Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9738

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
Parketnummer 13-670603-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ripdeal waarbij hasj is buitgemaakt. Extra overweging nu de hasj niet in de aangifte was opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/670603-11 (Promis)

Datum uitspraak: 18 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1982],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Havenstraat" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Morra, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 juni 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen één of meer (mobiele) telefoon(s) (merk Nokia en/of Blackberry Torch) en/of één of meer pasje(s) (GVB en/of OV chip en/of zonnebank pas en/of ABN-AMRO bankpasje(s))en/of een ID kaart en/of een rijbewijs en/of een schoudertas (merk Hugo Boss) en/of sleutel(s) en/of een horloge (Frank Muller) en/of één of meer betalingsbewij(s)(zen) en/of één of meer geldbedrag(en) (circa 50 euro) en/of een hoeveelheid hasj, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) aan die [slachtoffer] een stroomstootwapen heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of (vervolgens) met voornoemd stroomstootwapen één of meer stroomsto(o)t(en) heeft/hebben gegeven en/of (vervolgens) één of meermalen voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben geschopt en/of getrapt tegen zijn hoofd, in elk geval tegen zijn lichaam (terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag) en/of (vervolgens) één of meer hand(en) van voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben vastgebonden met één of meer tie-warps;

2.

hij op of omstreeks 27 juni 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4,26 kilogram hasj en/of 9,13 kilogram hasj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasj), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat, in verband met het onder 1 en 2 ten laste gelegde, op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.i

Op 27 juni 2011 vinden verschillende telefoongesprekken plaats tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte].ii In een van die gesprekken zegt [medeverdachte] tegen verdachte "die jongen zei 5 uur is ie hier beneden (..) met die dinges" en "als je komt dan heb je 10 kop in je zak en als je niet komt dan heb je niks in je zak".iii In een telefoongesprek van 16:45 uur vraagt verdachte aan [medeverdachte] hoe laat ze gaan stelen.iv [medeverdachte] is op dat moment op het adres [A-straat nr] te Amsterdam.v

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verdachte en een andere persoon gezegd dat zij de hasj gaan afpakken.vi

Tussen 18:00 uur en 18:30 uur is [slachtoffer] samen met "[bijnaam medeverdachte]" in een lift van een flat in de [A-straat] te Amsterdam gestapt.vii Medeverdachte [medeverdachte] is "[bijnaam medeverdachte]".viii In de lift zijn op enig moment ook andere personen aanwezig, onder wie verdachte.ix [slachtoffer] hoort een knetterend geluid van elektriciteit en ziet een blauwachtige schittering. Hij voelt een klap en een stroomstoot aan de rechterzijde van zijn nek. Als gevolg van de stroomstoot valt hij op de grond. Op de grond gelegen worden hem meerdere stroomstoten in zijn nek toegediend. Hij is meermalen tegen zijn hoofd geschopt. Hij voelt dat goederen die hij bij zich draagt hem worden afgenomen. Een man beveelt hem de handen op zjkijn rug te doen, waarna deze met behulp van tie-wraps aan elkaar gebonden worden.x Bij [slachtoffer] wordt letsel geconstateerd, bestaande onder meer in bloeduitstorting en roodheid op het voorhoofd en schaafwonden aan de onderzijde van beide polsen. Een van de klachten van [slachtoffer] betreft nekpijn. Het letsel past volgens de geneeskundige goed bij de toedrachtxi. Voor het plegen van het feit heeft hij geen toestemming gegeven.xii

Op 27 juni 2011 te 18.36 uur wordt waargenomen dat medeverdachte [medeverdachte] samen met twee andere personen, aanwezig is in de woning [A-straat nr]. In de woning bevinden zich een weekendtas en een geel/witte boodschappentas.xiii

Omstreeks 19:07 uur reizen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met een taxi naar [B-straat nr]. Verdachte en [medeverdachte] stappen op voornoemd adres uit en gaan met een camelkleurige weekendtas en een geel/witte boodschappentas [B-straat nr] binnen.xiv

Bij de doorzoeking van het adres [B-straat nr] te Amsterdam, waar verdachte en [medeverdachte] vervolgens worden aangehouden, zijn een gele boodschappentas inhoudende verschillende pakketten en een bruine tas inhoudende verschillende pakketten aangetroffen en in beslaggenomen.xv Na onderzoek blijkt dat eerstbedoelde pakketten 4,26 kg hasjiesj bevatten en dat laatstbedoelde pakketten 9,13 kg hasjiesj bevatten. Hasj is een middel dat is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet.xvi

[medeverdachte] verklaart dat de bij de huiszoeking aangetroffen spullen ongeveer 13 kilo hasj betreffen.xvii Ook verdachte wist dat er hasj in de pakketten zat.xviii

4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten bewezen. Zij wijst op verschillende getapte telefoongesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] - tussen wie volgens de officier van justitie een nauwe samenwerking bestond - over een op stapel staande ripdeal en over het afpakken van een hoeveelheid hasj. Ook wijst zij op de omstandigheid dat bij de huiszoeking daadwerkelijk een hoeveelheid hasj is aangetroffen. Dat door verschillende personen geweld is toegepast en ook in zoverre sprake is van het medeplegen daarvan door verdachte, leidt zij af uit de aangifte van [slachtoffer] en de letselbeschrijving. De officier van justitie acht op grond van wat [slachtoffer] bij de aangifte heeft verklaard, bewezen dat - naast hasj - ook de verschillende door [slachtoffer] genoemde goederen zijn weggenomen.

4.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen. Hiertoe heeft hij primair aangevoerd dat sprake is van onvoldoende wettig bewijs. De verklaring van [slachtoffer] bij de aangifte moet als onbetrouwbaar worden bestempeld en kan om deze reden niet bijdragen aan het bewijs. Volgens de raadsman kan niet worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte over wat zich in de lift heeft afgespeeld, juist is. Voorts heeft hij erop gewezen dat steunbewijs voor een door verdachte gepleegde uitvoeringshandeling ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsman erop gewezen dat bewijs ontbreekt voor de vaststelling dat de goederen die [slachtoffer] in diens aangifte noemt, zijn weggenomen.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte ook van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van dit feit. Verdachte heeft de betrokken middelen niet voorhanden gehad en deze zijn niet onder hem aangetroffen.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ontleent aan de onder 4.1. opgenomen wettige bewijsmiddelen de overtuiging dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het mag duidelijk zijn dat aangever [slachtoffer] niet de volledige waarheid heeft verteld waar het de weggenomen goederen betreft. Mogelijk zijn hem enkele van de in zijn aangifte genoemde goederen afgenomen; voldoende bewijs daarvoor bevat het dossier niet. Naar het zich laat aanzien heeft aangever [slachtoffer] niet willen vertellen dat van hem een hoeveelheid hasj is afgenomen, omdat hij in de niet geheel onjuiste veronderstelling verkeerde dat hij zich hierdoor in strafrechtelijke zin in de problemen zou brengen. Dat hij op dit onderdeel niet de waarheid heeft verteld, maakt evenwel niet dat aan de essentie van zijn verklaring - te weten dat hij van iets is beroofd - moet worden getwijfeld. De reden hiervoor is dat zijn verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Zo hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] telefonisch gesproken over een moment waarop zou worden gestolen. Ook heeft [medeverdachte] toegegeven dat het zijn plan was om de hasj van aangever af te pakken. Als dan vervolgens aangever zegt dat hij bestolen is, hij letsel heeft dat past bij de toedracht zoals hij die heeft beschreven, verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en anderen op dat moment in de directe nabijheid zijn van aangever en de hasj waarvan [medeverdachte] en verdachte zeggen dat die van aangever afkomstig is niet veel later in het bezit is van verdachte en medeverdachte [medeverdachte], is de conclusie gerechtvaardigd, dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en anderen die hasj zojuist van aangever hebben afgenomen en daarbij het door aangever beschreven geweld hebben toegepast.

De door verdachte gegeven alternatieve lezing, inhoudende dat hij even voor het geweld begon de hasj in handen kreeg van aangever, acht de rechtbank - mede in het licht van het bovenstaande - onvoldoende aannemelijk.

Verdachte heeft als alternatief scenario opgevoerd dat [slachtoffer] zelf een gevecht is begonnen in de lift met de daar aanwezige derde persoon en voorafgaand daaraan de hasj in handen van [medeverdachte] heeft gedrukt. Verdachte en [medeverdachte] zouden toen de lift verlaten hebben. Dit scenario vindt weerlegging in de onder 4.1 genoemde bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk gemaakt.

Op de in 4.1. opgenomen feiten en omstandigheden baseert de rechtbank haar conclusie dat - zowel ten aanzien van het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde - sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte]. Zo kan uit het onder 4.1 aangehaalde tapgesprek worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte] een dergelijke samenwerking ook voor ogen stond en dat verdachte zou profiteren van de uit het te plegen delict te behalen opbrengst. Ook de omstandigheden dat verdachte de boodschappentas met pakketten hasj heeft gedragen en dat [medeverdachte] en hij ten tijde van het delict vrijwel voortdurend in elkaars nabijheid zijn geweest en, uiteindelijk, ook in dezelfde woning zijn aangehouden, dragen aan dit oordeel bij.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 27 juni 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid hasj, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en één of meer van zijn mededaders die [slachtoffer] met een stroomstootwapen stroomstoten hebben gegeven en voornoemde [slachtoffer] hebben geschopt tegen zijn hoofd, terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag, en de handen van voornoemde [slachtoffer] hebben vastgebonden met tie-wraps;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 27 juni 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,26 kilogram hasj en 9,13 kilogram hasj.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het slachtoffer van feit 1 geen doorsnee burger is, maar iemand die zich welbewust in het drugsmilieu begeeft. Voorts heeft de raadsman er op gewezen dat verdachte werd omgepraat om mee te doen, hetgeen beïnvloedbaarheid veronderstelt. Voordat verdachte werd aangehouden werkte hij. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de thuissituatie van verdachte. Hij heeft een vriendin en twee kinderen. Verdachte heeft ter zitting over die thuissituatie verklaard dat zijn jongste kind hartproblemen heeft; het kan volgens hem ieder moment fout gaan. Voorts heeft verdachte verklaard dat zijn vriendin recent geopereerd is. Zowel met zijn vriendin als met zijn zoontje gaat het niet goed.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een of meer anderen schuldig gemaakt aan diefstal van een partij hasj, waarbij bruut geweld is gebruikt. Door aldus te handelen draagt verdachte bij aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid. Het feit dat het slachtoffer zich, zoals de raadsman heeft betoogd, welbewust in het drugsmilieu begeeft, doet aan de strafwaardigheid van verdachte niet af. Hasj kan gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid. Gezien de aard van de aangetroffen partij was deze bestemd voor de handel. Deze handel gaat vaak gepaard met vormen van criminaliteit, hetgeen in deze zaak ironisch genoeg is gebleken.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 juni 2011 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld in verband met een in de Opiumwet opgenomen delict, alsmede dat hij is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf voor meerdere vermogensdelicten waarbij geweld een rol speelde. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies van 9 augustus 2011 betreffende verdachte, opgemaakt door D. de Vries, reclasseringswerker bij het Leger des Heils, afdeling Jeugdzorg en Reclassering.

De rechtbank merkt op de gezondheidstoestand van zijn zoontje bij verdachte bekend was toen hij zich inliet met de thans bewezen geachte feiten. Het had naar het oordeel van de rechtbank in de rede gelegen dat dit een extra stimulans zou opleveren om van deelname af te zien.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en K.M. van Hassel, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 november 2011.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis te tekenen.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Een proces-verbaal met administratienummer 2011163737-28 van 27 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], bladzijde 195 e.v. en inhoudende de bevindingen van voormelde verbalisant.

iii Een geschrift zijnde de verslaglegging van een op 27 juni 2011 te 15:22 afgetapt telefoongesprek tussen de gebruiker met telefoonnummer 31-06-86438442 en de gebruiker met telefoonnummer 31-06-86478707, bladzijde 59 e.v.

iv Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 20011163737-28 van 29 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], bladzijde 195 en 196, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

v Een proces-verbaal met Administratienummer 162/11 in het onderzoek "Voeren" van 28 juni 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaren die bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland gekoppeld zijn aan de unieke nummers X-06, X-25, X-58, X-78, X-97, X-101, X-103 en X-108, bladzijde 71 e.v., inhoudende de waarnemingen van deze opsporingsambtenaren.

vi Een proces-verbaal met nummer 200111 van 29 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 2], bladzijde 188 e.v., inhoudende het verhoor van medeverdachte [medeverdachte].

vii Een proces-verbaal met nummer PL 132E 2011163737-1 van 27 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 7], bladzijde 85 e.v., inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

viii Een proces-verbaal met nummer PL132J 2011163737-35 van 19 juli 2011, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], bladzijde 367 e.v., inhoudende de verklaring van [slachtoffer], een proces-verbaal met nummer 2011173737 betreffende een fotobewijsconfrontatie van 19 juli 2011, opgemaakt door [verbalisant 5], bladzijde 370 e.v., en een proces-verbaal met nummer 20011163737 van 19 juli 2011, opgemaakt door [verbalisant 6], bladzijde 373 e.v., inhoudende de verklaring van laatstgenoemde verbalisant.

ix De verklaring van verdachte zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 november 2011, alsmede een proces-verbaal met nummer PL 132E 2011163737-1 van 27 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 7], bladzijde 85 e.v., inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

x Een proces-verbaal met nummer PL 132E 2011163737-1 van 27 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 7], bladzijde 85 e.v., inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

xi Een geschrift zijnde een fotokopie van een schriftuur met opschrift "geneeskundige verklaring - letselbeschrijving" betreffende [slachtoffer], gedateerd 29 juni 2011 en ondertekend door de geneeskundige U.L.J. Reijnders, bladzijde 364.

xii Een proces-verbaal met nummer PL 132E 2011163737-1 van 27 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 7], bladzijde 85 e.v., inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

xiii Een proces-verbaal met Administratienummer 162/11 in het onderzoek "Voeren" van 28 juni 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaren die bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland gekoppeld zijn aan de unieke nummers X-06, X-25, X-58, X-78, X-97, X-101, X-103 en X-108, bladzijde 71 e.v., inhoudende de waarnemingen van deze opsporingsambtenaren.

xiv Idem.

xv Een proces-verbaal met nummer 2011163737-21 van 28 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 3], bladzijde 125 e.v., inhoudende de verklaring van voormelde verbalisant en met als bijlage de goederen die in het huis zijn aangetroffen.

xvi Rapport met laboratoriumnummer 879N11, welk rapport naar waarheid, volledig en beste inzicht als forensisch expert is opgesteld en getekend op 1 juli 2011 door dr. P. Hommerson, bladzijde 362.

xvii Een proces-verbaal met nummer 2011163737-25 van 28 juni 2011, opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 9], bladzijde 183 e.v., inhoudende het verhoor van medeverdachte [medeverdachte].

xviii De verklaring van verdachte zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 4 november 2011