wolters gediagnosticeerde klachten en zijn duiding daarvan als een pijnsyndroom, valt naar het oordeel van de rechtbank gezien de bevindingen van Wolters vanuit zijn neurologisch vakgebied – namelijk dat géén beperkingen aanwezig zijn – op zichzelf niet uit te sluiten dat vanuit een ander medisch vakgebied wèl uit die klachten voortvloeiende functionele beperkingen kunnen worden vastgesteld. Hieruit volgt dat uit oogpunt van materiële bewijsgaring de behoefte aan nadere medische rapportage, zoals door [A] wordt voorgestaan, op zichzelf voorstelbaar is.

Deze twee aspecten zullen hierna als volgt worden beoordeeld.

4.10. Zoals vooroverwogen, biedt het rapport van Wolters voldoende onderbouwing

van de stelling van [A] dat sprake is van objectiveerbare reële, niet ingebeelde,

niet voorgewende en niet overdreven klachten die te duiden zijn als ongevalsgevolg.

Dit laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat het ook aan [A] is om het

benodigde bewijs van de door haar gestelde beperkingen, die zij aan deze klachten

toegekend wenst te zien, bijeen te brengen. Zoals tussen partijen niet in geschil is, is (ook)

voorlichting door een medisch deskundige onontbeerlijk voor de beoordeling van de vraag

of er sprake is van beperkingen als gevolg van dat klachtenbeeld. In het kader van deze, op

[A] rustende bewijslast, heeft de rechtbank op verzoek van [A] indertijd een

medisch deskundigenbericht gelast, waartoe neuroloog Wolters is benoemd.

4.11. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door [A] tegen het rapport van Wolters ingebrachte bezwaren, met in achtneming van de in r.o. 4.1. weergegeven maatstaf als volgt.

4.12. Wolters heeft ook [A] in de gelegenheid gesteld te reageren op en vragen te

stellen over zijn conceptrapport, daaronder begrepen het voor [A] prangende punt van

de bevindingen van de deskundige betreffende de medische beperkingen. [A] heeft van

deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In dit rapport is een van de belangrijkste

conclusies dat [A] in haar huidige toestand, bezien vanuit het vakgebied van de

neurologie, geen beperkingen ondervindt in het dagelijks leven, bij de vrije tijdsbesteding,

bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van

loonvormende arbeid.

Voorzover [A] nog als bezwaar beoogt aan te voeren dat Wolters niet

anders kon dan tot deze conclusie komen, nu dit overeenkomstig de richtlijnen van zijn

beroepsgroep is, kan dit haar niet baten omdat deze stelling onjuist is. Uit de verplichting

van een deskundige om onpartijdig en naar beste weten te rapporteren, vloeit immers niet

zonder meer voort dat hij steeds gehouden zou zijn met toepassing van een richtlijn van zijn

beroepsgroep te rapporteren. Hij kan daarvan afwijken mits hij dit motiveert en indien er in

zijn beroepsgroep verschil van inzicht bestaat, hij daarvan melding maakt. Wolters heeft

blijkens zijn rapport geen aanleiding gezien om af te wijken van de desbetreffende NVvN-

richtlijnen. Evenmin heeft hij kenbaar gemaakt andere medische expertise en/of nader

neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk te achten.

Het deskundigenrapport is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk, logisch en

consistent qua opbouw, inhoud en uitkomsten, zodat het rapport voldoet aan de onder r.o.

4.1. weergegeven criteria.

Daarmee is de vraag waarover partijen verdeeld zijn, te weten of er (medische) beperkingen bestaan die als ongevalsgevolg hebben te gelden, op zorgvuldige wijze door de door rechtbank daartoe aangewezen deskundige beantwoord.

4.13. [A] bestrijdt de bewijswaarde van de rapportage van Wolters met de volgende

door haar overgelegde documentatie:

- het rapport van neuroloog dr. [B] van 27 juni 2007 in het kader van de

ongevallenverzekering,

- het intakeverslag van 17 mei 2006, het verslag van het neuropsychologisch onderzoek van

19 september 2006 en de brief van 1 december 2006 aan [C], arbeidsdeskundige van Re-spect, van mevrouw drs. [D], de behandelend neuropsycholoog,

- de brief van 13 oktober 2005 van [E], de behandelend fysiotherapeut,

- de brief van 27 september 2005 van [F], de behandelend chiropractor.

4.14. Deze rapportages hebben betrekking op bevindingen van de neuropsycholoog en de

paramedici die [A] hebben behandeld. Deze bevindingen, die deels afkomstig zijn

van niet-artsen en/of behandelaars van [A] kunnen niet zonder meer op één lijn

worden gesteld met de bevindingen van een onafhankelijke medisch specialist als Wolters.

Daarbij komt dat hun bevindingen zijn voorgelegd aan de door de rechtbank benoemde

neurologisch deskundige Wolters, juist teneinde klaarheid te brengen in het partijdebat dat

(mede) naar aanleiding van die bevindingen over de medische klachten en beperkingen van

[A] was gerezen. Ook weegt mee dat deze rapporten zijn vervaardigd zonder dat

London daarbij op enigerlei wijze betrokken is geweest. Dit laatste geldt ook voor het

overgelegde rapport van [B], dat bovendien is opgesteld in het kader van een

ongevallenverzekering, hetgeen een andere optiek en vraagstelling veronderstelt dan die van

de thans in het geding zijnde medische en juridische causaliteit. Aan deze rapporten kan

reeds daarom niet dezelfde (bewijs)waarde worden toegekend als aan de rapportage van de

door de rechtbank benoemde deskundige.

4.15. De door [A] overgelegde rapportages komen er in de kern op neer dat – in

afwijking van hetgeen Wolters vanuit zijn vakgebied concludeert – wèl sprake is van de

door [A] gestelde medische beperkingen. Onder de gegeven omstandigheden zijn deze

afwijkende visies op zichzelf onvoldoende voor de rechtbank om het deskundigenrapport

van Wolters als door de rechtbank benoemde onafhankelijke deskundige naast zich neer te

leggen. Wolters is immers juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op dit terrein

benoemd en zijn voorlopig deskundigenbericht is gelast ter beslechting van het debat

tussen partijen hieromtrent. Zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen conclusies worden

door deze rapportages niet op overtuigende wijze weersproken.

4.16. Dit leidt tot de slotsom dat [A] geen zwaarwegende en steekhoudende

bezwaren aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht

van Wolters heeft aangevoerd.

4.17. Voorts is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [A] aanvoert ook onvoldoende

aanknopingspunten biedt om op andere wijze dan aan de hand van het rapport van Wolters

de vraag te (laten) beantwoorden of er beperkingen zijn op basis van de

ongevalsgerelateerde klachten. Daarbij weegt zwaar dat [A] niet expliciteert dat en

waarom juist de door haar voorgestelde deskundigen beter geëquipeerd zouden zijn dan de

door de rechtbank naar aanleiding van het verzoekschrift van [A] benoemde neuroloog

Wolters om de vraag naar de beperkingen in het onderhavige geval te beantwoorden.

4.18. Gelet op bovenstaande neemt de rechtbank de conclusies van het

deskundigenbericht van Wolters over en maakt ze tot de hare. De rechtbank stelt vast dat de

stelling van [A] dat zij medische beperkingen heeft ten gevolge van haar door Wolters

vastgestelde ongevalsgerelateerde klachten, niet wordt ondersteund door de conclusie

hieromtrent van Wolters.

4.19. Hieruit volgt dat deze stellingname onvoldoende is onderbouwd in het licht van het

verweer en dus niet kan slagen. Dit brengt mee dat geen ruimte is voor verdere

bewijslevering. Het verzoek van [A] om nog nieuwe deskundigen te benoemen

teneinde aan hen opnieuw de vraag naar de beperkingen voor te leggen, wordt dan ook

afgewezen.

het verlies aan arbeidsvermogen en de kosten van huishoudelijke hulp

4.20. Uit het vooroverwogene volgt dat deze schadeposten niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen, nu zij zijn gebaseerd op de door [A] gestelde beperkingen, die in rechte niet zijn komen vast te staan.

kosten chiropractor en fysiotherapeut

4.21. Ter zitting heeft London zich bereid verklaard de opgevoerde kosten van de chiropractor en de fysiotherapeut te betalen, zijnde totaal EUR 520,00.

Dit deel van de vordering zal derhalve worden toegewezen.

kosten neuropsycholoog

4.22. [A] vordert een voorschot op de door haar gemaakte kosten van haar behandelend neuropsycholoog ([D] voornoemd), voorzover deze niet zijn vergoed door haar toenmalige werkgever, ad EUR 6.289,10.

4.23. London heeft hiertegen aangevoerd dat [D] blijkens haar website hulp biedt aan mensen met niet-aangeboren hersenletsel en dat haar hulpverlening is gericht op neuropsychologische stoornissen na het letsel, zoals geheugen- en aandachtsstoornissen, terwijl dit hersenletsel zich bij [A] niet voordoet en een medische indicatie ontbreekt, zodat geen sprake kan zijn van causaal verband met het ongeval.

4.24. De rechtbank overweegt dat Wolters blijkens zijn deskundigenrapport ‘concentratiestoornissen en daardoor ook geheugenstoornissen’ heeft vastgesteld. Zoals terecht is aangevoerd door London, blijkt uit zijn rapportage echter niet dat deze stoornissen zijn ontstaan na dan wel veroorzaakt door (ongevalsgerelateerd) hersenletsel. Daarbij komt dat [A] – ook ter zitting – geen medische indicatie terzake heeft overgelegd. Bij deze stand van zaken is een beroep van [A] op haar persoonlijke inzet haar schade te beperken weliswaar prijzenswaardig, maar kan niet leiden tot toewijzing van deze vordering. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

telefoon- en portokosten

4.25. [A] vordert een voorschot ad EUR 50,-- aan telefoon- en portokosten, gerelateerd aan diverse instanties die zij naar aanleiding van het ongeval heeft moeten raadplegen, zoals artsen, therapeuten, UWV, ziektekostenverzekeraar en haar advocaat.

4.26. London voert aan dat het grootste deel van deze kosten zijn gemaakt in het kader van behandelingen die niet ongevalsgerelateerd en niet medisch geïndiceerd zijn.

4.27. De rechtbank stelt vast dat geen nadere specificatie is gegeven van de aard van de gevorderde kosten, terwijl niet valt in te zien waarom het totaal van deze kosten per datum dagvaarding niet al geconcretiseerd had kunnen zijn. Een begroot totaalbedrag van EUR 50,-- aan wèl met het ongeval in verband staande telefoon- en portokosten acht de rechtbank evenwel redelijk en derhalve toewijsbaar.

reiskosten

4.28. [A] vordert een voorschot op de door haar gestelde reiskosten van EUR 1.846,52, bestaande uit

-EUR 1.758,92 reiskosten neuropsycholoog

-EUR 87,06 reiskosten mondelinge behandeling voorlopig deskundigenbericht.

4.29. De rechtbank is met London van oordeel dat van de reiskosten wegens bezoeken aan de neuroloog niet gezegd kan worden dat deze ongevalsgerelateerd zijn. Voor zover de vordering hierop is gericht, zal deze derhalve worden afgewezen. De andere voornoemde kosten ad EUR 87,06 zijn wel toewijsbaar nu noch het causaal verband met het ongeval, noch de hoogte ervan door London zijn betwist, en deze kosten de rechtbank redelijk voorkomen.

(overige) buitengerechtelijke kosten

4.30. [A] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad EUR 3.813,68. Zij verwijst naar een door haar overgelegde declaratie van haar rechtsbijstandsverzekeraar, RVS Schadeverzekering N.V. (hierna: RVS). De door [A] overgelegde declaratie van RVS heeft betrekking op de kosten van rechtsbijstand door RVS ad EUR 3.045,00 en de kosten van extern medisch advies ad EUR 768,68. [A] onderbouwt haar vordering meest verstrekkend door te verwijzen naar artikel 9.5 van de polisvoorwaarden van RVS. Daarin staat, voor zover hier van belang:

“Indien de verzekerde op grond van een wettelijke of contractuele bepaling de kosten van rechtsbijstand geheel of gedeeltelijk vergoed kan krijgen, komen die kosten niet in aanmerking voor vergoeding krachtens deze verzekering. Het SRK zal de verzekerde, ter compensatie van de door RSK voorgeschoten kosten, bijstand verlenen bij het terugvragen of verhalen van die kosten (…)”

4.31. London betwist deze vordering. SRK heeft geen ‘expences out of the pocket’ hoeven doen. [A] heeft geen declaraties aan SRK betaald. De kosten van rechtsbijstand hebben het vermogen van [A] niet geraakt en zijn alleen ten laste van SRK gekomen. [A] had de kosten, indien door haar zelf gemaakt, op London kunnen verhalen. Aldus steeds London.

4.32. De rechtbank overweegt dat niet wordt betwist dat voormelde polisvoorwaarde van toepassing is op de rechtverhouding tussen [A] en SRK. Blijkens deze polisvoorwaarde biedt SRK geen dekking voor kosten van rechtsbijstand die de verzekerde op grond van een wettelijke of contractuele bepaling geheel of gedeeltelijk vergoed kan krijgen. Hieruit volgt dat indien en voor zover in de onderhavige procedure komt vast te staan dat London aansprakelijk is voor de door [A] gevorderde kosten van rechtsbijstand, [A] geen vergoeding toekomt van SRK.

Dat betekent dat het verweer van London faalt. De kennelijke omstandigheid dat SRK deze werkzaamheden reeds heeft verricht zonder dat [A] hiervoor kosten heeft betaald, doet daar niet aan af. Ook is van belang dat London niet heeft betwist dat, zoals [A] klaarblijkelijk beoogt te stellen, niet alleen de kosten van door SRK zelf verrichte rechtsbijstand maar ook extern gemaakte kosten ten behoeve van advies, te weten de in casu opgevoerde kosten van door SRK ingeschakelde externe medisch adviseurs, onder deze polisvoorwaarde moeten worden begrepen.

4.33. Met betrekking tot de vraag of de door [A] opgevoerde kosten kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade dan wel

verkrijging van voldoening buiten rechte ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, overweegt de rechtbank als volgt.

4.34. Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand door SRK zelf geldt het volgende. Artikel 6:96 lid 2 sub c BW maakt een voorbehoud voor vergoeding van kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor zover het bepaalde in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burger¬lijke Rechtsvordering (Rv) al een vergoeding pleegt in te sluiten (naar het forfaitaire tarief), zoals verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en instructie van de zaak. In dat geval kan ingevolge artikel 241 Rv geen vergoeding van deze kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW worden toegekend.

De rechtbank stelt vast dat uit de facturen niet, althans niet voldoende, kan worden afgeleid dat geen sprake is van voornoemde uitgezonderde verrichtingen. Bij gebreke van een nadere specificatie op dit punt kan dus niet worden beoordeeld of de vordering voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 2 BW. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.35. Met betrekking tot de kosten van medisch advies geldt dat London deze kosten op zichzelf niet heeft betwist. Uit de door [A] overgelegde facturen van de desbetreffende artsen is de rechtbank niet gebleken dat deze kosten de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW niet kunnen doorstaan. Derhalve komen deze kosten ad EUR 768,68 in aanmerking voor vergoeding door London ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

smartengeld

4.36. [A] stelt dat zij immateriële schade lijdt gelet op haar – ondanks een intensief therapeutisch beleid – voortdurende ongevalsgerelateerde klachten. [A] stelt dat zij dientengevolge sinds maart 2006 geen loonvormende arbeid meer kan verrichten en dat de klachten ook invloed hebben op haar sociale leven. [A] vordert een voorschot aan smartengeld van EUR 5.000,00.

4.37. London voert aan dat een pijnsyndroom zonder beperkingen weliswaar een smartengeldvergoeding rechtvaardigt, maar niet in de door [A] gevorderde orde van grootte.

4.38. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [A] lijdt aan een ongevalsgerelateerd pijnsyndroom zoals gediagnosticeerd door Wolters. De immateriële schade die [A] dientengevolge lijdt, dient London naar billijkheid te vergoeden. Bij de begroting van het smartengeld naar billijkheid dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder in ieder geval de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de aansprakelijke partij te maken verwijt en de aard, ernst en duur van het geconstateerde letsel. Daarbij wordt acht geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door de rechter zijn toegekend.

4.39. De rechtbank neemt bij deze beoordeling in aanmerking dat [A] heeft te leven met het scala aan klachten als door Wolters is vastgesteld. Daarbij wordt in dit verband meegewogen dat volgens Wolters in zijn rapport sprake lijkt te zijn van een functieverlies (impairment) van 1 % van de gehele mens. Wolters heeft voorts verklaard dat hij niet kan uitsluiten dat zich in de nabije toekomst veranderingen in gunstige zin kunnen ontwikkelen voor wat betreft het klachtenpatroon. Hij acht het evenwel onwaarschijnlijk dat eventueel in

de toekomst optredende veranderingen van de gezondheidstoestand van [A] in gunstige zin, de mate van functieverlies significant zullen doen veranderen.

Uit het vooroverwogene met betrekking tot de gestelde beperkingen volgt dat de stelling van [A] dat zij tengevolge van haar klachten geen loonvormende arbeid meer kan verrichten niet kan slagen. De stelling van [A] dat de klachten invloed hebben op haar sociale leven is op zichzelf invoelbaar. De mate waarin dat het geval is, vergt echter wel enige onderbouwing om dit aspect afzonderlijk gewicht te geven bij de vaststelling van het smartengeld. De invloed van de pijnklachten op haar sociale leven is door [A] echter niet nader ingekleurd. Deze twee gestelde omstandigheden kunnen derhalve niet worden meegewogen bij de begroting van de immateriële schade.

Alles overziend, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van in totaal EUR 3.000,00 aan smartengeld in het onderhavige geval billijk.

conclusie schadevergoeding / wettelijke rente / voorschot

4.40. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voor vergoeding in aanmerking komen:

EUR 520,00 kosten chiropractor en fysiotherapeut

50,00 telefoon- en portokosten

87,06 reiskosten

768,68 kosten medisch advies

3.000,00 smartengeld

EUR 4.425,74 totaalbedrag toewijsbare schadevergoeding

4.41. De gevorderde verwijzing naar de schadestaat zal worden afgewezen.

4.42. De gevorderde wettelijke rente vanaf 4 april 2005 (datum ongeval) is toewijsbaar over het smartengeld. De overige toewijsbare schadeposten hadden zich op die datum nog niet gerealiseerd, zodat over deze diverse bedragen ad totaal EUR 1.425,74 de wettelijke rente toewijsbaar is overeenkomstig de onweersproken gebleven subsidiaire vordering vanaf datum van dagvaarding, zijnde 7 februari 2011.

4.43. De reeds door London betaalde schadevergoeding ad EUR 1.450,00 dient in mindering te worden gebracht op de voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW.

proceskosten

4.44. [A] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van London worden begroot op:

- griffierecht 1.181,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.339,00

De door London gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is niet weersproken en toewijsbaar als na te noemen.

4.45. De door London gevorderde nakosten zijn in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt London om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 4.425,74 (vierduizendvierhonderdvijfentwintig duizend euro en vierenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van EUR 3.000,00 vanaf 4 april 2005 en over een bedrag van EUR 1.425,74 vanaf 7 februari 2011, telkens tot de dag van volledige betaling, onder vermindering met een bedrag van EUR 1.450,00 met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van London tot op heden begroot op EUR 1.339,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3. veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft

plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving

aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat

en de exploitkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, mr. K. Mans en mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.?