Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV0832

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
13-01-2012
Zaaknummer
AWB 11-4230 HUISV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering huisvestingsvergunning. Geen dienstwoning want zelfstandige woonruimte. Geen strijd met vrijheid van godsdienst omdat bewonen woning daarvoor geen voorwaarde is. Inkomen eiser te hoog. Geen structureel laag inkomen, als bedoeld in de Verordening. Financiële gevolgen van keuze voor éénmalige inkomensdaling door afkoop alimentatieverplichting voor rekening en risico eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4230 HUISV

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde prof. mr. H. Loonstein,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. F.M.E. Schuttenhelm.

Procesverloop

Bij primair besluit van 18 april 2011 heeft verweerder geweigerd een huisvestingsvergunning te verlenen aan eiser.

Bij besluit van 2 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2011.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Op 15 april 2011 heeft de Portugees Israëlitische Gemeente de woning [adres] te [plaats] (hierna: de woning) bij verweerder gemeld en eiser voorgedragen als huurder. De woning ligt op loopafstand van de synagoge.

1.2 Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd eiser een huisvestingsvergunning te verlenen, omdat het inkomen van eiser is gelegen boven het bedrag als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 (hierna: de Verordening).

1.3 In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de woning een vergunningplichtige woning is in de zin van de Huisvestingswet en de Verordening. Volgens verweerder komt eiser niet voor een huisvestingsvergunning in aanmerking, omdat ten tijde van de aanvraag zijn inkomen boven de daartoe geldende grens van € 38.150,- lag. Eiser heeft verkozen in één keer het alimentatiebedrag aan zijn ex-partner te voldoen. Daardoor is zijn belastbare inkomen over 2011 eenmalig gedaald. Structureel blijft eisers’ inkomen echter boven genoemde grens, aldus verweerder.

1.4 In beroep stelt eiser zich primair op het standpunt dat de woning niet vergunningplichtig is, omdat de woning gelijk is te stellen aan een kosterswoning. Volgens eiser is de toepassing van de Verordening strijdig met het beginsel van de godsdienstvrijheid. Subsidiair betwist eiser dat zijn inkomen te hoog is.

2. Juridisch kader

2.1. In artikel 9, derde lid, van de Verordening is bepaald dat in afwijking van het gestelde in het tweede lid voor de gemeente Amsterdam geldt dat huurwoningen met een rekenhuur tot 64% van de rekenhuur genoemd in artikel 13, eerste lid onder a en e van de Wet op de huurtoeslag slechts worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tot 130% van het inkomen genoemd in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet op de huurtoeslag (afgerond op tien euro).

Blijkens de artikelgewijze toelichting bij de Verordening regelt dit artikel de financiële passendheid. Achtergrond hiervan is dat de sociale huurwoningenvoorraad bedoeld is voor mensen met een laag inkomen. Deze woningen moeten dan ook bij voorkeur bij deze mensen terecht komen.

In artikel 63 van de Verordening is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2. In Uitvoeringsinstructie 1 is het beleid op grond van de Verordening neergelegd. Daarin is bepaald dat onder het begrip “dienstwoning” wordt verstaan woonruimte gelegen in de directe nabijheid van een winkel of een bedrijf. Voor zover die woonruimte beschikt over een eigen toegang die bereikbaar is vanaf de openbare weg, wordt deze gezien als een zelfstandige woonruimte, zelfs indien er tevens een afsluitbare toegang is vanuit de woonruimte naar de winkel of het bedrijf.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Eiser betoogt in beroep dat sprake is van een kosterswoning en dat die woning om die reden niet vergunningplichtig zou zijn. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat de woning als een dienstwoning dient te worden beschouwd. Op grond van Uitvoeringsinstructie 1 is een dienstwoning een onzelfstandige woonruimte. Eiser heeft niet betwist dat de woning een zelfstandige woonruimte is. De beroepsgrond van eiser kan reeds hierom niet slagen.

3.2. Eiser voert voorts aan dat de weigering van de huisvestingsvergunning in strijd is met de vrijheid van godsdienst. Volgens eiser is voor iedere godsdienstoefening in de synagoge een quorum van tien mannen benodigd en is eiser één van die mannen. Ook dit betoog faalt. Niet gebleken is dat het bewonen van de woning door eiser een voorwaarde is voor eiser om zijn godsdienst in vrijheid uit te oefenen.

3.3. Voorts is in geschil of het inkomen van eiser is gelegen boven de norm als bedoeld in artikel 9 van de Verordening. De rechtbank overweegt dat uit de toelichting op artikel 9 van de Verordening blijkt dat de achtergrond van de norm van financiële passendheid (relatie huur-inkomen) erin is gelegen dat de sociale huurwoningenvoorraad is bedoeld voor mensen met een laag inkomen. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat sprake dient te zijn van een structureel laag inkomen en dat een eenmalige gedane vrijwillige hoge uitgave niet maakt dat sprake is van een structureel laag inkomen op grond waarvan eiser in aanmerking zou moeten komen voor een woning uit de sociale huurwoningenvoorraad. De rechtbank overweegt dat zelfs indien eiser wordt gevolgd in zijn standpunt dat zijn inkomen in 2011 onder het toetsingsinkomen is geraakt, geldt dat de oorzaak hiervan is gelegen in de keuze van eiser om zijn alimentatieverplichting in één keer te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat, indien eiser zijn wettelijke alimentatieverplichting over een langere periode zou voldoen, eiser structureel over een laag inkomen als bedoeld in artikel 9 van de Verordening zou beschikken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar eiser niet voldeed aan de norm van financiële passendheid uit artikel 9 van de Verordening.

3.4. Het feit dat eiser met ingang van 3 oktober 2011 een uitkering ontvangt uit hoofde van de Werkloosheidswet, maakt evenmin dat het bestreden besluit onrechtmatig moet worden geacht. Deze omstandigheid is immers gelegen na het nemen van het bestreden besluit. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat eiser een nieuwe aanvraag kan doen waarin hij zijn huidige situatie onderbouwd uiteenzet, en dat verweerder daarop zal beslissen.

3.5. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting nog gesteld dat het bewonen van de woning noodzakelijk zou zijn ter beveiliging van de synagoge. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Deze stelling is echter niet onderbouwd en kan reeds hierom niet leiden tot het door eiser gewenste resultaat.

3.6. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter,

in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB