Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1232

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
463057 / HA ZA 10-2057
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kredietverzekeringsgeschil; verzekerde vordering?; risicoverzwarende omstandigheden ten onrechte niet gemeld?; reconventionele vordering verzekeraar tot betaling incassokosten; wettelijke handelsrente?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2012/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 463057 / HA ZA 10-2057

Vonnis van 14 december 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KAPPERSFOODS B.V.,

gevestigd te Cuijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

tegen

de vennootschap naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland

COFACE KREDITVERSICHERUNG A.G.,

gevestigd te Mainz, Bondsrepubliek Duitsland,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.B. Londonck Sluijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Kappersfoods en Coface genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 juni 2010;

- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie;

- het tussenvonnis van 6 oktober 2010;

- de brief van mr. De Bont, advocaat van Coface, van 6 april 2011 met bijgevoegd een drietal producties (welke als tot de processtukken behorende is aangemerkt);

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 14 april 2011;

- de akte van Coface in reconventie;

- de antwoordakte van Kappersfoods in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Kappersfoods is een handelshuis dat zich bezighoudt met de handel in levensmiddelen en aanverwante artikelen.

2.2. Op 1 juli 2005 heeft Kappersfoods bij Coface een kredietverzekering afgesloten die dekking biedt voor het risico van niet-betaling door debiteuren op onbetwiste handelsvorderingen. Op grond van de toepasselijke polisvoorwaarden dient per debiteur bij Coface een kredietlimiet te worden aangevraagd. Indien een dergelijke kredietlimiet wordt afgegeven, vallen vorderingen op de desbetreffende debiteur in beginsel tot het bedrag van de kredietlimiet binnen de dekking van de verzekering. De maximale dekking bedraagt 90% van de kredietlimiet. Op de verzekeringsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing.

2.3. Artikel 1.2.3 van de op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden) luidt (voor zover hier relevant) aldus:

“De verzekeringsdekking geldt niet voor verliezen

(…)

d) op een vordering die op een debiteur is ontstaan,

- na het moment van de overeengekomen verplichting tot het melden van risicoverzwarende omstandigheden of van de achterstallige vordering;

- van wie u wist of kon weten dat deze al insolvent was;

(…)”

2.4. Artikel 2.3 van de algemene voorwaarden luidt (voor zover hier relevant) aldus:

“U bent verplicht ons onmiddellijk schriftelijk in te lichten:

a) over risicoverzwarende omstandigheden over uw debiteur, zodra u daarvan kennis neemt;

b) over te verwachten of ontstane insolventie van een debiteur, zodra u daarover wordt geïnformeerd;

c) voor zover een achterstallige vordering na afloop van de termijn voor het melden van niet betaling onbetaald blijft;

(…)”

2.5. “Achterstallige vordering” wordt in artikel 10 van de algemene verzekeringsvoorwaarden gedefinieerd als “Een onder de verzekering vallende vordering, die niet is betaald op de overeengekomen datum, in de overeengekomen valuta en op de plaats vermeld in de overeenkomst”.

“Risicoverzwarende omstandigheden” doen zich blijkens genoemd artikel onder andere voor bij “het begin van gerechtelijk incasso respectievelijk het instellen van een rechtsvordering tegen de debiteur” alsmede “het inschakelen van een incassobureau of een advocaat voor het incasseren van een vordering”.

2.6. De op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke “Incasso module C1 (02) Uitvoerig incasso” luidt (voor zover hier relevant) als volgt:

“1. Voor de verzekerde vorderingen laten wij voor u het incasso voeren. (…)

5. Voor betwiste vorderingen zullen wij het incasso niet laten voeren. Indien de vorderingen tijdens het incasso worden bestreden, staken wij het incasso.”

2.7. Op 19 oktober 2007 is Kappersfoods met M&R Food Manufacturing B.V. (hierna: M&R) overeengekomen dat Kappersfoods zou trachten een specifiek actieproduct van M&R in Engeland te verkopen. Wanneer Kappersfoods daar niet in zou slagen, zou de partij uiterlijk op 1 april 2008 weer worden teruggeleverd aan M&R en zou de door Kappersfoods betaalde koopprijs door M&R worden terugbetaald. Na enige tijd heeft Kappersfoods M&R op die afspraak aangesproken, maar M&R heeft nagelaten de koopprijs terug te betalen. Om die reden heeft Kappersfoods op 2 juni 2008 voor de rechtbank Arnhem een procedure tegen M&R aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 25 november 2009 heeft de rechtbank M&R veroordeeld tot betaling aan Kappersfoods van een bedrag van EUR 324.615,63, te vermeerderen met rente, beslag- en proceskosten. Op 14 april 2009 is M&R failliet verklaard.

2.8. Op 25 augustus 2008 had Kappersfoods aanvullende afspraken met M&R gemaakt. Onderdeel daarvan was dat de door Kappersfoods ten laste van M&R gelegde beslagen zouden worden opgeheven. De procedure voor de rechtbank Arnhem is wel door Kappersfoods doorgezet (en heeft uiteindelijk geresulteerd in genoemd vonnis van 25 november 2009). Onderdeel van de afspraken van 25 augustus 2008 was dat Kappersfoods M&R een vijftal nieuwe facturen zou zenden met betrekking tot eerdergenoemde partij. Deze facturen, gedateerd 26 augustus 2008, zijn echter niet door M&R voldaan, wat voor Kappersfoods aanleiding is geweest de niet-betaling op 16 oktober 2008 bij Coface te melden en onder de bij Coface afgesloten kredietverzekeringsovereenkomst vergoeding van 90% van het totale factuurbedrag te vorderen. Coface heeft vervolgens het incasso van de vordering op M&R ter hand genomen en op enig moment ook het faillissement van M&R aangevraagd. Tijdens de behandeling van de faillissementsaanvraag werd Coface echter duidelijk dat er een procedure tussen Kappersfoods en M&R liep die betrekking had op dezelfde partij producten, in welke procedure M&R betwistte betaling aan Kappersfoods verschuldigd te zijn. Vervolgens heeft Coface haar incassowerkzaamheden gestaakt.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Kappersfoods vordert – samengevat – veroordeling van Coface tot betaling van EUR 245.381,45, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Coface voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. Coface stelt zich op het standpunt dat zij in de onderhavige zaak ten onrechte incassokosten heeft gemaakt, nu er voor de vordering van Kappersfoods geen dekking onder de polis bestond. Verder stelt zij in een andere kwestie – betreffende Kappersfoods’ debiteur [A] – incassokosten te hebben gemaakt die vanwege het feit dat de vordering van Kappersfoods slechts gedeeltelijk voor dekking onder de polis in aanmerking kwam, voor een gedeelte door Kappersfoods aan haar dienen te worden vergoed. Coface vordert – samengevat – veroordeling van Kappersfoods tot betaling van EUR 14.739,15 (EUR 4.025,52 met betrekking tot het incasso van de vordering op M&R en EUR 10.713,63 met betrekking tot het incasso van de vordering op [A]), vermeerderd met rente en kosten.

3.5. Kappersfoods voert verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Op grond van de verzekeringsvoorwaarden die van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst tussen Kappersfoods en Coface is daarop Nederlands recht van toepassing.

4.2. Primair heeft Coface als verweer tegen de vordering van Kappersfoods aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat door de afspraken tussen Kappersfoods en M&R van 25 augustus 2008 een vordering van Kappersfoods op M&R is ontstaan. Dit verweer treft doel.

4.3. In haar vonnis van 25 november 2009 heeft de rechtbank Arnhem geconstateerd dat de vordering van Kappersfoods was gebaseerd op de afspraken van 19 oktober 2007 en in het midden gelaten wat de afspraken van 25 augustus 2008 inhielden. De vordering die Kappersfoods in de onderhavige procedure heeft ingediend is evenwel niet op de afspraken van 19 oktober 2007, maar op die van 25 augustus 2008 gebaseerd. Door Kappersfoods is onvoldoende onderbouwd dat de facturen die zij stelt naar aanleiding van laatstgenoemde afspraken een dag later aan M&R te hebben gezonden, betrekking hadden op andere vorderingen dan zij al op M&R had. Derhalve is niet komen vast te staan dat sprake was van een betalingsverplichting van M&R op basis van de facturen van 26 augustus 2008 en komt de vordering van Kappersfoods op Coface reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

4.4. Voorts heeft Coface terecht betoogd dat voor zover in augustus 2008 een vordering van Kappersfoods op M&R zou zijn ontstaan, daarvoor op grond van artikel 1.2.3 sub d jo. artikel 10 van de algemene voorwaarden geen dekking bestaat omdat toen reeds geruime tijd sprake was van risicoverzwarende omstandigheden.

4.5. De procedure die Kappersfoods voor de rechtbank Arnhem tegen M&R heeft aangespannen is aangebracht op 2 juni 2008. Kappersfoods is blijkens haar eigen stellingen tot het aanspannen van die procedure overgegaan omdat M&R in strijd met de gemaakte afspraken nalatig bleef om de koopprijs van de door Kappersfoods niet verkochte producten aan Kappersfoods (terug) te betalen. Op grond van artikel 2.3 jo. artikel 10 van de algemene voorwaarden had zij dat “gerechtelijk incasso” / “instellen van een rechtsvordering tegen de debiteur” “onmiddellijk” dienen te melden aan Coface. Daaraan doet niet af dat de vordering op dat moment door M&R werd betwist en reeds om die reden van polisdekking geen sprake was. Dit geldt reeds omdat aan die situatie een einde kon komen wanneer M&R die betwisting zou laten varen dan wel die betwisting door de rechtbank zou worden verworpen. Kappersfoods heeft niet betwist dat zij het aanspannen van de procedure tegen M&R niet onmiddellijk aan Coface heeft gemeld. De vordering van Kappersfoods op M&R die Kappersfoods aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, zou zijn ontstaan in augustus 2008 en derhalve na het moment waarop voor Kappersfoods de verplichting was ontstaan om de risicoverzwarende omstandigheid van het aanspannen van de procedure tegen M&R aan Coface te melden. De dekking onder de verzekering strekt zich op grond van genoemde artikelen uit de polisvoorwaarden niet tot een dergelijke vordering uit.

4.6. Kappersfoods heeft nog aangevoerd dat een beroep van Coface op artikel 1.2.3 sub d jo. artikel 10 van de algemene voorwaarden slechts mogelijk is in geval van een verslechtering van de kredietwaardigheid van de debiteur en dat daarvan in dit geval geen sprake was. Wat er zij van dat laatste; een dergelijke beperking van de toepasselijkheid van genoemde artikelen valt daarin redelijkerwijs niet te lezen. Dit betoog gaat dan ook niet op.

4.7. Verder heeft Kappersfoods betoogd dat een beroep op artikel 1.2.3 sub d jo. artikel 10 van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat tussen het aanspannen van de procedure tegen M&R en de oorzaak van de schade – het faillissement van M&R – geen causaal verband bestaat. Ook dit betoog dient te worden verworpen.

4.8. Artikel 1.2.3 van de algemene voorwaarden bevat een primaire omschrijving van de dekking waaruit valt af te leiden binnen welke grenzen Coface bereid is dekking te verlenen. Het stond Coface vrij die grenzen aldus aan te geven. Los daarvan heeft Coface uiteengezet wat haar belang is bij het verkrijgen van de voorgeschreven informatie, namelijk dat zij aldus de mogelijkheid heeft een beslissing te nemen over het al of niet intrekken van de voor de betreffende debiteur afgegeven kredietlimiet. In geval van intrekking van de limiet wordt voorkomen dat leveringen plaatsvinden en dekking wordt geclaimd terwijl ten tijde van de levering al niet (meer) valt te verwachten dat de debiteur zal overgaan tot betaling, aldus Coface. Het had op de weg van Kappersfoods gelegen om gemotiveerd uiteen te zetten waarom Coface een dergelijk belang niet heeft, wat zij heeft nagelaten. Derhalve valt niet in te zien waarom het beroep van Coface op artikel 1.2.3 sub d jo. artikel 10 van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en treft het daartoe strekkende betoog van Kappersfoods ook om die reden geen doel.

4.9. Dat Coface in haar brief aan Kappersfoods van 23 april 2009 het standpunt heeft ingenomen dat uitkering onder de verzekeringsovereenkomst werd opgeschort totdat door de rechtbank uitspraak zou zijn gedaan in de procedure tussen Kappersfoods en M&R brengt ten slotte – anders dan Kappersfoods heeft betoogd – niet met zich dat Coface bij Kappersfoods het vertrouwen heeft gewekt dat na het toewijzende vonnis van de rechtbank uitkering zou volgen. Coface heeft – niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist door Kappersfoods – gesteld dat haar op dat moment nog niet duidelijk was wat precies de achtergronden van de procedure waren en wanneer deze was aangespannen, wat pas anders werd na kennisneming van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 25 november 2009. Reeds hierom kan Coface niet geacht worden met genoemde mededeling het recht te hebben prijsgegeven zich (nadat genoemde omstandigheden duidelijk waren geworden) op het ontbreken van dekking te beroepen.

4.10. Coface heeft dus terecht dekking geweigerd. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer en de vordering van Kappersfoods dient te worden afgewezen.

4.11. Kappersfoods zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Coface worden begroot op:

- griffierecht EUR 4.951,00

- salaris advocaat EUR 4.000,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

totaal EUR 8.951,00.

4.12. De door Coface gevorderde veroordeling in de nakosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.13. De gevorderde wettelijke rente over proceskosten en nakosten is toewijsbaar vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

in reconventie

4.14. In conventie is geoordeeld dat Kappersfoods ten onrechte bij Coface niet onmiddellijk melding heeft gemaakt van de procedure die zij tegen M&R had aangespannen. Aldus is Kappersfoods toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen die zij op grond van de verzekeringsovereenkomst jegens Coface had en dient zij Coface de schade te vergoeden die Coface daardoor geleden heeft. Geconcludeerd moet worden dat de kosten die Coface in het kader van het door haar ter hand genomen incasso heeft gemaakt ten onrechte zijn gemaakt, nu er voor de betreffende vorderingen geen dekking onder de polis bestond en voor haar bij het incasso derhalve geen rol was weggelegd. Coface is dan ook gerechtigd de door haar gemaakte kosten op Coface te verhalen.

4.15. Nu de kosten van het door Coface op M&R uitgevoerde incasso ter hoogte van EUR 4.025,52 niet door Kappersfoods zijn betwist, wordt dit deel van de reconventionele vordering van Coface toegewezen. Het betreft hier een vordering – anders dan tot schadeloosstelling – die ziet op vertraging in de voldoening van een geldsom onder een handelsovereenkomst. Om die reden zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente over genoemd bedrag op grond van artikel 6:119a lid 2 sub a BW toewijzen met ingang van 15 juni 2009, zijnde 30 dagen na de dag volgende op die waarop Kappersfoods de factuur van Coface van 13 mei 2009 heeft ontvangen, welke laatste dag op 15 mei 2009 wordt gesteld.

4.16. Het overige gedeelte van de reconventionele vordering van Coface betreft incassokosten die zijn gemaakt met betrekking tot een vordering op [A]. Coface stelt dat ter zake van die vordering slechts gedeeltelijk sprake was van dekking onder de verzekering, om welke reden die kosten ook slechts gedeeltelijk voor rekening van Coface komen en voor het overige door Kappersfoods aan Coface moeten worden vergoed.

4.17. Na de in deze zaak gehouden comparitie van partijen is Coface in de gelegenheid gesteld dit deel van haar vordering nader te onderbouwen. Zij heeft vervolgens het op deze kwestie betrekking hebbende deel van haar reconventionele vordering verminderd van EUR 17.789,36 tot EUR 10.713,63. Voor wat betreft de hoogte van haar vordering heeft zij volstaan met het in het geding brengen van een niet gespecificeerde declaratie, waarmee aan Coface ter zake van “uren [A]” een bedrag van EUR 1.072,50 en aan “advocaatkosten” een bedrag van EUR 32.365,00, beide bedragen exclusief BTW, in rekening is gebracht. Daarvan is een gedeelte ter hoogte van EUR 10.713,63 (inclusief BTW) naar rato van de vordering op [A] waarom het hier gaat aan dat dossier toegerekend, aldus Coface.

4.18. Terecht heeft Kappersfoods zich op het standpunt gesteld dat Coface dit gedeelte van haar reconventionele vordering aldus onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op de weg van Coface gelegen concreet aan te geven welke werkzaamheden in het betreffende dossier zijn verricht en welke kosten daarmee zijn gemoeid. Zoals Kappersfoods terecht heeft aangegeven houdt de hoogte van een vordering niet noodzakelijkerwijs verband met de hoeveelheid tijd die aan het incasso daarvan moet worden besteed.

Voor zover Coface niet in staat is om aan te geven hoeveel tijd haar advocaat aan de hier relevante vordering op [A] heeft besteed omdat zij daar zelf ook geen inzicht in heeft gekregen, dient dat voor haar rekening en risico te blijven: het had op de weg van Coface gelegen om – al was het maar in verband met een eventueel later (gedeeltelijk) regres op haar verzekerde – dienaangaande met haar advocaat goede afspraken te maken.

4.19. Het op de vordering op [A] betrekking hebbende gedeelte van de reconventionele vordering van Coface zal dan ook worden afgewezen. Omdat echter een gedeelte van die vordering (namelijk voor zover betrekking hebbend op de vordering op M&R) wel wordt toegewezen, zal Kappersfoods als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat voor de akte na comparitie (die geheel betrekking heeft op de vordering op [A]) geen punten zullen worden toegekend en dat de puntwaarde zal worden bepaald aan de hand van het toegewezen – en dus niet het gevorderde – bedrag. Verder zal de factor 0,5 worden gehanteerd omdat de reconventionele vordering voor zover die is toegewezen voortvloeit uit het in conventie gevoerde verweer. De kosten aan de zijde van Coface worden aldus begroot op:

- salaris advocaat EUR 384,00 (2,0 punten × 0,5 × tarief EUR 384,00)

totaal EUR 384,00.

4.20. De door Coface gevorderde veroordeling in de nakosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.21. De gevorderde wettelijke rente over proceskosten en nakosten is toewijsbaar vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Kappersfoods in de proceskosten, aan de zijde van Coface tot op heden begroot op EUR 8.951,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de veertiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Kappersfoods in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Kappersfoods niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van de betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het totaal van deze bedragen vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5. veroordeelt Kappersfoods om aan Coface te betalen een bedrag van EUR 4.025,52 (vierduizendvijfentwintig euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over dat bedrag vanaf 15 juni 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.6. veroordeelt Kappersfoods in de proceskosten, aan de zijde van Coface tot op heden begroot op EUR 384,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7. veroordeelt Kappersfoods in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en Kappersfoods niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van de betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het totaal van deze bedragen vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.?