Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9792

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
HA RK 2011.45
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ex art 36 Rv. Het verzoek betreft een civiele rechter.

Het verzoek is afgewezen.

De rechter heeft een nadere toelichting met bewijsstukken op het verzoek verlangd op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan het voor verzoekers redelijkerwijs niet mogelijk is om op de zitting te verschijnen. Verzoekers zijn van mening dat met de door verzoeker overgelegde brief en de verklaring van zijn huisarts geoordeeld had moeten worden dat aannemelijk kon worden geacht dat er zich een omstandigheid voordeed die verschijning in persoon verhinderde. Verzoekers doen uitdrukkelijk een beroep op eerder door wrakingskamer gegeven beslissing waarin zich een soortgelijke casus voordeed.

De wrakingskamer is van oordeel dat hier geen sprake is van een onbegrijpelijke beslissing. De door de rechter genomen beslissing is gebaseerd op hoor en wederhoor en genomen op grond van de door verzoekers ingebrachte stukken. De aan de afwijzing van het verzoek gegeven motivering levert geen feit of omstandigheid op die een aanwijzing oplevert dat de rechter partijdig is noch kan daaruit de objectief gerechtvaardigde vrees bij verzoekers zijn gerezen dat het de rechter aan de benodigde onpartijdigheid ontbreekt. Dit volgt evenmin uit de stellingen van verzoekers. De door verzoekers aangehaalde beslissing van de rechtbank doet aan het voorgaande niet af nu in die zaak een eerste aanhoudingsverzoek ongemotiveerd was afgewezen en op een tweede nader gemotiveerde verzoek in het geheel niet was beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 14 februari 2011 ingekomen en onder rekestnummer

HA RK 2011.45 ingeschreven verzoek van:

1. De besloten vennootschap MR. [verzoeker] B.V.,

statutair gevestigd te Nieuwegein en kantoorhoudende te Amsterdam.

2. Mr. [verzoeker],

verzoekers,

advocaat mr. J.H. Brouwer,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter], rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- het verzoek tot wraking met bijlagen van 14 februari 2011;

- het proces-verbaal met bijlagen van een op 20 januari 2011 gehouden comparitie van partijen;

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 maart 2011 waar mr. [verzoeker] (hierna: verzoeker) namens verzoekers en de rechter zijn verschenen.

De uitspraak is nader bepaald op 22 maart 2011.

1. Feiten

a) Verzoekers zijn gedaagde partijen in een bij de rechter aanhangige zaak onder nummer [rolnummer]. Bij vonnis van 29 september 2010 is een comparitie van partijen gelast die is gehouden op 20 januari 2011.

b) Om medische redenen van verzoeker heeft de advocaat van verzoekers bij e-mailbericht op 18 januari 2011 verzocht de comparitie aan te houden onder overlegging van een brief van 17 januari 2011 van verzoeker.

c) Bij e-mailbericht van 19 januari 2011 heeft de rechter de advocaat van verzoekers gewezen op het bepaalde in artikel 1.9 van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken en onder meer om een nadere toelichting met bewijsstukken verzocht op grond waarvan aannemelijk kon worden geacht dat er zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan het voor verzoekers redelijkerwijs niet mogelijk is om op de zitting te verschijnen. Verder heeft de rechter een toelichting verzocht waarom de advocaat niet ter comparitie kon verschijnen.

d) Bij email van 20 januari 2011 heeft de advocaat van verzoekers een nadere toelichting gegeven onder overlegging van een brief van 19 januari 2011 van verzoeker waarin deze een toelichting heeft gegeven op de medische redenen en een verklaring van de huisarts van verzoeker.

e) Bij email van 20 januari 2011 heeft de advocaat van de eisende partij gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen het verzoek om aanhouding van de comparitie.

f) Bij email van 20 januari 2011 heeft de rechter het verzoek om aanhouding afgewezen op de navolgende gronden: β€œNa kennisname van uw beide mails heb ik besloten dat de comparitie vanmiddag doorgang zal vinden zoals gepland. Met mr. [advocaat wederpartij] ben ik van oordeel dat de - doorgestuurde - argumenten van mr. [verzoeker] niet overtuigen. Bewijsstukken, zoals door mij verzocht, waaruit aannemelijk kan worden dat de afgelopen dinsdag aangevoerde klemmende reden - ziekenhuisbezoek - zich daadwerkelijk voordoet en waaruit voorts blijkt wanneer die omstandigheid is opgekomen, zijn niet overgelegd. Bovendien wordt thans gesteld dat die opgevoerde klemmende reden zich inmiddels niet meer voordoet, maar dat daarvoor een andere in de plaats is gekomen, te weten een periodieke verergering van de chronische ziekte van mr. [verzoeker]. In dat kader is een verklaring van een huisarts overgelegd, die daarover evenwel niets concreets meldt. De verklaring houdt slechts in dat mr. [verzoeker] volgens de ondertekenaar door ziekte niet in staat is om te werken. Daaruit blijkt onvoldoende dat het voor mr. [verzoeker] onmogelijk is om naar de zitting te komen, terwijl het – in zijn uiterst summiere vorm - ook geen ondersteuning kan bieden voor het eigen relaas van mr. [verzoeker] over het huidige (verloop) van zijn ziekte. Evenmin blijkt waarop de betreffende arts zijn oordeel heeft gebaseerd, of hij zijn client ook daadwerkelijk heeft gezien en onderzocht wat zijn bevindingen waren. Bij gebreke van aannemelijk geworden klemmende redenen en overmacht om de rechtbank daarover tijdig te informeren, wordt het verzoek om aanhouding dus afgewezen.”

g) Uit het proces-verbaal van de op 20 januari 2011 gehouden comparitie blijkt dat de zaak naar de rol van 9 maart 2011 is verwezen voor vonnis.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden.

2.2 De rechter heeft een nadere toelichting met bewijsstukken op het verzoek verlangd op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan het voor verzoekers redelijkerwijs niet mogelijk is om op de zitting te verschijnen. Verzoekers zijn van mening dat met de brief van verzoeker van 19 januari 2011 en de verklaring van zijn huisarts geoordeeld had moeten worden dat aannemelijk kon worden geacht dat er zich een omstandigheid voordeed die verschijning in persoon verhinderde. Verschijning ter zitting is in het onderhavige geval gelijk te stellen aan werken. Verzoeker was door ziekte niet in staat om te werken.

2.3 Onder de gegeven omstandigheden, waaronder de tijdsdruk, is het onredelijk bezwarend om een meer uitvoerige verklaring van de huisarts te verlangen, temeer nu tevoren door de rechter niet is aangegeven dat hij nadere respectievelijk hogere eisen stelde aan de inhoud van een medische verklaring. Van algemene bekendheid mag worden verondersteld dat de medische sector in de regel terughoudend is bij het afgeven van verklaringen. Conform de KNMG-richtlijnen mag een behandelend arts geen verklaring afgeven. Dat dient te geschieden door een onafhankelijke arts. Verzoekers verwijzen naar een door verzoeker aan zijn huisarts overhandigde brief van 10 februari 2011 ter nadere toelichting op het door hen gevoerde gesprek op 19 januari 2011.

2.4 Verzoekers doen uitdrukkelijk een beroep op de beslissing van de wrakingskamer inzake rekestnummer 2010.944 waarin zich een soortgelijke casus voordeed. Op grond van het voorgaande zijn verzoekers van mening dat er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De rechter heeft blijk gegeven van een persoonlijke overtuiging en of zodanig gedrag dat de conclusie moet worden getrokken dat de rechter partijdig is, danwel dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft bestreden dat er sprake is van partijdigheid dan wel de schijn van partijdigheid. De rechter is van mening dat uit zijn beslissing om de zaak niet aan te houden geen vooringenomenheid blijkt, noch de schijn daartoe is gewekt.

4. De ontvankelijkheid van het verzoek

Op grond van de wet dient het verzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die tot de wraking aanleiding hebben gegeven aan de verzoeker bekend zijn geworden. De comparitie heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011. Het verzoek is gedaan op 11 februari 2011. Verzoekers hebben aangevoerd dat het verzoek niet eerder is gedaan omdat verzoeker ziek was. De rechtbank zal de ontvankelijkheidsvraag in het midden laten en het verzoek inhoudelijk beoordelen.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv, dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

5.2 Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3 De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat aan de door verzoekers aangevoerde omstandigheden geen aanwijzing is te ontlenen dat de rechter - subjectief - partijdig was. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat het geval zijn indien de rechter blijk geeft van een voor de zaak mogelijk relevante opvatting die niet door bestudering van de voor de beslissing op het aanhoudingsverzoek relevante stukken is ontstaan dan wel op grond van factoren van persoonlijke aard (irritatie dan wel animositeit van de rechter jegens verzoekers die niet terug te voeren zijn op de zaak die wordt behandeld). Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen aanknopingspunt gevonden.

5.5 Het gesloten systeem van rechtsmiddelen biedt geen ruimte voor een beoordeling van de juistheid van een door de rechter genomen beslissing. Grond voor wraking bestaat alleen als deze beslissing een feit oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, althans dat daardoor de betrokken partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.6 Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De door de rechter genomen beslissing is gebaseerd op hoor en wederhoor en genomen op grond van de door verzoekers ingebrachte stukken. De aan de afwijzing van het verzoek gegeven motivering levert geen feit of omstandigheid op die een aanwijzing oplevert dat de rechter partijdig is noch kan daaruit de objectief gerechtvaardigde vrees bij verzoekers zijn gerezen dat het de rechter aan de benodigde onpartijdigheid ontbreekt. Dit volgt evenmin uit de stellingen van verzoekers. De door verzoekers aangehaalde beslissing van de rechtbank in de zaak met rekestnummer 2010.944 doet aan het voorgaande niet af nu in die zaak een eerste aanhoudingsverzoek ongemotiveerd was afgewezen en op een tweede nader gemotiveerde verzoek in het geheel niet was beslist.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de zaak met rolnummer [rolnummer] wordt voortgezet in de stand waarin de procedure zich bevond ten tijde van indiening van het verzoek.

Aldus gegeven door mr. F.G. Bauduin, voorzitter, en mrs. R.H. de Vries en C.M. Degenaar, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.