Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV0328

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
AWB 11/1766 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geen toepassing gegeven aan het met terugwerkende kracht ingevoerde artikel 2a van het Btcg bij de toekenning van de tegemoetkoming voor 2009 op grond van de Wtcg. Het niet bestaan van een ministeriële regeling waarnaar in artikel 2a van het Btcg wordt verwezen, maakt niet dat artikel 2a van het Btcg toepassing mist. Beroep gegrond. Instandhouding van de rechtsgevolgen nu blijkens de Nota van Toelichting niet is beoogd om toekenningscriteria inhoudelijk te veranderen ten opzichte van de voorheen toegepaste systematiek van indeling in FKG’s, en verweerder de situatie van eiser hieraan ook heeft getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1766 AWBZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het CAK,

verweerder,

gemachtigde mr. S.R. Fernhout.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een tegemoetkoming van

€ 300,00 toegekend op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).

Bij besluit van 21 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2011.

Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting ingevolge artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de wijziging van artikel 2a van het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Btcg) op 2 november 2010 en de door eiser gevolgde watertherapie.

Partijen hebben vervolgens de rechtbank toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2009 een tegemoetkoming op grond van de Wtcg toegekend ten bedrage van € 300,00 omdat eiser in 2009 zorg vergoed heeft gekregen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).

1.2. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. Standpunten van partijen

2.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet alleen uit dient te gaan van de medische informatie die hij van de zorgverzekeraar ontvangt. Verweerder had ook informatie moeten inwinnen bij de medische specialisten waarbij hij in behandeling is en de zorg die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan hem is toegekend. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor de hoge tegemoetkoming van € 500,00. Eiser voert in dit kader aan dat hij aan reuma en artrose lijdt en hiervoor in behandeling is bij de reumatoloog en de revalidatiearts. Eiser stelt dat hij diverse medicijnen gebruikt en dat hij fysiotherapie en watertherapie heeft gevolgd. Voorts heeft eiser in 2009 hulpmiddelen gebruikt en is hij opgenomen geweest in een ziekenhuis. Daarnaast stelt eiser dat hij in 2009 zorg heeft ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

2.2. Verweerder stelt zich – kort gezegd - op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming van € 500,00 omdat hij niet voldoet aan de criteria daarvoor in artikel 2, eerste en tweede lid, van het Btcg.

3. Juridisch kader

3.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wtcg heeft iemand jaarlijks recht op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen tegemoetkoming, indien hij behoort tot een bij of krachtens die maatregel te bepalen groep van personen:

a. die gebruik maken van hulpmiddelenzorg, farmaceutische zorg, fysiotherapie, oefentherapie en geneeskundige zorg die behoren tot de verzekerde prestaties op grond van de Zorgverzekeringswet,

b. voor wie ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is vastgesteld dat zij aanspraak hebben op zorg, of

c. die gebruik maken van een individuele voorziening, die beoogt hen in staat te stellen een huishouden te voeren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wtcg kan de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, voor verschillende groepen op een verschillend bedrag worden vastgesteld.

3.2. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wtcg stelt verweerder ambtshalve het recht op en de hoogte van de tegemoetkoming vast.

3.3. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wtcg verstrekken zorgverzekeraars, indicatieorganen, colleges van burgemeester en wethouders en andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instanties aan verweerder persoonsgegevens van rechthebbenden, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, noodzakelijk voor de uitvoering van de in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde taak.

3.4. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Btcg wordt onder FKG verstaan, Farmaceutische kosten groepen die worden gehanteerd voor de toepassing van hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering (Bzv).

Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van het Btcg wordt onder DKG verstaan, Diagnose kosten groepen die worden gehanteerd voor de toepassing van hoofdstuk 3 van het Bzv.

3.5. In artikel 2, eerste lid, van het Btcg is het volgende bepaald.

1. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, bedraagt € 300 indien de verzekerde in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is geworden, onderscheidenlijk € 150 indien de verzekerde in het gehele jaar 65 jaar of ouder was, en de verzekerde:

a. in dat jaar was ingedeeld in één of meer van de bij ministeriële regeling aangewezen lichte FKG’s en zijn zorgverzekeraar dat jaar voor hem bij ministeriële regeling aangewezen hulpmiddelen heeft vergoed;

b. in dat jaar was ingedeeld in twee of meer van de bij ministeriële regeling aangewezen lichte FKG’s en zijn zorgverzekeraar voor hem dat jaar voor hem geen hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid heeft vergoed;

c. in dat jaar was ingedeeld in één of meer van de bij ministeriële regeling aangewezen zware FKG’s;

d. in het jaar voorafgaande aan dat jaar was ingedeeld in één of meer van de bij ministeriële regeling aangewezen DKG’s;

e. in dat jaar voorafgaande aan dat jaar zijn zorgverzekeraar voor hem in een bij ministeriële regeling aangewezen instelling geneeskundige zorg gericht op revalidatie heeft vergoed;

f. in dat jaar zijn zorgverzekeraar voor hem fysiotherapie of oefentherapie als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering heeft vergoed of, indien hij in dat jaar jonger was dan 18 jaar, in dat jaar en het daaraan voorafgaande jaar zijn zorgverzekeraar een bij ministeriële regeling te bepalen jaarbedrag, gelijk aan het gemiddelde bedrag aan kosten voor negen behandelingen fysiotherapie, heeft vergoed;

g. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op grond van een indicatiebesluit was aangewezen op één tot tien uren per week zorg als bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ;

h. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op grond van een indicatiebesluit was aangewezen op één tot vier dagdelen per week zorg als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ;

i. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer één tot tien uren per week op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning in natura huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van die wet, heeft ontvangen, of

j. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op grond van een indicatiebesluit was aangewezen op één of meer etmalen per week zorg als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 13, eerste en tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.

3.6. In artikel 2, tweede lid, van het Btcg is het volgende bepaald.

2. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet bedraagt € 500 indien de verzekerde in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is geworden, onderscheidenlijk € 350 indien de verzekerde in het gehele jaar 65 jaar of ouder was, en de verzekerde in dat jaar:

a. viel onder twee of meer van de categorieën, genoemd in het eerste lid, met uitzondering van:

1°. de combinatie van de categorieën, genoemd in de onderdelen b en c,

2°. de combinatie van de categorieën, genoemd in de onderdelen g en h en,

3°. een combinatie van de categorie, genoemd in onderdeel i, en een van de categorieën, genoemd in de onderdelen g en h,

4°. een combinatie van de categorie, genoemd in onderdeel j, en een van de andere categorien genoemd in het eerste lid.

b. al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op grond van een indicatiebesluit was aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ,

c. al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op grond van een indicatiebesluit was aangewezen op vier of meer dagdelen per week zorg als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, of

d. al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer tien uren per week of meer op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning in natura huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van die wet, heeft ontvangen.

3.7. In artikel 2, eerste en tweede lid, van de Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Rtcg) is het volgende bepaald.

1.Als lichte FKG’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten worden aangewezen de FKG’s, bedoeld in tabel B4.2 van Bijlage 4, van de Regeling zorgverzekering zoals deze luidde in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2 van de wet, betrekking heeft:

a. FKG 1 Glaucoom,

b. FKG 2 Schildklieraandoeningen,

c. FKG 3 Psychische aandoeningen,

d. FKG 5 Diabetes IIb,

e. FKG 6 Cara,

f. FKG 7 Diabetes IIa,

g. FKG 10 Hartaandoeningen, en

h. FKG 13 Diabetes I.

2.Als zware FKG’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten worden aangewezen de FKG’s, genoemd in tabel B4.2 van Bijlage 4, van de Regeling zorgverzekering zoals deze luidde in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2 van de wet, betrekking heeft:

a. FKG 8 Epilepsie,

b. FKG 9 Ziekte van Crohn/colitus ulcerosa,

c. FKG 11 Reuma,

d. FKG 12 Parkinson,

e. FKG 14 Transplantaties,

f. FKG 15 Cystic fibrosis/pancreas aandoeningen,

g. FKG 16 Aandoeningen van hersenen en ruggenmerg,

h. FKG 17 Kanker,

i. FKG 18 HIV/AIDS,

j. FKG 19 Nieraandoeningen, en

k. FKG 20 Groeihormonen.

3.8. Op grond van artikel 3 van de Rtcg worden als DKG’s aangewezen de DKG’s, genoemd in tabel B4.3 van bijlage 4, van de Regeling zorgverzekering zoals deze luidde in het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de wet betrekking heeft.

3.9. Op grond van artikel 2.6 van het Bzv omvat fysiotherapie of oefentherapie zorg zoals fysiotherapeuten en oefentherapeuten die plegen te bieden ter behandeling van de in bijlage 1 aangegeven aandoeningen, voor zover de daarbij aangegeven termijn niet is overschreden. Deze zorg omvat voor de verzekerden van achttien jaar en ouder niet de eerste negen behandelingen.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geding of verweerder op goede gronden heeft beslist dat eiser voor het jaar 2009 in aanmerking komt voor de lage tegemoetkoming van € 300,00 en niet voor de hoge tegemoetkoming van € 500,00.

Toepasselijke regelgeving

4.2. Ter beantwoording van deze vraag heeft verweerder de situatie van eiser getoetst aan de criteria van artikel 2 van het Btcg zoals vermeld in rechtsoverweging 3.5. en 3.6. De rechtbank heeft geconstateerd dat het Btcg bij besluit van 2 november 2010 is gewijzigd (Stb 2010, 764, hierna: het wijzigingsbesluit). In artikel VI, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit is bepaald dat na artikel 2 van het Btcg een nieuw artikel 2a wordt ingevoegd. Dit artikel 2a luidt als volgt:

Artikel 2a

1. In afwijking van artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, zoals deze onderdelen ten behoeve van de vaststelling van de tegemoetkoming over het jaar 2009 luidden, bedraagt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, € 300 indien de rechthebbende in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is geworden, onderscheidenlijk

€ 150 indien de rechthebbende in het gehele jaar 65 jaar of ouder was, en de rechthebbende:

a. in dat jaar voldeed aan bij ministeriële regeling geregelde voorwaarden met betrekking tot aan hem ter hand gestelde geneesmiddelen die vallen onder categorie 1 van de bij die regeling aan te wijzen geneesmiddelen en zijn zorgverzekeraar dat jaar voor hem bij ministeriële regeling aangewezen hulpmiddelen heeft vergoed;

b. in dat jaar voldeed aan bij ministeriële regeling geregelde voorwaarden met betrekking tot aan hem ter hand gestelde geneesmiddelen die vallen onder twee of meer categorieën 1 van de bij die regeling aan te wijzen geneesmiddelen en zijn zorgverzekeraar dat jaar voor hem geen hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid heeft vergoed;

c. in dat jaar voldeed aan bij ministeriële regeling geregelde voorwaarden met betrekking tot aan hem ter hand gestelde geneesmiddelen die vallen onder categorie 2 van de bij die regeling aan te wijzen geneesmiddelen.

2. In afwijking van artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 1° en 4°, zoals deze subonderdelen ten behoeve van de vaststelling van de tegemoetkoming over het jaar 2009 luidden, bedraagt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet € 500 indien de rechthebbende in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is geworden, onderscheidenlijk € 350 indien de rechthebbende in het gehele jaar 65 jaar of ouder was, en de rechthebbende in dat jaar viel onder twee of meer van de categorieën, genoemd in het eerste lid, met uitzondering van:

1°. de combinatie van de categorieën, genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c,

2°. een combinatie van de categorieën, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, en een van de categorieën genoemd in het eerste lid van dit artikel.

4.2.1 In artikel VIII, vijfde lid, van het wijzigingsbesluit is bepaald dat artikel VI, onderdelen A en C, van het wijzigingsbesluit terugwerken tot en met 1 januari 2009 en vervallen met ingang van 1 januari 2010.

4.2.2. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over de vraag wat de eventuele gevolgen zijn van voornoemde wijziging van het Btcg voor de zaak van eiser.

4.2.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 2a van het Btcg terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 2009. Omdat het gaat om de tegemoetkoming van 2009, dient voor eiser in beginsel getoetst te worden aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 2a van het Btcg. Omdat volgens verweerder de ministeriële regeling waarnaar in artikel 2a van het Btcg wordt verwezen, niet bestaat, is het niet mogelijk om uitvoering te geven aan artikel 2a van het Btcg. Aangezien voorts de wetgever met de invoeging van artikel 2a in het Btcg niet heeft beoogd om de tegemoetkomingsvoorwaarden inhoudelijk te wijzigen ten opzichte van artikel 2 van het Btcg, heeft verweerder de situatie van eiser getoetst aan de criteria van artikel 2 van het Btcg zoals dit gold in 2009.

4.2.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Bij het wijzigingsbesluit is met artikel VI artikel 2a ingevoegd in het Btcg. Artikel 2a heeft betrekking op de tegemoetkoming voor het jaar 2009 en treedt in de plaats van artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Btcg en artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 1° en 4°, van het Btcg. Op grond van artikel VIII, vijfde lid, van het wijzigingsbesluit heeft artikel 2a van het Btcg terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 en vervalt het per 1 januari 2010. In de Nota van Toelichting op het wijzigingsbesluit is met betrekking tot artikel VI het volgende opgenomen (Stb. 2010, 764, pagina 23):

De categorieën 1 en 2 als bedoeld in het nieuwe voorgestelde artikel 2a, eerste lid, onderdelen a tot en met c, Btcg, komen overeen met de tot nog toe voor het jaar 2009 in de Regeling tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten aangewezen lichte FKG’s onderscheidenlijk zware FKG’s. De wijziging brengt dan ook geen inhoudelijke wijzigingen in de criteria voor de Wtcg-tegemoetkoming met zich mee en is technisch van aard.

(…)

Onderhavige wijziging laat deze wijziging intact, echter past voor de tegemoetkoming over het kalenderjaar 2009 de criteria voor zover het om geneesmiddelengebruik gaat, aan.

4.2.5. De rechtbank stelt vast dat het wijzigingsbesluit dateert van 2 november 2010, derhalve na het primaire besluit van 18 oktober 2010 maar vóór het bestreden besluit van

21 februari 2011. Niet gebleken is dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming voor het jaar 2009 nadien zijn gewijzigd. Dit betekent dat verweerder bij de boordeling van het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit dan ook aan de hand van de criteria in artikel 2a van het Btcg – voor zover artikel 2a in de plaats is gekomen van artikel 2 van het Btcg – had dienen te (her)beoordelen of eiser voor het jaar 2009 in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Wtcg. Dat er geen ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2a van het Btcg is vastgesteld, zoals verweerder terecht opmerkt, maakt nog niet dat artikel 2a van het Btcg toepassing mist, zoals verweerder aanvoert. Nu verweerder artikel 2a van het Btcg ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd en het beroep zal gegrond worden verklaard.

4.3. De rechtbank ziet zich daarmee gesteld voor de vraag of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

Blijkens de Nota van Toelichting op het wijzigingsbesluit beoogt de wijziging geen inhoudelijke verandering te brengen in de criteria van artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Btcg en de daarin genoemde systematiek van indeling in FKG’s. Dit betekent dat ook bij toepassing van artikel 2a van het Btcg een beoordeling kan plaatsvinden aan de hand van de criteria voor indeling in FKG’s. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit ook gedaan. De rechtbank zal dan ook inhoudelijk de daartegen gerichte beroepsgronden van eiser beoordelen.

Informatie

4.4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat verweerder bij de beoordeling of hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming niet alleen uit dient te gaan van de medische informatie die hij van de zorgverzekeraar ontvangt, maar ook informatie had moeten inwinnen bij de medische specialisten van eiser en de aanbieder van de zorg die eiser op grond van de Wmo is toegekend.

4.4.1. Verweerder stelt dat hij ter beoordeling van het recht op tegemoetkoming informatie ontvangt van verschillende ketenpartners, waaronder de zorgverzekeraar van eiser. Gegevens van op grond van de Wmo ontvangen zorg of door andere instanties verstrekte zorg, worden alleen door deze instanties verstrekt voor zover deze zorg mee kan tellen voor de beoordeling van de tegemoetkoming.

4.4.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder, op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wtcg, ambtshalve dient vast te stellen of een betrokkene in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. Ter uitvoering hiervan ontvangt verweerder op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wtcg gegevens van verschillende instanties over de aan de betrokkene verstrekte zorg. Het betreft hier dwingendrechtelijke regelgeving waarvan verweerder niet kan afwijken.

4.4.3. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij de beoordeling van de situatie van eiser gebruik heeft gemaakt van door de zorgverzekeraar van eiser verstrekte gegevens over aan eiser verstrekte zorg (Detailoverzicht zorgverzekeraar). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij van andere instanties dan de zorgverzekeraar alleen dan gegevens ontvangt als deze kunnen meetellen voor een eventuele tegemoetkoming en dat dat in de situatie van eiser niet het geval was. Het is dus niet zo dat, zoals eiser stelt, de zorg die eiser van zijn medische specialisten heeft ontvangen en de zorg die op grond van de Wmo aan hem is verleend niet bij de beoordeling van de tegemoetkoming zou zijn betrokken. Deze heeft alleen niet geleid tot indeling in een tegemoetkomingscategorie. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

Hoge tegemoetkoming

4.5. Eiser stelt voorts dat hij aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor de hoge tegemoetkoming van € 500,00. Eiser voert aan dat hij in behandeling is bij de reumatoloog en de revalidatiearts en dat hij diverse medicijnen gebruikt. Ook heeft eiser fysiotherapie en watertherapie gevolgd en heeft hij hulpmiddelen ontvangen. Ten slotte voert eiser aan dat hij opgenomen is geweest in een ziekenhuis en dat hij zorg heeft ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

4.5.1. Om in aanmerking te komen voor een hoge tegemoetkoming op grond van de Wtcg dient eiser volgens artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Btcg te voldoen aan twee of meer van de tegemoetkomingscategorieën genoemd in het eerste lid van artikel 2a gelezen in samenhang met artikel 2 van het Btcg, met uitzondering van enkele in het tweede lid genoemde combinaties.

4.5.2. Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingscategorie medicijnen, dient eiser op grond van artikel 2a, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Btcg in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van het Btcg, te zijn ingedeeld in een lichte FKG en een vergoeding te hebben gehad voor het gebruik van een hulpmiddel in 2009, of dient eiser te zijn ingedeeld in twee of meer FKG’s, of te zijn ingedeeld in een zware FKG. Indeling in een FKG vindt plaats als aan de betrokkene in dat jaar meer dan 180 standaarddagdoseringen van een relevant geneesmiddel zijn afgeleverd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 oktober 2010, LJN: BN9985).

4.5.3. Verweerder heeft aan de hand van de hem beschikbare informatie bepaald dat eiser op basis van de in 2009 aan hem verstrekte medicijnen niet ingedeeld kan worden in een lichte of zware FKG. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat deze conclusie onjuist is. Niet gebleken is dat aan eiser andere medicijnen of een andere dosis dan de in het overzicht genoemde medicijnen zijn afgeleverd die wel zouden kunnen leiden tot indeling in een FKG.

4.5.4. Vaststaat dat eiser in 2009 een vergoeding van zijn zorgverzekeraar heeft ontvangen voor een hulpmiddel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank juist vastgesteld dat deze vergoeding ook niet kan leiden tot indeling in de tegemoetkomingscategorie medicijnen. Hiervoor is immers ook vereist dat eiser is ingedeeld in een FKG, hetgeen zoals hiervoor geoordeeld, niet het geval is.

4.5.5. Om in aanmerking te komen te komen voor de tegemoetkomingscategorie fysiotherapie of oefentherapie dient eiser op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van het Btcg in 2009 therapie te hebben ontvangen die is vergoed door zijn zorgverzekeraar. Het moet gaan om zorg zoals fysiotherapeuten en oefentherapeuten die plegen te bieden ter behandeling van de in bijlage 1 van het Bzv aangegeven aandoeningen. Voor deze tegemoetkomingscategorie geldt dat alleen fysiotherapie of oefentherapie meetelt die wordt vergoed vanuit de basiszorgverzekering.

4.5.6. Eiser heeft in bezwaar een verklaring van het Jan van Bremen instituut overgelegd. Dr. G.J. Wolbrink, reumatoloog, heeft in deze verklaring aangegeven dat eiser lijdt aan artrose en de ziekte van Forrestière. Aan de hand van deze verklaring heeft verweerder terecht vastgesteld dat niet kan worden vastgesteld dat eiser voor deze aandoeningen in 2009 fysiotherapie volgde. Hierover heeft dr. Wolbrink immers niets verklaard. Tijdens de behandeling van het beroep ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij ook watertherapie heeft gevolgd. Eiser heeft vervolgens een aantal declaratiespecificaties van zijn zorgverzekeraar in het geding gebracht. Deze specificaties hebben echter betrekking op in 2010 en 2011 door eiser gevolgde watertherapie. Ook blijkt hieruit dat de watertherapie door de zorgverzekeraar van eiser uit de aanvullende verzekering van eiser is vergoed, zoals terecht door verweerder is opgemerkt. Eiser voldoet dan ook niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingscategorie fysiotherapie of oefentherapie.

4.5.7. Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingscategorie ziekenhuisbehandeling dient eiser op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Btcg in 2008 te zijn ingedeeld in een DKG als genoemd in tabel B4.3 van bijlage 4, van de Regeling zorgverzekering.

4.5.8. Verweerder heeft aan de hand van de Detailinformatie Zorgverzekeraar bepaald dat eiser op basis van aan hem verstrekte informatie niet ingedeeld kan worden in een DKG. Vaststaat dat eiser in het voor hem in dit geval relevante peiljaar 2008 ziekenhuiszorg heeft ontvangen. Zonder nadere onderbouwing, kan niet worden vastgesteld dat verweerder zou zijn uitgegaan van onjuiste gegevens, of op verkeerde gronden heeft aangenomen dat eiser niet ingedeeld kan worden in een DKG.

4.5.9. Om in aanmerking te komen voor de tegemoetkomingscategorie huishoudelijke hulp dient eiser op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van het Btcg 26 weken of meer ten minste één uur per week huishoudelijke hulp in natura in de zin van de Wmo te ontvangen.

4.5.10. Eiser heeft in bezwaar een indicatiebesluit van 18 mei 2006 overgelegd waaruit blijkt dat eiser in aanmerking komt voor huishoudelijke verzorging gedurende 4 tot 6,9 uur per week. Eiser ontvangt deze zorg in de vorm van een pgb. Nog daargelaten dat uit het indicatiebesluit blijkt dat eiser genoemde zorg niet in 2009 heeft ontvangen, heeft verweerder terecht vastgesteld dat zorg in de vorm van een pgb niet meetelt voor de tegemoetkoming. In de Nota van Toelichting op artikel 2 van het Btcg staat immers vermeld dat verzekerden die hebben gekozen voor een pgb om de huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo te financieren, vooralsnog geen recht op de tegemoetkoming hebben (Stb. 2008,607, pagina 17). Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.5.11. Verweerder heeft bepaald dat eiser wel in aanmerking komt voor de tegemoetkomingscategorie revalidatiezorg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Btcg, omdat eiser in 2008 geneeskundige zorg vergoed heeft gekregen gericht op revalidatie. Op grond hiervan heeft verweerder eiser, die ouder is dan 65 jaar, in aanmerking gebracht voor de lage tegemoetkoming van € 300,00.

4.5.12. Op grond van het voorgaande heeft verweerder op goede gronden beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor de hoge tegemoetkoming van € 500,00. De beroepsgrond van eiser faalt.

4.6. Nu de gronden van eiser niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit, zal de rechtbank bepalen dat de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

4.7. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu eiser zich niet heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

6 december 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB