Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1065

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
Parketnummer: 13/706882-11 RK nummer: 11/6787
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer t.a.v. genoegzaamheid van de stukken. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat gelet op de deelnemingsvorm van uitlokking het lijstfeit ten onrechte is aangekruist, overweegt de rechtbank dat bij het aankruisen van het lijstfeit wordt uitgegaan van het gronddelict en niet van de verschillende deelnemingsmodaliteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706882-11

RK nummer: 11/6787

Datum uitspraak: 20 december 2011

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 oktober 2011 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 oktober 2011 door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [1957],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres] [woonplaats],

thans gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Haarlem’ te Haarlem,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 december 2011. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. al Mansouri. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. D.H. van den Elzen, advocaat te Rotterdam en een tolk in de Arabische taal.

De vordering is gelijktijdig behandeld met de vordering van de opgeëiste persoon [persoon].

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, lid 1 OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. Deze verlenging is noodzakelijk, omdat het de rechtbank door het tijdstip waarop de zaak voor behandeling is aangebracht, onmogelijk is gebleken binnen de termijn van zestig dagen uitspraak te doen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een internationaal bevel tot aanhouding bij verstek van 18 oktober 2011.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar het recht van België strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4. Genoegzaamheid van de stukken

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor het feit niet zonder meer toelaatbaar moet worden geacht. Uit de omschrijving van het feit blijkt dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van het uitlokken van een strafbaar feit. Afgezien van het feit dat de precieze betrokkenheid van de opgeëiste persoon onvoldoende duidelijk is, blijkt ook het consecutieve karakter van de medeplichtigheid niet duidelijk uit het EAB. De medeplichtigheid is ten onrechte niet aangekruist. De overlevering dient daarom te worden geweigerd, aldus de raadsman.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangegeven de visie van de raadsman niet te volgen. Het feit en de rol van de opgeëiste persoon zijn beide duidelijk in onderdeel e) van het EAB omschreven. De Belgische autoriteiten hebben dit feit in redelijkheid gekwalificeerd als lijstfeit. Bij het aankruisen van het lijstfeit is het gronddelict leidend en niet een eventuele deelnemingsvorm.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt allereerst dat de dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Uit de omschrijving van het feit in onderdeel e) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van betrokkenheid bij een steekpartij in Anderlecht. De opgeëiste persoon zou de moordpoging op het slachtoffer hebben bevolen.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het EAB ten aanzien van dit feit een genoegzame omschrijving van het hiervoor genoemde strafbare feit, alsmede van de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij deze feiten. Het is hierdoor voor opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De omschrijving van het feit is voorts zodanig dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan. De rechtbank acht de specialiteit voldoende gewaarborgd.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat gelet op de deelnemingsvorm van uitlokking het lijstfeit ten onrechte is aangekruist, overweegt de rechtbank dat bij het aankruisen van het lijstfeit wordt uitgegaan van het gronddelict en niet van de verschillende deelnemingsmodaliteiten. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als een lijstfeit.

De rechtbank is van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit, uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens, in redelijkheid het feit als lijstfeit heeft aangemerkt.

Het verweer wordt verworpen.

5. Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten:

moord en doodslag, zware mishandeling

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.

De Procureur du Roi van Service public fédéral Justice te Brussel (België) heeft bij schrijven van 25 november 2011 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 § 3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon].

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland terugkeert teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan.

In dat geval stem ik tevens in met de na deze overbrenging in Nederland toegepaste omzettingsprocedure.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit. Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het onder 4.1 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

medeplegen poging moord

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd. Uit het EAB en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat:

- de opsporing en vervolging in België zijn aangevangen;

- de uitvoeringshandelingen (de daad van steken slachtoffer) in België hebben plaatsgevonden;

- het slachtoffer woonachtig is in België.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Belgische autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat indien een strafbaar feit op Nederlands grondgebied is gepleegd, de overlevering in beginsel niet wordt toegestaan. Op vordering van de officier van justitie kan echter op grond van artikel 13, tweede lid, OLW van deze weigeringsgrond worden afgezien. De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. De rechtbank overweegt dat gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Bespreking overige verweren

8.1. Onrechtmatige aanhouding

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon als onrechtmatig moet worden beoordeeld, nu er ten tijde van de aanhouding geen grond voor aanhouding was. De raadsman heeft gewezen op het feit dat de opgeëiste persoon zich op 18 oktober 2011 op verzoek van de politie heeft gemeld bij het politiebureau. De opgeëiste persoon is vervolgens op het politiebureau aangehouden, maar ten tijde van de aanhouding was nog geen sprake van een EAB of signalering. De raadsman wijst er op dat uit het dossier blijkt dat het EAB en de signalering van een later tijdstip dan de aanhouding zijn. Daarnaast is de aanhouding verricht door een normale opsporingsambtenaar en niet zoals artikel 17 OLW voorschrijft door een hulpofficier van justitie. Van een uitzonderingssituatie zoals bedoeld het tweede lid van artikel 17 OLW kan geen sprake zijn, aangezien reeds sinds 07:00 uur die dag bekend was dat de opgeëiste persoon zich zou melden.

Gelet op de onrechtmatige aanhouding, dient de opgeëiste persoon onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat, wat er verder zij van de stellingen van de verdediging, op 20 oktober 2011 de voorlopige aanhouding op grond van artikel 21 OLW is omgezet in een definitieve aanhouding. Tegelijkertijd is de opgeëiste persoon in verzekering gesteld. Uit het dossier blijkt dat de omzetting geheel conform voor de voorschriften is geschied.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het verweer reeds ter zitting verworpen. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat een eventueel onrechtmatig handelen met betrekking tot een voorafgaande aanhouding geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de aanhouding in het kader van de procedures van de Overleveringswet. Artikel 21, eerste lid, OLW bepaalt namelijk dat een opgeëiste persoon op basis van een EAB dat voldoet aan alle vereisten omschreven in artikel 2 OLW, zonder verdere formaliteiten kan worden aangehouden. Ook in het geval er sprake zou zijn van een voorafgaande onrechtmatige aanhouding, laat dat onverlet dat de opgeëiste persoon op grond van deze artikelen onmiddellijk opnieuw kan worden aangehouden.

Het verweer wordt verworpen.

8.2. Verplichte weigeringsgrond in verband met ne bis in idem (artikel 9, eerste lid, OLW)

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er door de Nederlandse autoriteiten opsporingshandelingen zijn verricht. De raadsman heeft gewezen op de doorzoeking van de woning van de opgeëiste persoon en het verhoor op het politiebureau. Dit zijn vervolgingsactiviteiten en dus moet worden geconcludeerd dat sprake is van een strafvervolging voor hetzelfde feit in Nederland. Om deze reden moet de overlevering worden geweigerd, aldus de raadsman.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat nog geen sprake is geweest van een daad van vervolging in het kader van artikel 9, eerste lid, OLW. De verrichte opsporingshandelingen zijn waarschijnlijk verricht op verzoek van de Belgische autoriteiten. Er is in ieder geval nooit sprake geweest van een intentie om de opgeëiste persoon in Nederland voor dit strafbare feit te vervolgen.

Het oordeel van de rechtbank

Voor beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank dat onder een daad van vervolging moet worden verstaan een formele daad van het Openbaar Ministerie of de rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een uitvoerbare rechterlijke beslissing te geraken (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 februari 2011, LJN: BP4384). De rechtbank overweegt dat de strafvorderlijke doorzoeking en verhoor van de opgeëiste persoon geen strafvervolging in de zin van artikel 9, eerste lid, onder a, van de OLW opleveren. Deze handelingen kwalificeert de rechtbank als opsporingshandelingen en leveren geen daad van vervolging op, zodat de vraag of dit dan een Nederlandse vervolging zou zijn onbeantwoord kan blijven.

Het verweer wordt verworpen.

9. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 en 289 Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M.J. Diemer, voorzitter,

mrs. J.W. Vriethoff en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, lid 2 OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.