Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BV0302

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
AWB 11-3908 WABO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX7683, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de legalisering van een dakopbouw. Gewijzigd beleid inhoudende liberalisering van de achterkanten van panden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3908 WABO

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1],

[eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. H.A.H. Stam,

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. T.M. van Gorsel.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

[vergunninghoudster],

wonende te [woonplaats],

vergunninghoudster,

gemachtigde mr. G.L.M. Teeuwen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a en c en artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2011.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor de legalisering van de vernieuwing van een dakopbouw op de achterzijde van de derde verdieping van het perceel [A-straat nr. 2].

2. Eerdere uitspraken van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in zaken tussen eisers en vergunninghoudster hadden betrekking op de weigering van een bouwvergunning voor de dakuitbouw omdat er sprake was van strijd met artikel 21, eerste lid, sub b, onder 3 van de voorschriften bij het bestemmingsplan Stadion- en Beethovenbuurt 1996. De rechtbank acht deze uitspraken niet van direct belang voor de beoordeling van dit beroep.

3. De aanvraag is op 15 december 2010 ontvangen, zodat daarop de Wabo van toepassing is. Het bouwplan is nog steeds in strijd met (artikel 21 van de voorschriften bij) het bestemmingsplan Stadion- en Beethovenbuurt 1996, maar verweerder heeft nu een omgevingsvergunning verleend omdat het beleid is gewijzigd. Het nieuwe beleid, zoals vervat in de notitie “Stadion- en Beethovenbuurt”, vastgesteld in oktober 2010, is gericht op het liberaliseren van de achterkanten. De aanvraag valt bovendien in de categorie gevallen waarvoor op basis van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan worden afgeweken van het geldende bestemmingsplan. Aanpassing kan in het huidige bestemmingsplan alleen als de gehele eenheid wordt aangepast. Aan weerszijden van het pand zijn aan de achterzijden dakuitbouwen uitgevoerd waardoor deze dakuitbouw in de praktijk niet leidt tot een verdere verstoring van de samenhang binnen de architectonische en stedenbouwkundige eenheid. Bovendien is de dakuitbouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg en is de welstandscommissie positief over het plan.

4.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (…).

4.2. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

4.3. Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

4.4. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, onder 2, van de Wabo, kan, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

4.5. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van Bijlage II bij het Bor, voor zover van belang, komen voor de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking:

…4. een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw; …

5. De rechtbank deelt niet de stelling van eisers in beroep dat verweerder de aanvraag van vergunninghoudster niet in behandeling had mogen nemen nu geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Er is hier sprake van een gewijzigd wettelijk kader, te weten de Wabo en het BOR, die meer ruimte bieden voor dakopbouwen, er is sprake van gewijzigd beleid inhoudende liberalisering van de achterkanten en verweerder anticipeert al op het nieuwe beleid, aangezien er voor een vergelijkbare dakopbouw in de [B-straat nr] eveneens is afgeweken van het bestemmingsplan. Er is dus sprake van relevante nieuwe omstandigheden. Verweerder heeft de aanvraag terecht in behandeling genomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6.1. Eisers stellen verder dat er sprake is van een incongruentie tussen de aanvraag (waarop stond ‘gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van de dakopbouw’) aan de ene kant en de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden en de tekst van de vergunning (‘veranderen en vernieuwen’) aan de andere kant. Ook de bouwtekeningen verschaffen geen duidelijkheid of het nu een gedeeltelijke of gehele vernieuwing betrof/betreft.

6.2. Verweerder stelt dat het voor het verlenen van de omgevingsvergunning niet uitmaakt of sprake is van het geheel of gedeeltelijke vernieuwen van de dakopbouw.

6.3. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het voor het verlenen van deze omgevingsvergunning niet van belang is of sprake is van het geheel dan wel van het gedeeltelijk vernieuwen van de dakopbouw. Nu de dakopbouw feitelijk aanwezig is maar daarvoor nog niet eerder een bouw- of omgevingsvergunning is verleend, moet de omgevingsvergunning geacht worden te zijn verleend voor de gehele dakopbouw, als aangegeven op de tekeningen, ook al is slechts een deel feitelijk vernieuwd. Er is geen grond voor het oordeel dat het eisers, mede gelet op de bouwtekeningen en de eerdere procedures, niet duidelijk is om welk bouwplan het gaat. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

7.1. Eisers stellen verder dat de Afdeling in eerdere procedures, anders dan verweerder stelt, heeft geoordeeld dat de dakopbouw vanwege welstandsaspecten niet kan worden gelegaliseerd.

7.2. Verweerder heeft aangegeven dat de welstandscommissie al in 2004 positief heeft geadviseerd over dit bouwplan. Op 2 februari 2011 heeft de welstandscommissie geconstateerd dat de reeds uitgevoerde gevelwijziging in schaal, materialisering en detaillering beter aansluit op de karakteristiek van de bestaande architectuur dan de in de jaren ’80 aangebrachte gevel met schuifpui en ramen met borstwering.

7.3. De rechtbank stelt vast dat het geschil in de eerdere uitspraken van de Afdeling steeds ging over de vraag of het bouwplan al dan niet in strijd was met het bestemmingsplan en of het bouwplan onder het overgangsrecht viel. De stelling van eisers berust dan ook niet op een feitelijke grondslag. De welstandscommissie heeft voor dit bouwplan bovendien een positief advies afgegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Eerst ter zitting hebben eisers gesteld dat de dakopbouw niet overeenstemt met kapprofiel K van het bestemmingsplan Stadion- en Beethovenbuurt 1996. Daargelaten of dat voor deze omgevingsvergunning relevant is, is de rechtbank na bestudering van de tekeningen met verweerder van oordeel dat het bouwplan in overeenstemming is met kapprofiel K. De dakopbouw komt immers niet bovenop het bestaande dak, maar op de derde bouwlaag.

9.1. Eisers stellen verder dat verweerder, door de vergunning te verlenen, onrechtmatig jegens eisers handelt omdat zij daardoor in hun belangen worden geschaad. Het gaat om het belang bij handhavend optreden (vanwege het verminderde uitzicht en lichtinval), maar ook om de processuele belangen van eisers. Verweerder komt tot besluitvorming die haaks op die van de Afdeling staat. Eisers willen vergoeding van hun schade.

9.2. Verweerder heeft gesteld al eerder te hebben besloten niet handhavend tegen de uitbouw te zullen optreden. Dan ligt het voor de hand dat legalisatie plaatsvindt. Het is de uitdrukkelijke bedoeling dat deze specifieke dakopbouw in het nieuwe bestemmingsplan wordt gelegaliseerd, zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven. Eisers worden niet in hun belangen geschaad door het verlenen van deze vergunning. Het betreft een uitbouw op de zolderverdieping. De percelen [A-straat nr. 1] en [nr. 2] bestaan uit vier woonlagen. De dakuitbouw is vanuit de eerste drie bouwlagen in het geheel niet zichtbaar. Op de vierde bouwlaag zullen eisers moeite moeten doen om de dakuitbouw van de [A-straat nr. 2] te zien. Er is geen sprake is van verminderde lichtinval en waardevermindering. In een eerder procedure is dat al onderzocht. Dat de woning van eisers in waarde zal verminderen is dan ook niet aannemelijk, aldus verweerder.

9.3. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank ziet in dit geval geen enkele grondslag voor het toekennen van schadevergoeding.

10. Het beroep van eisers is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. Breimer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 november 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB