Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV0313

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
AWB 10/3566 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Eiser had de door verweerder gevraagde dagritten- en weekstaten uiterlijk in het kader van de bezwaarprocedure moeten overleggen. Eiser heeft dat ten onrechte geweigerd. Nu deze gegevens ten tijde van de beslissing op bezwaar niet voorhanden waren, heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding terecht als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/60 met annotatie van Z.M. Nasir
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3566 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. A.S. Buis.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2009 heeft verweerder de belanghebbendenvergunning van eiser voor de duur van twee maanden ingetrokken (het primaire besluit).

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2011. Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst.

Op 30 september 2011 is het onderzoek ter zitting hervat. Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is taxichauffeur en heeft een belanghebbendenvergunning Centraal Station voor de belanghebbendenparkeerplaats Centraal Station (hierna: taxistandplaats CS), waarmee hij met zijn taxi standplaats kan innemen bij het Centraal Station. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden.

1.2. Volgens het op ambtsbelofte door een toezichthouder van de Dienst Stadstoezicht, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, opgemaakt rapport van bevindingen van 18 november 2009, maakte eiser op zeer agressieve wijze duidelijk het niet eens te zijn dat de toezichthouder passagiers vertelde dat het starttarief voor een busje € 12,20 bedroeg en voor een gewone taxi € 7,50. Eiser reageerde dreigend met zijn vinger voor het gezicht van de toezichthouder en dreigde met verdere acties.

1.3. Naar aanleiding van dit voorval heeft verweerder bij primair besluit de belanghebbendenvergunning van eiser ingetrokken voor de duur van twee maanden, omdat eiser het voorschrift dat de vergunninghouder nooit fysiek of verbaal geweld op of nabij de standplaats gebruikt, heeft overtreden. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

1.4. Bij uitspraak van 22 januari 2010 (AWB 09/6037 GEMWT) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar geschorst en bepaald dat eiser per direct gebruik mag maken van zijn belanghebbendenvergunning.

1.5. Bij bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar gerond verklaard en het primiare besluit herroepen. Eisers verzoek om schadevergoeding heeft verweerder afgewezen, omdat volgens verweerder - kort gezegd - door eisers weigering om dagritten- en weekstaten over te leggen niet duidelijk is of eiser daadwerkelijk schade heeft geleden en evenmin duidelijk is of de schade is veroorzaakt door het primaire besluit.

2. inhoudelijke beoordeling

3.1. Eisers beroep richt zich tegen verweerders afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding. Als bijlage bij het (aanvullend) beroepschrift van 24 augustus 2010 heeft eisers toenmalige gemachtigde alsnog de dagritten- en weekstaten overgelegd. Eiser vordert - net als in bezwaar - een totale schadevergoeding van € 2.003,94 exclusief BTW.

3.2. Verweerder heeft zich in beroep primair op het standpunt gesteld dat eiser expliciet en meermalen heeft geweigerd de voor beoordeling van zijn verzoek om schadevergoeding vereiste dagritten- en weekstaten over te leggen. Eiser heeft zijn verzoek om schadevergoeding op andere wijze onderbouwd. In het bestreden besluit is eisers verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen. De door eiser eerst in beroep overgelegde dagritten- en weekstaten dienen buiten beschouwing te blijven. Eisers beroep is ongegrond, aldus nog altijd verweerder.

4.1. De rechtbank overweegt als volgt. Op 11 februari 2010 heeft er - naar aanleiding van eisers bezwaar tegen de intrekking van eisers belanghebbendenvergunning - een hoorzitting van verweerders bezwaarschriftencommissie plaatsgehad. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat aan eiser is gevraagd waarom hij de procedure wil voortzetten nu hij naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2010 weer toegang had tot de taxistandplaats CS. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij de procedure wil voortzetten vanwege inkomstenderving. De voorzitter van de commissie heeft toen tegen eiser gezegd dat hij zal moeten aantonen dat sprake is van verminderde inkomsten. Dit zal uit de stukken moeten blijken.

4.2. Daarna is met eiser besproken hoe de procedure zou worden voortgezet. Een nieuwe hoorzitting, waarin het huidige bezwaar en het verzoek tot inkomstenvergoeding worden behandeld. Of een nieuwe hoorzitting specifiek voor het verzoek tot inkomstenvergoeding nadat het eerste bezwaar is afgerond. Eiser heeft daarop geantwoord dat het achter elkaar voeren van de procedures kan, maar veel tijd kost. De voorzitter heeft toen met partijen afgesproken dat eiser twee weken de tijd krijgt om stukken op te sturen ter onderbouwing van zijn verzoek om schadevergoeding waarna verweerder twee weken de tijd krijgt om daarop te reageren.

4.3. De rechtbank leidt uit het verslag van de hoorzitting van 11 februari 2010 af dat eiser ermee heeft ingestemd dat zijn verzoek om schadevergoeding onderdeel zou gaan uitmaken van de heroverweging in bezwaar van het primaire besluit waarmee zijn belanghebbendenvergunning was ingetrokken. Dit zou naar verwachting sneller gaan dan het na elkaar voeren van twee afzonderlijke procedures. Eiser wilde dus niet dat er eerst op zijn bezwaar zou worden beslist en daarna een afzonderlijk (primair) besluit zou worden genomen op zijn verzoek om schadevergoeding.

5.1. Bij brief van 23 februari 2010 heeft eiser verweerder voor het eerst schriftelijk verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade. Bij deze brief heeft eiser - ter onderbouwing van zijn verzoek - een schadeoverzicht van zijn administratiekantoor van 25 februari 2010 gevoegd. Het gemiddeld opgereden bedrag over de periode 25 september 2009 tot en met 24 december 2009 is daarin becijferd op € 186,66 exclusief BTW. Het gemiddeld opgereden bedrag over de periode 25 december 2009 tot en met 24 januari 2010 is € 111,14 exclusief BTW. Het bedrag aan gederfde inkomsten over de periode 25 december 2009 tot en met 24 januari 2010 berekend op € 1.705,44 exclusief BTW, zijnde het verschil per dienst van € 77,52 maal 22 diensten. Deze berekening wordt door partijen de oprijdverklaring genoemd. Daarnaast wil eiser vergoeding van de kosten van administrateur en het door hem betaalde griffierecht, zodat de totale schade volgens hem € 2.003,94 exclusief BTW is.

5.2. Bij brief van 11 maart 2010 heeft de bezwaarschriftencommissie eiser verzocht om het schadeoverzicht van zijn administratiekantoor nader te onderbouwen met dagritten- en weekstaten met betrekking tot de referteperiode van 25 september 2009 tot en met

24 december 2009 en dagritten- en weekstaten over de periode van 25 december 2009 tot en met 24 januari 2010.

5.3. Op 25 maart 2010 heeft er een tweede hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de voorzitter eiser bij die gelegenheid heeft gevraagd of hij de brief van 11 maart 2010 heeft ontvangen met het verzoek van de commissie om dagritten- en weekstaten. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij de brief heeft ontvangen, maar zich niet gehouden acht om de gevraagde gegevens over te leggen, omdat zijn administratie privé is. De gemachtigde van verweerder heeft vervolgens gezegd dat alleen indien deze dagritten- en weekstaten worden overgelegd er duidelijkheid kan worden verkregen over de werkzaamheden die eiser feitelijk heeft verricht in de betreffende periode. Eiser heeft daarop laten weten dat hij eerst met zijn zus wil overleggen. Zij is juriste. Met eiser is afgesproken dat hij binnen een week zal berichten of hij bereid is de gevraagde stukken over te leggen. Indien eiser geen andere gegevens zou overleggen, dan zou zijn verzoek om schadevergoeding blijkens het verslag worden beoordeeld op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden.

5.4. Bij brief van 4 april 2010 heeft eiser - voor zover hier van belang - het volgende aan de bezwaarschriftencommissie geschreven: “Bij het bepalen van omzetderving door stilstand na autoschades is het gebruikelijk dat een verklaring van het gemiddeld opgereden bedrag per dienst opgesteld door het administratiekantoor voldoende is voor het bepalen en uitbetalen van de schade. In ben van mening dat deze methode in dit geval ook voldoende zou moeten zijn. Op 25 maart jl. ben ik op verzoek van het college op het kantoor aan de Stadhouderskade verschenen. Ik had de gevraagde stukken ter inzage meegenomen. Echter, de gemeente nam geen genoegen met inzage ter plekke en eiste de inlevering van de kopieën. Navraag bij het IVW [Inspectie Verkeer en Waterstaat, rechtbank] heeft opgeleverd dat de gemeente Amsterdam niet bevoegd is mijn volledige administratie op te eisen. Ik zal mijn rittenkaarten en weekstaten niet bij u inleveren aangezien u niet bevoegd bent deze op te vragen”.

6.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder naar aanleiding van eisers verzoek om schadevergoeding van eiser mocht vragen dat hij (kopieën van) de betreffende dagritten- en weekstaten aan verweerder zou overleggen. Anders dan eiser meent, heeft verweerder deze gegevens nodig om een verantwoorde beslissing op eisers verzoek om schadevergoeding (zijn aanvraag) te kunnen nemen. Alleen daaruit kan immers blijken welke ritten eiser meestal vanaf de taxistandplaats CS reed in de referteperiode van 25 september 2009 tot en met 24 december 2009 en welke ritten eiser in plaats daarvan in de periode van 25 december 2009 tot en met 24 januari 2010 heeft gereden. Deze informatie blijkt niet uit de door eiser overgelegde oprijdverklaring, omdat daarin slechts voor elke periode een gemiddeld opgereden bedrag is genoemd. Nu niet in geschil is dat eiser over de dagritten- en weekstaten beschikte, diende hij deze gegevens dus in beginsel aan verweerder(s bezwaarschriftencommissie) te verschaffen.

7.1. Eisers stelling dat hij niet was gehouden de gevraagde dagritten- en weekstaten over te leggen omdat dit privédocumenten zijn, volgt de rechtbank niet.

7.2. In artikel 3:4, eerste lid, van de Awb is - voor zover hier van belang - bepaald dat de aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te overleggen voor zover het belang daarvan voor de beslissing door het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Eiser heeft niet toegelicht waarom het verstrekken van de gevraagde dagritten- en weekstaten een (mogelijke) schending van zijn persoonlijke levenssfeer zou opleveren,. Daar tegenover staat dat deze gegevens van essentieel belang zijn voor verweerders beslissing op eisers aanvraag. Eisers stelling dat hij niet juridisch is onderlegd en dat hij op advies van IVW en zijn zus de gevraagde gegevens niet heeft verschaft, komt naar het oordeel van de rechtbank voor eisers rekening en risico. Dat eiser (ten onrechte) op die adviezen heeft vertrouwd, kan verweerder immers niet worden tegengeworpen.

7.3. De rechtbank gaat eveneens voorbij aan eisers stelling dat de bezwaarschriftencommissie in eerste instantie akkoord zou zijn gegaan met de oprijdverklaring, maar daar later geen genoegen meer mee nam. Dat dit (tijdens de eerste hoorzitting) zou zijn gezegd, is niet gebleken. Wel staat vast dat eiser tijdens de tweede hoorzitting is gezegd dat dagritten- en weekstaten noodzakelijk waren om zijn verzoek om schadevergoeding te beoordelen.

7.4. Vast staat ook dat eiser wist wat de consequenties van het niet-overleggen van de gevraagde dagritten- en weekstaten waren. Ter zitting van 30 september 2011 heeft eiser immers desgevraagd verklaard: “Er is gezegd dat als ik de rittenstaten niet zou inleveren, de schade niet uitgekeerd zou worden”.

8.1. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser de gevraagde dagritten- en weekstaten uiterlijk in het kader van de bezwaarprocedure aan verweerder had moeten overleggen. Eiser heeft dat ten onrechte geweigerd. Nu deze gegevens ten tijde van de beslissing op bezwaar niet voorhanden waren, heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding terecht als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

9.1. In beroep heeft eiser alsnog de gevraagde dagritten- en weekstaten overgelegd. Voor zover eiser heeft willen stellen dat hij zijn verzoek om schadevergoeding daarmee alsnog heeft onderbouwd en (dus) voor toewijzing in aanmerking komt, slaagt die beroepsgrond niet.

9.2. Naar het oordeel van de rechtbank komt in een aanvraagsituatie als de onderhavige in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of bescheiden die na het besluit op die aanvraag (in dit geval: het bestreden besluit) zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde (herstel)termijn te verstrekken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 maart 2011, LJN: BP7240). In dit geval is echter niet gebleken dat eiser redelijkerwijs niet in staat is geweest om de door verweerder opgevraagde gegevens binnen de hem geboden (herstel)termijn te verstrekken.

9.3. De rechtbank acht in dat verband ook van belang dat verweerder na het overleggen van de dagritten- en weekstaten door eiser in beroep, heeft aangeboden om die bescheiden alsnog door het gemeentelijk verzekeringsbedrijf (VGA Verzekeringen) te laten beoordelen. Ook dat heeft eiser geweigerd. Eiser heeft het dus aan zichzelf te wijten dat verweerder de eerst door hem in beroep overgelegde stukken niet (alsnog) heeft betrokken bij de beoordeling van zijn verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft zich vervolgens op het (formele) standpunt kunnen stellen daartoe ook niet gehouden te zijn. Eiser is er dus ten onrechte vanuit gegaan dat in de beroepsprocedure alsnog naar de dagritten- en weekstaten gekeken zou (moeten) worden.

10.1. Aan het voorgaande doet niet af dat de rechtbank verweerder in de schorsingsbeslissing van 5 april 2011 heeft opgedragen om de dagritten- en weekstaten (alsnog) te laten beoordelen door VGA Verzekeringen. Partijen hebben naar aanleiding van het vervolgens door verweerder in het geding gebrachte expertiserapport van VGA Verzekeringen en eisers reactie daarop, tijdens de nadere zitting met elkaar onderhandeld over een door verweerder aan eiser te betalen schadevergoeding. Zij zijn het niet eens geworden.

11.1. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond en wijst eisers verzoek om schadevergoeding (dus) af.

11.2. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB