Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1062

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
Parketnummer: 13/680015-11 WTS-I-2011017123
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOTS-beslissing. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2011 (LJN: BT1875) overweegt de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel eveneens meebrengt dat de exequaturrechter dient uit te gaan van de juistheid van de buitenlandse tenuitvoerlegging van de beslissing van de buitenlandse rechter, tenzij vast komt te staan dat sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele rechten van de veroordeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/680015-11

WTS-I-2011017123

Datum uitspraak: 20 december 2011

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van

28 oktober 2011 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van het Amtsgericht Friedberg van 23 november 2010. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf van twee jaren en twee maanden van:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Almere’ te Almere,

verder te noemen: veroordeelde.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 18 november 2011 en 6 december 2011. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman, mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag en de officier van justitie gehoord.

2. Identiteit veroordeelde

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat de personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Gang van zaken

De Duitse justitiële autoriteiten hebben de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van het Amtsgericht Friedberg van 23 november 2010.

De veroordeelde heeft in Nederland vanaf 23 juli 2010 tot en met 1 november 2010 in overleveringsdetentie verbleven. Hij is van 2 november 2010 tot en met 12 december 2010 in

Duitsland voorlopig gehecht geweest.

De veroordeelde is op 23 juli 2010 aangehouden in Nederland met als doel overlevering aan Duitsland. De detentie is op 29 juli 2010 geschorst. Veroordeelde heeft vanaf de datum van de uitspraak, 26 oktober 2010, tot aan zijn overlevering aan Duitsland op 2 november 2010 in Nederland in overleveringsdetentie verbleven.

Veroordeelde is vanaf die datum in Duitsland gedetineerd geweest, waarna hij in het kader van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen naar Nederland is overgebracht. Na aankomst in Nederland op 28 oktober 2011 is hij op diezelfde dag door de rechter-commissaris in bewaring gesteld.

4. Verweer m.b.t. tenuitvoerlegging vervangende hechtenis Duitsland

Uit een aanvullend schrijven van 17 november 2011 van de Duitse autoriteiten blijkt dat in de periode van 1 februari 2011 tot en met 11 april 2011 en in de periode van 12 april 2011 tot en met 21 april 2011 de bij bovengenoemd vonnis opgelegde straf is geschorst in verband met de tenuitvoerlegging van een vervangende gevangenisstraf in de zaken 359 Js 51633/05 en 359 Js 62788/09.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de Duitse autoriteiten door de tenuitvoerlegging van de vervangende gevangenisstraf het specialiteitsbeginsel hebben geschonden. De overlevering van de veroordeelde heeft niet plaatsgevonden op basis van deze twee geëxecuteerde gevangenisstraffen. Duitsland heeft ongecontroleerd een andere straf geëxecuteerd, waarvan de veroordeelde ook nooit de hoogte is gesteld. De periode van de vervangende gevangenisstraf kan derhalve niet zonder meer buiten beschouwing worden gelaten bij het bepalen van de opgelegde en reeds geëxecuteerde straf.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse exequaturrechter op grond van het vertrouwensbeginsel bij zijn beslissing dient uit te gaan van de juistheid van de gang van zaken in de verzoekende staat. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die er op zouden kunnen wijzen dat sprake is geweest van een flagrante miskenning van de rechten van de veroordeelde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat door de handelswijze van de Duitse autoriteiten de periodes 1 februari 2011 tot en met 11 april 2011 en 12 april 2011 tot en met 21 april 2011 ten onrechte niet in aftrek dreigen te worden gebracht in de onderhavige zaak.

In zijn arrest van 1 november 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de exequaturrechter bij zijn beslissing dient uit te gaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming. Dit kan slechts anders zijn indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging (zie LJN: BT1875).

Op grond van het arrest van de Hoge Raad overweegt de rechtbank dat het vertrouwensbeginsel eveneens meebrengt dat de exequaturrechter dient uit te gaan van de juistheid van de buitenlandse tenuitvoerlegging van de beslissing van de buitenlandse rechter, tenzij vast komt te staan dat sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele rechten van de veroordeelde.

Gelet op dit uitgangspunt en de beginselen van wederzijdse erkenning en vertrouwen tussen de Europese lidstaten kan hetgeen de raadsman van de veroordeelde ten grondslag heeft gelegd aan zijn verweer niet leiden tot het oordeel dat bij de Duitse autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele rechten van de veroordeelde. De rechtbank wijst daarbij mede op de verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting dat hij in de Duitse gevangenis is geïnformeerd over openstaande geldboetes die zouden worden omgezet in een gevangenisstraf. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze verklaring dat de vervangende hechtenis reeds in Duitsland onder de aandacht van de veroordeelde is gebracht.

In het licht van bovenstaande en de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie is de enkele - niet met stukken onderbouwde - stelling van de verdediging dat het handelen van Duitsland onrechtmatig is geweest – en om die reden de periode van Duitse vervangende hechtenis in de onderhavige zaak voor aftrek in aanmerking komt – onvoldoende.

Gelet op bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de periodes die de veroordeelde in vervangende hechtenis voor andere zaken heeft doorgebracht niet in mindering zullen worden gebracht van de op te leggen gevangenisstraf in de onderhavige zaak.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5. Toelaatbaarheid

De veroordeelde heeft de Nederlandse nationaliteit.

De rechterlijke beslissing voornoemd is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar.

Het feit wordt naar Nederlands recht gekwalificeerd als:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen persoon, gepleegd met het oogmerk bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

Veroordeelde diende op het moment van ontvangst van het verzoek tot overbrenging nog ten minste zes maanden van de opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.

Veroordeelde heeft verklaard mee te werken aan deze procedure en heeft op 25 mei 2011 ingestemd met overbrenging naar Nederland.

De tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis dient toelaatbaar te worden verklaard nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde vereisten is voldaan. Het verlof tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

6. Motivering van de strafoplegging

De vordering van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat in plaats van de buitenlandse sanctie dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden, met aftrek van de tijd die de veroordeelde in Duitsland in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest. Daarnaast heeft de officier van justitie, zoals hierboven is genoemd, eveneens gevorderd dat de periodes van ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis in Duitsland niet van een op te leggen gevangenisstraf dienen te worden afgetrokken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf gematigd dient te worden. Onder diefstal met geweld vallen veel verschillende situaties. Er moet gekeken worden naar wat er feitelijk is gebeurd en dat is een diefstal van een tas waarbij de veroordeelde en zijn mededader het slachtoffer hebben geduwd. Er is dus sprake geweest van een lichte vorm van geweld. Volgens de richtlijnen staat daar een lagere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie gevorderd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur, nu het, gezien de bewezenverklaring, gaat om diefstal met geweld waardoor het slachtoffer gewond is geraakt.

Daarbij houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder het feit dat de veroordeelde heeft begaan en de persoon van veroordeelde.

Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank het volgende in overweging.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken (LOVS).

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met internationale gevoeligheden bij de overdracht en tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen van vreemde staten.

Voorts houdt de rechtbank ten nadele van veroordeelde rekening met de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2011 betreffende veroordeelde blijkt dat hij in Duitsland reeds eerder en recent is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Een en ander leidt ertoe dat de straf hoger zal zijn dan in Nederland in overeenkomstige gevallen gebruikelijk en lager dan de in Duitsland opgelegde straf.

Alles afwegend en in het licht van de ernst van het feit komt de rechtbank tot een lagere straf dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De veroordeelde wordt door de hierna te noemen duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf reeds voldoende bestraft.

Veroordeelde had, volgens de bij de stukken gevoegde verklaring, in Duitsland in het meest gunstige geval na het uitzitten van de helft van de straf op 22 oktober 2011 in vrijheid kunnen worden gesteld.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 29, 30, en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

de artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163).

8. Beslissing

VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van het Amtsgericht Friedberg van 23 november 2010 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

BEVEELT dat de tijd welke [veroordeelde] voornoemd (1) in Duitsland in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht, (2) de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gedaan door

mr. M.J. Diemer, voorzitter,

mrs. J.W. Vriethoff en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2011.

De jongste rechter is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.