Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV1021

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
AWB 11-3682 VEROR
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX5993, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stageverordening 2005 / tweede herkansingsmogelijkheid examen / hardheidsclausule niet van toepassing / geen kennelijk onredelijk beleid / de rechtbank gaat bij haar oordeel voorbij aan de toevoeging die verweerder in het verweerschrift op het beleid heeft gedaan, nu de daarin geboden mogelijkheid - om de examenkans te behouden door na aanvang van het examen alsnog van voltooiing af te zien - niet gepubliceerd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3682 VEROR

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

het Curatorium Beroepsopleiding Advocatuur,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Gerritsen-Bosselaar.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2011 (het primaire besluit) heeft de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de Algemene Raad) het verzoek van eiseres om een vierde toetskans voor het onderdeel strafprocesrecht afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2011, verzonden op 22 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het administratief beroep van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2011. Eiseres is verschenen bijgestaan door haar patroon mevrouw mr. [patroon]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op onderstaande regelgeving en de toelichting daarop:

1.1. Artikel 14 van de Stageverordening 2005 luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Aan de Beroepsopleiding is een examen verbonden dat bestaat uit een aantal gedurende de cursuscyclus per onderdeel af te nemen toetsen. De stagiaire is verplicht aan alle toetsen deel te nemen.

2. Een stagiaire kan één keer in alle onderdelen van het examen een toets afleggen, met de mogelijkheid van twee herkansingen per onderdeel.

3. De stagiaire is verplicht deel te nemen aan de toetsmogelijkheid voor een bepaald onderdeel direct volgend op het gevolgde onderwijs voor dat onderdeel van de Beroepsopleiding in de eerste cursuscyclus. (…)

4. Indien een toets in één of meer onderdelen van het examen niet is behaald, is de stagiaire verplicht deel te nemen aan de direct daaropvolgende herkansingsmogelijkheid voor het desbetreffende onderdeel. Het bepaalde in de voorgaande volzin betreft alleen de eerste herkansingsmogelijkheid.

5. (…)

6. Indien niet wordt voldaan aan de verplichting, als bedoeld in het derde en vierde lid, zal dit worden beschouwd als het niet behaald hebben van dat onderdeel van het examen.

(…)

11. De Algemene Raad kan in gevallen waarin naar zijn oordeel de toepassing van het derde, vierde of zesde lid tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden, besluiten af te wijken van het gestelde in het zesde lid.

1.2. Met ingang van 1 september 2009 voerde de Algemene Raad voor de toepassing van de hardheidsclausule het volgende beleid voor de toepassing van artikel 14, elfde lid, van de Stageverordening 2005:

“ 1. In alle gevallen (dus ook in geval van ziekte/arbeidsongeschiktheid en zwangerschap) geldt dat een beroep op de hardheidsclausule in beginsel slechts kans van slagen heeft als de stagiaire niet op het examen is verschenen. Als de stagiaire wel verschijnt, zal een beroep op de hardheidsclausule in beginsel niet worden gehonoreerd.

2. Er geldt een termijn voor het indienen van een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule: het verzoek dient binnen vier weken na de betreffende toetskans te worden ingediend.

(…)

Voor de duidelijkheid

Een geslaagd beroep op de hardheidsclausule van art. 14 lid 11 Stageverordening 2005 is slechts mogelijk voor de eerste en tweede toetskans. De eerste toetskans dient immers direct na het volgen van het onderwijs te worden gedaan en ook de tweede toetskans (de eerste herkansing) is voor wat betreft het tijdstip vastgelegd, namelijk direct na de eerste toetskans. Voor de derde toetskans kan géén geslaagd beroep worden op deze hardheidsclausule worden gedaan. Het tijdstip van het benutten van de derde toetskans is immers te bepalen door de stagiaire zelf, ook in geval van ziekte/arbeidsongeschiktheid of zwangerschap. De stagiaire kan er voor kiezen de toets niet te doen en deze om een ander moment in de stage af te leggen.”

2. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

2.1. Eiseres is beëdigd als advocaat op 11 november 2008 en heeft als stagiaire deelgenomen aan de beroepsopleiding, cursuscyclus voorjaar 2009.

2.2. Op 16 oktober 2009, 17 februari 2010 en 15 oktober 2010 heeft eiseres de tot het examen behorende toets strafprocesrecht afgelegd, telkens met onvoldoende resultaat.

2.3. Bij brief van 6 januari 2011 heeft eiseres bij de examencommissie bezwaar gemaakt tegen de toetsuitslag van 15 oktober 2010. Daarbij heeft zij verzocht om, gelet op haar privé-omstandigheden en gezondheidssitutie, nog een laatste kans te geven om de toets strafprocesrecht met goed gevolg te kunnen afleggen. Het bezwaar is daarom opgevat als een verzoek aan de Algemene Raad om eiseres een extra toetskans toe te kennen. De Algemene Raad heeft dit verzoek afgewezen en verweerder heeft het daartegen gerichte administratief beroep ongegrond verklaard.

2.4. In het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het beleid van de Nederlandse Orde van Advocaten (gepubliceerd in het Advocatenblad van 28 augustus 2009) overwogen dat voor de derde toetskans geen geslaagd beroep op de hardheidsclausule van artikel 14, elfde lid, van de Stageverordening 2005 kan worden gedaan omdat dit volgens de bewoordingen van de verordening slechts mogelijk is voor de eerste en tweede toetskans. Eiseres heeft de hardheidsclausule ten aanzien van die kans niet, althans niet tijdig, ingeroepen. Verder bestaat er geen noodzaak tot een beroep op de hardheidsclausule, aldus verweerder, omdat de stagiaire zelf het tijdstip van het benutten van de derde toetskans kan bepalen.

2.5. Eiseres stelt zich in beroep – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat verweerder haar belangen ten onrechte niet heeft meegewogen, terwijl de beleidsregel door de bewoordingen “in beginsel” verweerder de mogelijkheid biedt om daarvan af te wijken wanneer sprake is van onevenredige benadeling. Van iemand die erg ziek is kan niet worden verwacht dat hij het examen maar niet gaat doen ondanks de eerdere aanmelding. Ook stelt eiseres dat zij niet kon voorzien dat zij een black out zou krijgen door tijdens het examen in slaap te vallen. Pas na medio oktober 2010 werd het haar duidelijk dat haar gezondheidssituatie zeer slecht was. Eiseres wijst er verder op dat zij voorafgaand aan de tweede toetskans al heeft aangegeven dat zij uitstel wenste vanwege haar gezondheidssituatie en persoonlijke omstandigheden. Daarop is pas laat gereageerd. Verweerder had ook oog moeten hebben voor de praktische en financiële consequenties, die voor haar als zelfstandig ondernemer extra groot zijn, zo stelt eiseres.

2.6. In het verweerschrift handhaaft verweerder het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de stagiaire zelf het tijdstip van de laatste herkansing kan bepalen en voegt daaraan toe dat de stagiaire, indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, ook zelf kan besluiten om daarvan af te zien. Ook indien tijdens het afleggen van de toets zou blijken dat de stagiaire wegens zich op dat moment voordoende bijzondere omstandigheden zoals ziekte daartoe feitelijk niet in staat is, kan de stagiaire besluiten de toets niet te voltooien en op een latere datum aan de toetsing deel te nemen. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat voor zover ook bij de derde toetskans sprake zou kunnen zijn van een onbillijkheid van overwegende aard naar analogie van de hardheidsclausule van artikel 14, elfde lid, van de Stageverordening 2005, de stagiaire daarop dan tijdig een beroep dient te doen teneinde te voorkomen dat het niet afgelegde onderdeel van het examen als niet behaald wordt aangemerkt. Uitgaande van het beleid geldt daarvoor een termijn van vier weken en in elk geval kan een zodanig beroep niet meer worden gedaan nadat is vastgesteld dat de afgelegde toets niet is behaald. Het verzoek van eiseres is dan ook niet tijdig gedaan.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit met juistheid heeft gesteld dat eiseres volgens het beleid, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 1.2, geen (geslaagd) beroep kan doen op de hardheidsclausule, omdat een beroep daarop volgens het beleid bij de tweede herkansing niet mogelijk is. Nu op grond van het gepubliceerde beleid deze bepaling niet op haar situatie van toepassing is kan eiseres dan ook niet worden gevolgd in haar betoog dat verweerder, gelet op de bewoordingen “in beginsel”, de door eiseres genoemde belangen had moeten meewegen.

3.2. Voor zover eiseres heeft getracht te betogen dat dit beleid kennelijk onredelijk is, volgt de rechtbank haar daarin niet. Hoewel ook een ander beleidsuitgangspunt denkbaar is moet, mede gelet op de beleidsvrijheid die verweerder in dit opzicht toekomt, worden gezegd dat dit beleid blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

3.3. Verweerder rept in het verweerschrift in de laatste zin van punt 20 ook nog van een mogelijkheid om tijdens het benutten van de derde herkansingsmogelijkheid, als al aan het examen is begonnen, alsnog van voltooiing van het examen af te zien en een volgende keer aan het examen deel te nemen. Die toevoeging is niet wel begrijpelijk omdat dan kennelijk zonder dat zou komen vast te staan dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, de mogelijkheid zou bestaan om de examenopgaven in te zien en alleen te besluiten het examen daadwerkelijk af te leggen als het ‘maakbaar’ voorkomt. Nu ook van deze mogelijkheid in geen enkele publicatie melding wordt gemaakt, houdt de rechtbank deze passage in het verweerschrift voor een lapsus, waaraan voorbij moet worden gegaan.

3.4. Verweerder heeft in het verweerschrift als subsidiair standpunt opgemerkt dat, als zou moeten worden aangenomen dat naar analogie van de hardheidsclausule, ook bij de derde toetsingskans sprake zou kunnen zijn van en onbillijkheid van overwegende aard de stagiaire op de bijzondere omstandigheden direct een beroep zou moeten doen. Bij ziekte tijdens het examen door het examen af te breken en bij het daarna blijken van ziekte, in elk geval binnen vier weken. Dit subsidiaire standpunt behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen verdere bespreking nu niet ervan moet worden uitgegaan dat het primaire standpunt van verweerder en het daarin vervatte beleid als aanvaardbaar moet worden aangemerkt.

3.5. Eiseres heeft te dien aanzien tegengeworpen dat zij, hoewel van het gepubliceerde beleid op de hoogte, zich “als mens” van de consequenties van dat beleid ten tijde in dit geding van belang niet voldoende bewust is geweest. Dat standpunt kan niet leiden tot de conclusie dat dat beleid ten aanzien van haar niet mag worden toegepast. In de omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht, zoals kort weergegeven onder rechtsoverweging 2.5, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid ook geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.6. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien verweerder meer of andere beleidsregels wenst te hanteren dan thans zijn gepubliceerd zorg zou moeten worden gedragen voor het volledig kenbaar zijn van het gehele beleid ter zaken.

3.7. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB