Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1156

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
470206 / HA ZA 10-3020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Smartengeld. Geen beperkingen ondanks ongevalsgerelateerde klachten. Eiser stelt: post whiplash syndroom alsmede ongevalsgerelateerde psychiatrische klachten, als gevolg waarvan beperkingen, leidend tot schade. Beroep op voorlopige deskundigenberichten van door de rechtbank benoemde neuroloog en -psychiater. Neuroloog rapporteert: nekpijnklachten tgv ongeval, maar geen beperkingen vanuit zijn vakgebied. Eiser wenst rapportage door verzekeringsarts ter vaststelling van beperkingen en haalbaarheidsprofiel. Gedaagde betwist de vordering, mede onder verwijzing naar relevante recente jurisprudentie Hof Amsterdam. Omdat sprake is van zorgvuldige rapportage door een door de rechtbank -juist gezien zijn specialisme en mede met het oog op conflictbeslechting, daaronder begrepen het dispuut omtrent de medische beperkingen - benoemde deskundige, waartegen geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zijn aangevoerd, volgt de rechtbank de bevindingen van de neuroloog. De door hem gediagnosticeerde klachten worden door de rechtbank aangemerkt als ongevalsgerelateerde reële, niet ingebeelde/voorgewende/overdreven klachten. De stelling van eiser dat sprake is van ongevalsgerelateerde beperkingen wordt - gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, met name ook gezien voormeld processueel kader - afgewezen nu deze stelling niet wordt ondersteund door bevindingen neuroloog. De psychiatrische rapportage biedt onvoldoende aanknopingspunten voor (proportionele) aansprakelijkheid van gedaagde voor de door eiser gestelde psychiatrische klachten en beperkingen. Derhalve in casu geen ruimte voor door eiser nog voorgestane rapportage. Voor zover gebaseerd op de gestelde beperkingen, die in rechte niet zijn komen vast te staan, worden de schadevergoedingsvorderingen afgewezen. Het gevorderde smartengeld is toewijsbaar tot een bedrag van EUR 1.750 voor zover gebaseerd op de door de neuroloog gediagnosticeerde klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 470206 / HA ZA 10-3020

Vonnis van 14 september 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. N.C. Haase te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 september 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord van 17 november 2010, met producties;

- het tussenvonnis van 29 december 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 20 april 2011, met de daarin genoemde processtukken;

- de akte uitlating aan de zijde van Allianz van 4 mei 2011.

1.2. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

1.3. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A], geboren [datum], is op 13 augustus 2006 als inzittende van een auto van achteren aangereden door een bestuurder van een bij Allianz verzekerde auto (hierna: het ongeval).

2.2. Allianz heeft namens haar verzekerde aansprakelijkheid voor de schade als

gevolg van het ongeval erkend.

2.3. Bij beschikking van 20 september 2006 heeft de kantonrechter te Amsterdam de arbeidsovereenkomst tussen [A] en B.V. Overslagbedrijf “Amsterdam” ontbonden.

Tot 11 augustus 2008 heeft [A] een ziektewetuitkering ontvangen en sindsdien komt hij in aanmerking voor een WGA-uitkering. In elk geval sinds 7 juli 2009 heeft [A] niet meer gewerkt en is hij door het UWV 100% arbeidsongeschikt verklaard.

2.4. Bij beschikking van 17 maart 2008 heeft de rechtbank te Haarlem op basis van eenparig verzoek van partijen, prof. dr. E. Ch. Wolters, neuroloog, tot deskundige benoemd, en zijn de aan hem te stellen vragen geformuleerd. Op 23 juli 2008 heeft Wolters een conceptrapport opgesteld en aan partijen toegezonden. Partijen hebben terzake van dit conceptrapport geen op- en/of aanmerkingen gemaakt. In het definitieve rapport van Wolters van 19 september 2008, is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Vraag 1A.

(…) Desondanks blijft hij tot op heden last houden van klachten, dewelke hij aan genoemd ongeval toeschrijft. Zo klaagt hij nog steeds over:

• Vooral belastingsafhankelijke optredend, zeurende nekpijnen, met name rechts, waarbij hij af en toe nog een moe gevoel kan hebben over de rechterschouder.

• Periodiek optredende, vanuit de nek tot over het achterhoofd uitstralende, strak trekkende en drukkende hoofdpijnen.

• Verwerkingsstoornissen met een verlaagde frustratietolerantie.

Bij oriënterend intern en uitgebreid neurologisch onderzoek thans wordt, afgezien van een aspecifieke drukpijn over de nekmusculatuur geen relevante afwijkingen waargenomen en blijkt er met name sprake van een onbelemmerde beweeglijkheid over de cervicale wervelkolom.

(…)

Vraag 1D.

Bij oriënterend intern en uitgebreid neurologisch onderzoek thans werd, afgezien van een aspecifieke drukpijn over de nekmusculatuur, geen relevante afwijking gevonden. Bestudering van de (…) röntgen- en MRI-opnamen van de cervicale en lumbosacrale wervelkolom leverde, afgezien van een dextroverte hernia nucleï pulposi L5-S1 zonder compromittering van de ter plaatse afgaande wortel, geen relevante en met name geen posttraumatische afwijkingen op, terwijl een begin 2007 vervaardigde MRI-scan van de schedel en hersenen een sinusitis maxillaris rechts liet zien, betrokkenes in december 2006 concomitant opgetreden gelaats- en hoofdpijn verklarend.

Vraag 1E.

Betrokkenes tot op heden persisterende klachten zoals beschreven ad 1, kunnen grotendeels toegeschreven worden aan het ongeval zoals hem dat op 13 augustus 2006 overkwam. De diagnose luidt:

• Status na licht schedel/hersentrauma alsook acceleratietrauma van de cervicale wervelkolom.

Vraag 1F.

De differentiaal diagnostische overwegingen omvatten het bestaan van een tension headache, aspecifiek cervicaal syndroom, myogene nekklachten en verwerkingsstoornissen van onderhavig ongeval. Er zijn geen argumenten gevonden om betrokkene’s klachten te duiden als een expressie van een onderliggend actueel postwhiplash syndroom van de cervicale wervelkolom.

(…)

Vraag 1H.

Betrokkene ondervindt in zijn huidige toestand naar mijn oordeel, vanuit mijn vakgebied bezien, geen beperkingen in het dagelijks leven, bij de vrije tijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid.

Vraag 1I.

Ik verwacht in de toekomst geen belangrijke verbeteringen of verslechteringen van het op mijn vakgebied geconstateerde letsel en acht derhalve zijn huidige toestand zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is.

(…)”

2.5. Partijen zijn vervolgens met elkaar overeengekomen om [A] ook te laten onderzoeken door prof.dr. [B] psychiater. Zijn ‘Verslag van psychiatrisch onderzoek’ van 17 september 2009 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ (…)

Conclusie

Na het ongeval zijn vooral nekklachten ontstaan, die geleidelijk zijn afgenomen maar niet zijn verdwenen. Het meest opvallend in het huidige beeld is de geladenheid, de latente dreiging die van hem uitgaat, de aankondiging van agressieve impulsdoorbraken, zoals die vermoedelijk ook een rol hebben gespeeld in de relatiebreuk met zijn vriendin. Betrokkene is een eenvoudige man, weinig ontwikkeld, weinig tot introspectie geneigd. Hij is in zijn beleving bijna alles kwijt geraakt: gezondheid, werk, partner, en hij dreigt huis en auto ook kwijt te raken als zijn financiële middelen niet aangevuld worden. Hij herkent geen eigen aandeel en legt alle oorzaken buiten zichzelf, in het bijzonder bij het ongeval dat in zijn beleving een keten van verlieservaringen op gang heeft gebracht. Hij heeft zeker eenmaal en mogelijk (de huisarts spreekt daar niet over in haar recente informaties) tweemaal een kortdurende psychotische episode doorgemaakt; de eerste keer vóór het ongeval, de tweede keer daarvoor of daarna, dat wordt niet duidelijk. Momenteel zijn er geen psychotische verschijnselen. Er zijn ook weinig typisch depressieve kenmerken en toch moet hij mijns inziens als matig depressief worden getypeerd. Zijn beperkte intellectuele, introspectieve en gevoelsmatige kwaliteiten bepalen namelijk mede de presentatie. Verlies staat centraal in zijn belevingswereld en tevens een ontbrekend perspectief op werk dat zijn bestaan weer zin kan geven en op herstel van zijn relatie. Deze eenvoudige man kan deze narigheid slechts beleven als een oplopende spanning die op geagiteerde manier impulsief zou kunnen afvloeien.

Beantwoording van de vraagstelling

1

a. Wat is de toedracht van dit gebeuren en letselontstaansmechanisme? Welke zijn de door betrokkene aangegevens (resterende) klachten en verschijnselen al of niet in samenhang met dit voorval? Welke zijn uw medische bevindingen en afwijkingen op uw vakgebied?

Zie verslag. Samenvattend: Nekpijn daags na het ongeval, tot heden niet echt verdwenen. De problemen stapelden zich echter op: ontslag, relatiebreuk, en nu zorgen over financiële problemen en daarmee bedreiging van huis en auto. Zijn bestaanszekerheid is ernstig aangetast en daardoor loopt de spanning op. Gevolg is een wat atypische depressieve stemming met agitatie en dreiging van impulsdoorbraken.

b. Wat zijn uw verdere algemene medische bevindingen en wat zijn uw psychiatrische bevindingen?

Betrokkene heeft zeker eenmaal en vermoedelijk tweemaal een kortdurende psychose doorgemaakt. Inzicht daarin ontbreekt bij hem. Op dit moment kan ik geen psychotische verschijnselen vaststellen. Wel een atypisch depressief beeld en agitatie, als boven al vermeld.

c. Zijn er – voor zover u bekend – andere eerder aanwezige en/dan wel niet ongevalsgerelateerde factoren of processen c.q. ziekten of aandoeningen van invloed en zo ja, in welke mate?

Betrokkene is een intellectueel weinig ontwikkelde man met beperkte introspectieve vermogens. Dat belemmert hem in het adequaat verwerken van tegenslag. Hij is klaarblijkelijk psychotisch geweest voorafgaand aan het ongeval en vermoedelijk daarna nog een keer kortdurend, maar deze reacties kan ik niet duidelijk in verband brengen met de actuele situatie en ook niet met de verwerking van het ongeval. In 1993 stelde een psychiater al vast dat hij matig depressief was (dysthyme stoornis) en dat er een impulscontrolestoornis was, naast een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dat laatste kan ik op basis van mijn eigen bevindingen niet bevestigen. Beide eerdere diagnoses lijken nu ook van toepassing (in DSM-IV termen). Dat wijst er op dat de actuele en sinds het ongeval manifeste psychische klachten niet wezenlijk anders zijn (geweest) dan vele jaren geleden, ruim vóór het ongeval.

d. Wat is uw conclusie c.q. differentiaaldiagnose?

In DSM-IV termen: momenteel een langer bestaand depressief reactiepatroon, het beste te rubriceren als dysthyme stoornis; tevens sterke aanwijzingen voor een stoornis in de impulsbeheersing van het zogenaamde periodiek explosieve type.

2.

a. Welke klachten en/of verschijnselen kunnen daarbij – op grond van uw medisch onderzoek – als gevolg van dit voorval worden beschouwd?

Geen van beide kan ik zonder meer als ongevalsgevolg beschouwen, omdat uit meerdere berichtgeving blijkt dat toen deze verschijnselen er ook al waren, echter vermoedelijk niet aanhoudend in dezelfde mate. Aannemelijk is dat de beschreven keten na het ongeval deze verschijnselen heeft aangewakkerd en dat ze er in veel mindere mate waren in de periode kort voor het ongeval. Daarmee zijn ze nog niet als direct ongevalsgevolg te beschouwen, maar meer als uit de persoonlijkheidsstructuur voortkomende secundaire en zelfs zichzelf versterkende reactiepatronen. De premorbide eigenschappen van betrokkene domineren dus het beeld, maar zijn wel veel pregnanter aanwezig.

b. Zou een dergelijk of vergelijkbaar, door u als ongevalsgevolg beoordeeld beeld, ook te eniger tijd kunnen zijn ontstaan indien betrokkene het ongeval niet was overkomen? Zo ja kunt u een indicatie geven wanneer deze dan zouden zijn opgetreden?

Dit beeld had vermoedelijk ook kunnen ontstaan bij andere frustraties en belemmeringen van zijn toekomstperspectieven.

3.

a. Is er thans sprake van een relatieve of definitieve medische eindtoestand met betrekking tot dit voorval? Verwacht u een verbetering of een verslechtering ten opzichte van het huidige toestandsbeeld al of niet samenhangend met dit voorval en over welke periode?

Veranderingen zijn altijd mogelijk, maar pragmatisch gezien lijkt het me verantwoord om een eindtoestand aan te nemen. Als er een trend is, lijkt die een geleidelijke verslechtering te voorspellen, maar een geslaagd behandelcontact kan dat ook weer keren.

b. Heeft u – uitgaande van deze benadering – therapeutische suggesties?

Betrokkene heeft contact gezocht met een psychiater en dat vind ik verstandig.

c. In hoeverre zal deze toekomstige verandering het hieronder genoemde percentage functiestoornis (vraag 4) dan wel de door u aangegeven medische beperkingen (vraag 5) nog beïnvloeden?

Het is mogelijk dat psychiatrische behandeling verbetering brengt in de emotionele regulatieproblemen van betrokkene. Het vinden van nieuw passend werk dat acceptabel is gezien resterende soms optredende nekklachten zal naar mijn verwachting echter veel meer invloed hebben.

4. Wilt u de mate van geobjectiveerde functiestoornis (= impairment) als gevolg van het ongeval (op uw vakgebied) uitdrukken in een percentage, ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokken voor dit ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de meest recente richtlijnen van de American Medical Association voor Permanent Impairment (AMA) en de richtlijnen van de respectieve Nederlandse specialistisch wetenschappelijke verenigingen?

Wat precies als ongevalsgevolg is te beschouwen, is hier nogal lastig en arbitrair: de acute nekklachten zijn zo te beschouwen, maar die zijn somatisch verklaarbaar en naar hun aard in principe voorbijgaand. Het ontslag dat hij snel kreeg is ingrijpend voor hem en de aanleiding hield verband met zijn nekklachten. Ongevalsgevolg? Zijn relatie liep mis door zijn beperkte frustratietolerantie en impulsieve agressieve gedrag als gevolg van verlies van werk. Ongevalsgevolg? Veeleer gevolg van zijn impulsiviteit en beperkte zelfcontrole, premorbide al aanwezig, maar wel aangewakkerd door het verlies van werk. Kortom: een keten door het ongeval geluxeerd maar overwegend toe te schrijven aan zijn persoonlijkheidseigenschappen.

Terughoudend oordelend concludeer ik dat strikt genomen geen ongevalsgevolgen op psychiatrisch vlak zijn vast te stelen. Ruimer oordelend stel ik vast dat een keten is geluxeerd die zich voor een deel aan zijn directe invloedssfeer onttrok. Die heeft geleid tot opleving van de oude klachten van dysthyme aard en van impulscontroleproblemen. Als deze redenering wordt gevolgd, is enig functieverlies aannemelijk. Psychische beperkingen kunnen bij deze aanname gestandaardiseerd worden vastgesteld conform de systematiek van de AMA Guides to Evaluation of Permanent Impairment, 6e editie (2008). Deze beoordeling leidt to 10% functionele invaliditeit.

5. Kunt u de – aan de hand van de door u bij dit psychiatrisch onderzoek geconstateerde medische afwijkingen en daaruit voortvloeiende medische functiestoornissen – de op uw vakgebied aanwezige medische beperkingen beschrijven en zo nodig toelichten?

Welke beperkingen zijn volgens u ongevalsgevolg op basis van uw psychiatrisch onderzoek en in welke mate?

De beperkingen zijn van emotionele aard: somberheid, agitatie, impulscontroleproblemen. Bij ‘ruime’ interpretatie (zie 4) zou gesteld kunnen worden dat hun intensiteit versterkt is door het ongeval.

(…)”

2.6. De medisch adviseur van [A], [C], heeft op 18 oktober 2007,

12 februari 2009 en 4 maart 2010 op eenzijdig verzoek van [A] gerapporteerd (hierna: de

rapporten van de medisch adviseur van [A]) en daarbij zijn visie gegeven op de medische

gevolgen van het ongeval voor [A].

2.7. Allianz heeft in totaal € 10.456,- aan [A] vergoed, waarvan een bedrag van

€ 4.956,00 voor buitengerechtelijke kosten.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Allianz veroordeelt tot vergoeding van reeds geleden schade ad EUR 24.881,23 en tot vergoeding van schade die [A] nog zal lijden als gevolg van het ongeval, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over de onderscheiden schadeposten vanaf de dag zoals vermeld in het lichaam van de dagvaarding, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van voldoening;

II. verklaart voor recht dat Allianz gehouden is tot vergoeding van schade als gevolg van verlies van arbeidsvermogen en zelfwerkzaamheid en te bepalen dat ter vaststelling van de omvang van de ongevalgerelateerde schade een arbeidsdeskundige wordt benoemd;

III. Allianz veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. Het onder de vordering ad I weergegeven bedrag van EUR 24.881,23 wordt gespecificeerd als volgt (in €):

mantelzorg, aanbeveling NPP 6 weken x 168 1.008,00

medische adviezen (UWV, revalidatiearts, huisarts, neuroloog) 270,90

kosten rechtsbijstand mr. R. Gardeslen ad EUR 5.602,33 minus (reeds betaald door Allianz) EUR 1.500,00 4.102,33

smartengeld 25.000,00 +

totaal 30.381,23

reeds betaald door Allianz 5.500,00 –

pro resto totaal 24.881,23

3.3. Ter zitting heeft [A] zijn vordering ad II gewijzigd in die zin dat hij de rechtbank verzoekt eerst een verzekeringsgeneeskundige te benoemen en dus (nog) geen arbeidsdeskundige.

3.4. [A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij als gevolg van het ongeval lijdt aan een post whiplash syndroom (hierna: PWS), daaronder begrepen reële en chronisch persisterende nekpijnen, alsmede aan psychiatrische klachten, als gevolg waarvan hij beperkingen heeft, die leiden tot de door hem gestelde schade.

3.5. Allianz voert verweer, eveneens onder verwijzing naar deze twee deskundigenberichten.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de deskundigenberichten

4.1. Beide partijen betrekken bij hun stellingen (onder meer) het voorlopig

deskundigenrapport van Wolters (zie rechtsoverweging 2.4.) en het op hun

gemeenschappelijk verzoek opgestelde rapport van [B] (zie r.o. 2.5.).

De rechtbank neemt bij de beoordeling van die rapporten de volgende maatstaf in acht.

De waarde die in de onderhavige bodemprocedure aan de deskundigenberichten zal

worden toegekend, staat ter beoordeling van de rechtbank, waarbij met name acht zal

worden geslagen op het volgende. Een deskundigenrapport dient antwoord te geven op de

vraag naar de medische klachten en beperkingen en de medische causaliteit met het ongeval

op een zodanig begrijpelijke wijze, dat de rechtbank aan de hand daarvan een juridisch

oordeel kan vellen. De deskundige is vrij in de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht. Zijn

rapport dient deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige

inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot

de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep, alsmede dat hij een

eventuele afwijking daarvan deugdelijk motiveert. Indien een deskundigenbericht dat is

uitgebracht op verzoek van de rechtbank op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de

conclusies van de deskundige deugdelijk zijn onderbouwd en voortvloeien uit de door hem

in het rapport vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel van de deskundige, die juist

vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek is benoemd, niet

snel naast zich neerleggen. Van de partij die een dergelijk deskundigenbericht bekritiseert,

mag verlangd worden dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een

rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de

door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. In dat

geval zullen er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren aangaande de wijze van

totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, wil de rechtbank

besluiten dat zij een dergelijk bericht naast zich neerlegt. Dit geldt in beginsel tevens voor

een op gemeenschappelijk verzoek van partijen opgesteld deskundigenrapport.

het neurologisch rapport van Wolters / de medische klachten en beperkingen

4.2. Wolters rapporteert ten aanzien van de door [A] gestelde ongevalsgerelateerde klachten dat hij bij zijn neurologisch onderzoek, afgezien van een aspecifieke rugpijn over de nekmusculatuur, geen relevante afwijkingen heeft waargenomen en dat er met name sprake blijkt te zijn van een onbelemmerde beweeglijkheid over de cervicale wervelkolom. Wolters heeft geen argumenten gevonden om de klachten van [A] te duiden als een expressie van een onderliggend actueel post whiplash syndroom van de cervicale wervelkolom.

Wolters rapporteert vervolgens ten aanzien van de door [A] gestelde beperkingen dat vanuit zijn vakgebied bezien [A] geen beperkingen ondervindt in het dagelijks leven, bij de vrije tijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid.

4.3. [A] stelt dat de conclusie van Wolters dat er geen medische beperkingen zijn

vanuit zijn vakgebied er niet aan afdoet dat sprake is van objectiveerbare reële, niet

ingebeelde, niet voorgewende en niet overdreven klachten die leiden tot beperkingen.

Daarbij is niet van belang welke medische kwalificatie daaraan wordt toegekend. Aan het

bewijs van die klachten mogen in gevallen als de onderhavige (kop-staartbotsing met

whiplash-achtige klachten) geen al te hoge eisen worden gesteld. Aldus steeds [A], onder

verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2001, LJN: AB 2054 (Zwolsche/

De Greef), en het arrest van het Gerechtshof te Den Bosch van 2 februari 2010, LJN: BN

1779.

[A] beroept zich in dit verband op de rapporten van zijn medisch adviseur. Deze rapporten

zijn gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen van het UWV, medische informatie uit

de behandelende sector, het verzekeringsgeneeskundig protocol van de Gezondheidsraad, de

zesde editie van de AMA-Guide en de CBO-whiplash richtlijn.

[A] volhardt op basis daarvan in zijn stelling dat hij als gevolg van het ongeval lijdt aan

een PWS, daaronder begrepen reële en chronisch persisterende nekpijnen, als gevolg

waarvan hij beperkingen heeft, die leiden tot de door hem gestelde schade.

4.4. Allianz heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Allianz voert – meest verstrekkend – aan dat het rapport van Wolters een deskundigenrapport van een door de rechtbank benoemde deskundige betreft en derhalve met de nodige waarborgen is omkleed. Partijen waren het bovendien eens over de persoon van de deskundige en de aan hem te stellen vragen. Partijen hebben voorts gelegenheid gekregen te reageren op het concept-rapport, maar [A] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het rapport van Wolters moet derhalve leidend zijn voor de juridische beoordeling van de gestelde beperkingen ten gevolge van een ongevalsgerelateerd PWS en de daaruit voortvloeiende schadevergoedings-vorderingen. Nu Wolters tot de conclusie komt dat die beperkingen er niet zijn, moeten de daarop gebaseerde vorderingen worden afgewezen. Aldus steeds Allianz, onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 april 2011, zaaknummer 106.004.233/01, overgelegd door Allianz als productie 6.

Dit verweer slaagt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.5. Op zichzelf biedt het rapport van Wolters voldoende onderbouwing van de stelling

van [A] dat sprake is van objectiveerbare reële, niet ingebeelde, niet voorgewende en niet

overdreven klachten die te duiden zijn als ongevalsgevolg. Dit laat evenwel onverlet dat het

aan [A] is om het benodigde bewijs van de hem gestelde beperkingen, die hij aan deze

klachten toegekend wenst te zien, bijeen te brengen. Zijn stelling dat niet van belang is

welke medische kwalificatie aan het klachtenbeeld wordt toegekend kan er evenmin aan af

doen dat voorlichting door een medisch deskundige onontbeerlijk is voor een beoordeling

van de vraag of er sprake is van beperkingen als gevolg van dat klachtenbeeld. Ook in het

onderhavige geval, waarin gesteld wordt dat sprake is van aan een kop-staartbotsing

gerelateerd PWS, aan het bewijs waarvan geen al te hoge eisen worden gesteld, behoort het

oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vraag of daaruit beperkingen voortvloeien

niet uitsluitend te worden gebaseerd op de vaststelling van ongevalsgerelateerde klachten

die, ook al komen zij reëel voor in vorenbedoelde zin, naar hun aard subjectief zijn. In dit

licht bezien is het volgende relevant.

4.6. Op verzoek van [A] heeft de rechtbank een voorlopig medisch deskundigen-bericht gelast, waartoe Wolters is benoemd. Partijen waren het voorafgaand aan deze benoeming eens over diens persoon, zijn vakgebied, te weten de neurologie, en de aan hem te stellen vragen, daaronder begrepen de vragen naar de medische beperkingen als gevolg van het ongeval. [A] is door de deskundige in de gelegenheid gesteld te reageren op en vragen te stellen over zijn concept-rapport, daaronder begrepen het voor [A] prangende punt van de bevindingen van de deskundige betreffende de medische beperkingen. [A] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. In dit rapport is een van de belangrijkste conclusies dat [A] in zijn huidige toestand, bezien vanuit het vakgebied van de neurologie, geen beperkingen ondervindt in het dagelijks leven, bij de vrije tijdsbesteding, bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en bij het verrichten van loonvormende arbeid. Daarmee is de vraag waarover partijen verdeeld zijn, te weten of er (medische) beperkingen bestaan die als ongevalsgevolg hebben te gelden, door de door hen daartoe aangewezen deskundige beantwoord.

4.7. [A] heeft als bezwaar aangevoerd dat Wolters niet anders kon dan tot deze

conclusie komen, nu dit overeenkomstig de richtlijnen van zijn beroepsgroep is. Deze

stelling is onjuist. Uit de verplichting van een deskundige om onpartijdig en naar beste

weten te rapporteren, vloeit immers niet zonder meer voort dat hij steeds gehouden zou zijn

met toepassing van een richtlijn van zijn beroepsgroep te rapporteren. Hij kan daarvan

afwijken mits hij dit motiveert en indien er in zijn beroepsgroep verschil van inzicht bestaat,

hij daarvan melding maakt.

[A] stelt voorts dat sinds de rapportage van Wolters (2008) een enorme discussie over wat

een whiplash is, is opgelaaid. Deze stelling, waaraan [A] overigens geen rechtsgevolgen

verbindt, kan hem evenmin baten. De whiplash-discussie was immers ook in 2008 reeds

gaande en algemeen kenbaar, terwijl de door [A] aangehaalde richtlijnen van de

Nederlandse Vereniging van Neurologen (NVvN) hierover nadien niet zijn gewijzigd. [A]

heeft in het kader van de voorlopige deskundigenrapportage niet voorgesteld om (ook)

expertise in te winnen vanuit een ander medisch vakgebied omtrent de gestelde medische

beperkingen.

Wolters heeft blijkens zijn rapport geen aanleiding gezien om af te wijken van de

desbetreffende NVvN-richtlijnen en evenmin kenbaar gemaakt andere medische expertise

noodzakelijk te achten. Het deskundigenrapport is naar het oordeel van de rechtbank

inzichtelijk, logisch en consistent qua opbouw, inhoud en uitkomsten, zodat het rapport

voldoet aan de onder r.o. 4.1. weergegeven criteria.

4.8. De rapporten van de medisch adviseur van [A], waarop [A] zich beroept, zijn

vervaardigd op eenzijdig verzoek van [A], zonder dat Allianz daarbij op enigerlei wijze

betrokken is geweest. Deze rapporten komen er in de kern op neer dat – in afwijking van

hetgeen Wolters vanuit zijn vakgebied concludeert – wel sprake is van de door [A]

gestelde medische beperkingen. Dit is op zichzelf onvoldoende voor de rechtbank om het

deskundigenrapport van Wolters als door de rechtbank benoemde onafhankelijke

deskundige naast zich neer te leggen. Wolters is immers juist vanwege zijn specifieke

deskundigheid op dit terrein benoemd en zijn voorlopig deskundigenbericht is (ook) gelast

ter beslechting van het debat tussen partijen hieromtrent.

4.9. Dit leidt tot de slotsom dat [A] geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren

aangaande de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht heeft

aangevoerd. De rechtbank neemt de conclusies van dit deskundigenbericht derhalve over en

maakt ze tot de hare. De stelling van [A] dat hij medische beperkingen heeft ten gevolge

van een ongevalsgerelateerd PWS, wordt niet ondersteund door de onder r.o. 4.2.

weergegeven conclusies van Wolters. Hieruit volgt dat deze stelling onvoldoende is

onderbouwd en dus niet kan slagen.

4.10. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het deskundigenrapport

van [B].

het psychiatrisch rapport van [B]

4.11. [A] stelt onder verwijzing naar het psychiatrisch rapport van [B] dat weliswaar sprake is van preëxistente psychiatrische klachten, maar dat door het ongeval deze zijn geluxeerd en de bestaanszekerheid van [A] ernstig is aangetast, terwijl [A] vóór het ongeval niet of nauwelijks ziekteverzuim kende ten gevolge van zijn psychiatrische klachten. [A] ondervindt derhalve psychiatrische klachten en beperkingen ten gevolge van het ongeval, aldus [A].

4.12. Allianz betwist, eveneens onder verwijzing naar het psychiatrisch rapport van [B], dat causaal verband dient te worden aangenomen tussen de (verergering van de) psychiatrische klachten en de daaruit voorvloeiende psychiatrische beperkingen van [A] en het ongeval.

4.13. [B] rapporteert in antwoord op vraag 1a: “De problemen stapelden zich

echter op: ontslag, relatiebreuk, en nu zorgen over financiële problemen en daarmee bedreiging van huis en auto. Zijn bestaanszekerheid is ernstig aangetast en daardoor loopt de spanning op. Gevolg is een wat atypische depressieve stemming met agitatie en dreiging van impulsdoorbraken.”

In antwoord op vraag 2a schrijft hij:“Aannemelijk is dat de beschreven keten na het ongeval deze verschijnselen heeft aangewakkerd en dat ze er in veel mindere mate waren in de periode kort voor het ongeval. Daarmee zijn ze nog niet als direct ongevalsgevolg te beschouwen, maar meer als uit de persoonlijkheidsstructuur voortkomende secundaire en zelfs zichzelf versterkende reactiepatronen. De premorbide eigenschappen van betrokkene domineren dus het beeld, maar zijn wel veel pregnanter aanwezig.”

En in antwoord op vraag 2 b betreffende de fictieve situatie zonder ongeval: “Dit beeld had vermoedelijk ook kunnen ontstaan bij andere frustraties en belemmeringen van zijn toekomstperspectieven.”

Naar aanleiding van vraag 4 geeft [B] aan: Wat precies als ongevalsgevolg is te beschouwen, is hier nogal lastig en arbitrair”.

[B] stelt enerzijds vast: “Kortom: een keten, door het ongeval geluxeerd maar overwegend toe te schrijven aan zijn persoonlijkheidseigenschappen.” En concludeert “terughoudend oordelend” “dat strikt genomen geen ongevalsgevolgen op psychiatrisch vlak zijn vast te stellen.”

Anderzijds stelt [B] “ruimer oordelend” vast “dat een keten is geluxeerd die zich voor een deel aan zijn directe invloedssfeer onttrok. Die heeft geleid tot opleving van de oude klachten van dysthyme aard en van impulscontroleproblemen. Als deze redenering wordt gevolgd, is enig functieverlies aannemelijk.”

4.14. Niet in geschil is dat sprake is van een preëxistentie op dit gebied. Evenmin is in geschil dat er sprake is van een verergering of opleving van de klachten na het ongeval. Hoewel aan [A] kan worden toegegeven dat [B] bij een ruimere beoordeling enig functieverlies als gevolg van het ongeval aannemelijk acht, vindt de rechtbank in de bevindingen van [B], in hun geheel en onderling verband bezien, onvoldoende eenduidige bevestiging voor de stelling van [A] dat de verergering van de psychiatrische klachten ongevalsgevolg is. Het rapport van [B] laat immers ook ruimte voor de mogelijkheid dat deze verergering – en daarmee de ernstige aantasting van de bestaanszekerheid van [A] – zich ook zou hebben voorgedaan in de fictieve situatie zonder ongeval.

In geval van een dergelijke onzekerheid over het condicio-sine-qua-non-verband tussen de normschending en de schade kan het onder omstandigheden redelijker zijn deze onzekerheid over partijen te verdelen, dan deze onzekerheid volledig voor risico van de benadeelde te laten komen. Voor toepassing van deze rechtsregel, die met terughoudendheid dient te worden toegepast, kan met name aanleiding zijn indien de aansprakelijkheid van de aangesproken partij op zichzelf vaststaat, een niet zeer kleine kans bestaat dat het condicio-sine-qua-non-verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is, en de strekking van de geschonden norm en de aard van de normschending de toepassing van de genoemde regel rechtvaardigen.

Met name nu [B] constateert dat het beeld (dat is ontstaan na het ongeval) vermoedelijk ook had kunnen ontstaan bij andere frustraties en belemmeringen van de toekomstperspectieven van [A], en dit factoren zijn die nu eenmaal aan het leven inherent moet worden geacht, kan niet geoordeeld worden dat er een niet zeer kleine kans bestaat dat het condicio-sine-qua-non-verband tussen de geschonden norm en de geleden schade aanwezig is. Hieruit volgt dat voor toepassing van voornoemde rechtsregel geen ruimte is en geconcludeerd moet worden dat het door [A] gestelde causaal verband als weergegeven onder r.o. 4.11. niet aannemelijk is gemaakt.

conclusie ten aanzien van de gestelde beperkingen en de daaruit voortvloeiende schade

4.15. Bij deze stand van zaken is geen plaats voor nader onderzoek naar de door [A]

gestelde beperkingen en de vaststelling van een haalbaarheidsprofiel door een verzekerings-

arts, zoals voorgestaan door [A]. Gehoudenheid van Allianz tot vergoeding van uit de

gestelde beperkingen voortvloeiende schade is evenmin aan de orde. Dit betekent dat de

(gewijzigde) vordering ad II en de gevorderde kosten van mantelzorg ad EUR 1.008,00

(onder vordering I) zullen worden afgewezen.

kosten van rechtsbijstand

4.16. [A] vordert vergoeding van kosten van rechtsbijstand ad (pro resto)

EUR 4.102,33 onder verwijzing naar overgelegde facturen van zijn raadsman

mr. R. Gardeslen. [A] legt aan deze vordering ten grondslag dat het gaat om redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade ex artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Allianz heeft gemotiveerd aangevoerd dat deze kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW.

4.17. Artikel 6:96 lid 2 sub c BW maakt een voorbehoud voor vergoeding van kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor zover het bepaalde in de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burger¬lijke Rechtsvordering (Rv) al een vergoeding pleegt in te sluiten (naar het forfaitaire tarief), zoals verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en instructie van de zaak. In dat geval kan ingevolge artikel 241 Rv geen vergoeding van deze kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b BW worden toegekend.

De rechtbank stelt vast dat mr. R. Gardeslen de zaaksadvocaat is van [A] in de onderhavige procedure, terwijl uit de facturen niet kan worden afgeleid dat geen sprake is van voornoemde uitgezonderde verrichtingen. Bij gebreke van een nadere specificatie op dit punt kan dus niet worden beoordeeld of de vordering voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 2 BW. De vordering zal daarom worden afgewezen.

kosten van medisch advies

4.18. [A] vordert vergoeding van kosten van medisch advies ad EUR 270,90, onder verwijzing naar door hem overgelegde facturen. Allianz heeft haar verweer dat deze specifieke buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW niet kunnen doorstaan niet nader toegelicht. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat deze kosten niet redelijk zijn. Derhalve komen deze kosten in aanmerking voor vergoeding door Allianz ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

smartengeld

4.19. [A] vordert vergoeding van immateriële schade van EUR 25.000,00 op de grond dat de levenslust van [A] is verminderd en hij al jaren chronische pijn lijdt. Allianz betwist deze vordering en acht, uitgaande van enige nekklachten die niet resulteren in beperkingen, een bedrag van EUR 1.750,00 een redelijke smartengeldvergoeding.

4.20. Ter beoordeling van deze vordering dient de rechtbank allereerst vast te stellen of en zo ja, welke immateriële schade wordt geleden en of deze schade in causaal verband staat met het ongeval.

[A] stelt bij dagvaarding dat de volharding van Allianz in haar standpunt dat geen relatie tussen de klachten en het ongeval bestaat, heeft geleid tot onnodig grote emoties bij [A]. Deze door Allianz betwiste stelling kan – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – in het licht van voormelde overwegingen niet leiden tot de conclusie dat immateriële schade is geleden ten gevolge van het ongeval.

Voor zover de vordering is gegrond op de gestelde psychiatrische klachten kan deze niet worden toegewezen nu, zoals overwogen onder r.o. 4.12., het causaal verband tussen die klachten en het ongeval niet is komen vast te staan.

Ten aanzien van de gestelde pijnklachten overweegt de rechtbank dat Wolters een ongevalsgerelateerde “aspecifieke drukpijn over de nekmusculatuur” bij [A] heeft waargenomen en daarbij een eindtoestand heeft vastgesteld. De immateriële schade die [A] dientengevolge lijdt, dient Allianz naar billijkheid te vergoeden.

4.21. Bij de begroting van het smartengeld naar billijkheid dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder in ieder geval de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de aansprakelijke partij te maken verwijt en de aard, ernst en duur van het geconstateerde letsel. Daarbij wordt acht geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door de rechter zijn toegekend.

De rechtbank neemt bij deze beoordeling ten eerste als uitgangspunt mee dat [A] zal moeten leven met de pijnklachten in de nek die door Wolters zijn vastgesteld. Daarnaast overweegt de rechtbank dat Wolters naast voornoemde pijnklachten tevens heeft geconstateerd dat sprake is van een onbelemmerde beweeglijkheid van de cervicale wervelkolom. Voorts is van belang dat hij geen PWS van de cervicale wervelkolom heeft kunnen vaststellen. Bovendien is Wolters tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van medische beperkingen. Alles overziend, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van EUR 1.750,00 aan smartengeld, zoals door Allianz voorgesteld, in het onderhavige geval billijk.

betaalde voorschotten

4.22. De door Allianz betaalde voorschotten als weergegeven onder r.o. 2.7. dienen in mindering te worden gebracht op de voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW. De vergoedbare bedragen, neerkomend op kosten van medisch advies ad EUR 270,90 en smartengeld ad EUR 1.750,00, plus de gevorderde en niet weersproken wettelijke rente daarover, komen na aftrek van deze voorschotten uit op nihil. Hieruit volgt dat ook de vorderingen die betrekking hebben op deze schadeposten zullen worden afgewezen.

de proceskosten

4.23. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz worden begroot op:

- griffierecht 545,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.703,00

De door Allianz gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is niet weersproken en toewijsbaar als na te noemen.

Nakosten

4.24. De door Allianz gevorderde nakosten zijn in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Allianz tot op heden begroot op EUR 1.703,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

5.3. veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft

plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving

aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat

en de exploitkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart voornoemde kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.J. van Eekeren, R.H.C. van Harmelen en K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2011.?

type: PJvE