Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9571

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
EA 11-1562
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8922
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding in de opzegtermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2012/44
AR-Updates.nl 2011-1081
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : EA 11-1562

Datum : 12 december 2011

515

Beschikking van de kantonrechter te Amsterdam op een verzoek als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek, ingediend door:

[verzoeker],

wonende te Pruhonice (Tsjechië),

verzoeker,

hierna [verzoeker],

gemachtigde: mr. P.W.H.M. Dijkmans,

t egen:

[verweerster]

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerster,

hierna [verweerster],

gemachtigde: mr. J.M. van Slooten.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft op 12 oktober 2011 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

[verweerster] heeft op 17 november 2011 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 21 november 2011. [verzoeker] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. [verweerster] is verschenen bij [naam] en haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van overgelegde aantekeningen en over en weer op elkaars standpunten gereageerd. Van de behandeling ter terechtzitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd.

Vervolgens in beschikking bepaald op heden.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

De feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde bewijsstukken, wordt in dit geding het volgende als vaststaand aangenomen:

1.1. [verzoeker], thans 45 jaar oud, is sedert 31 augustus 1992 in dienst van [verweerster] laatstelijk als CEO in Oekraïne. Het brutosalaris bedraagt € 34.733,33 per maand.

1.2. Vanaf 1 mei 2004 tot 1 december 2010 was [verzoeker] CEO Czech Republic in Praag.

1.3. In maart 2010 heeft [verzoeker] een skitrip voor klanten van [verweerster] in Fieberbrunn georganiseerd.

1.4. Ter gelegenheid van het afscheid van [verzoeker] in Praag is door [verzoeker] aan de leden van het managementteam van [verweerster] een reisklokje gegeven met daarop de inscriptie “RJ”.

1.5. Op 9 juni 2011 is [verzoeker] door [verweerster] Corporate Security & Investigations (CSI) gehoord overeenkomstig de procedure bij onregelmatigheden (PBO). [verzoeker] heeft het daarvan opgemaakte verslag ondertekend.

1.6. Op 20 juni 2011 is [verzoeker] op het hoofdkantoor te Amsterdam op staande voet ontslagen. Aan hem is bij die gelegenheid de ontslagbrief van 20 juni 2011 uitgereikt. In de brief wordt vermeld, voor zover hier van belang:

“Hierbij bevestigen wij u het gesprek dat heden met u heeft plaatsgevonden. In dit gesprek is u meegedeeld dat [verweerster], hierna verder te noemen “[verweerster]”, de met u bestaande arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzegt. De redenen voor dit besluit zijn u in het gesprek reeds uiteengezet en uitgebreid toegelicht en worden in deze brief volledigheidshalve samengevat en herhaald. (..)

Valse factuur

Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat u bij het bedrijf Carollinium een aanschaf heeft gedaan van 20 Mont Blanc Travel Pieces (reisklok) ter waarde van in totaal circa € 5.400,-. (..) Nog veel kwalijker is echter het feit dat de door u in het systeem gebrachte factuur van Carollinum op uw uitdrukkelijk verzoek is gewijzigd. U hebt namelijk een derde partij, de heer Janeba, verzocht om in plaats van 20 Mont Blanc Travel Pieces op de factuur te vermelden dat het zou gaan om de aanschaf van 108 kerst cadeaus bestemd voor relaties. (..)

Overige geconstateerde feiten

Los van het bovenstaande, heeft het onderzoek van CSI onder andere aan het licht gebracht dat u bij meerdere gelegenheden zeer ruimhartig omspringt met het declareren van niet zakelijke uitgaven. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat u meer dan eens bij een zakelijke gelegenheid additionele privé kosten door [verweerster] laat betalen. Zo bent u in maart 2010 bij de ski trip naar Fieberbrunn een dag eerder gearriveerd en heeft u de additionele overnachting door [verweerster] laten betalen. Ook bij het jaarlijkse kerstfeest dat plaatsvond op 10 december 2010, heeft u om 20.15 uur en om 23.56 uur een fles champagne a € 112,- per stuk op uw kamer laten bezorgen op kosten van [verweerster]. (..)”

1.7. [verzoeker] heeft vervolgens verzocht om een kopie van het onderzoeksrapport van CSI, hetgeen door [verweerster] is geweigerd.

1.8. Op 20 september 2011 heeft [verzoeker] de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

1.9. Op 22 september 2011 heeft [verweerster] aan het UWV om toestemming verzocht de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerster], voor zover vereist, op te zeggen.

1.10. Op 9 november 2011 is aan [verweerster] toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen.

1.11. Bij brief van 11 november 2011 heeft [verweerster] aan [verzoeker] meegedeeld, voor zover hier van belang:

“Onder verwijzing naar de door het UWV Werkbedrijf op 9 november 2011, voor zover rechtens vereist, verleende toestemming zeggen wij hierbij de met u bestaande arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog zou bestaan, op per 15 november 2011. Ten aanzien van de onderliggende redenen verwijzen wij u naar de door [verweerster] ingediende ontslagaanvraag. “

Het verzoek

2. [verzoeker] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat er sprake is van gewichtige redenen in die zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen en verzoekt voorts om een vergoeding van € 1.615.100,= ten laste van [verweerster] toe te kennen. Daartoe stelt [verzoeker] - kort gezegd - dat de arbeidsrelatie tussen partijen verstoord is geraakt. [verzoeker] bestrijdt dat hem enig rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt. Het ontslag op staande voet en dan met name de beschamende wijze waarop gezocht is naar een ontslagmotief en de wijze waarop na het ontslag door [verweerster] informatie is achtergehouden met als doel het [verzoeker] onmogelijk te maken zich een goed beeld te vormen van hetgeen hem verweten wordt, maakt dat [verzoeker] het vertrouwen in [verweerster] als goed werkgever heeft verloren, zodat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden onder toekenning van genoemde vergoeding. De hoogte van de vergoeding moet recht doen aan de verdiensten die [verzoeker] in de afgelopen 19 jaar voor [verweerster] heeft gehad, de onheuse manier waarop hij door [verweerster] aan de kant is geschoven en met zijn gezin in een vreemd land is achtergelaten en de buitengewoon negatieve effecten die het diffamerende ontslag heeft op zijn kansen op de arbeidsmarkt. Om die reden is een vergoeding met een correctiefactor van 3 op zijn plaats, aldus [verzoeker]. Ter toelichting heeft [verzoeker] verder de door [verweerster] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten inhoudelijk bestreden.

Het verweer

3. [verweerster] betwist allereerst dat er nog plaats is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst nu deze niet meer bestaat, omdat zij op 11 november 2011 de arbeidsovereenkomst per 15 november 2011 heeft opgezegd. In deze zaak is de arbeidsovereenkomst al twee keer beëindigd, zowel door het ontslag op staande voet als door de opzegging voor zover vereist, aldus [verweerster]. [verzoeker] heeft weliswaar de nietigheid van het eerste ontslag ingeroepen, maar de opzegging van 11 november 2011 niet. Er is derhalve geen enkele reden om aan de effectiviteit van die opzegging te twijfelen, waardoor de arbeidsovereenkomst niet meer ontbonden kan worden. Indien [verzoeker] de rechtsgeldigheid van het ontslag wil aanvechten en een vergoeding wil vorderen, zal hij een kennelijk onredelijk ontslag procedure moeten starten. [verweerster] concludeert dan ook dat [verzoeker] niet ontvankelijk moet worden verklaard. Verder heeft [verweerster] ter terechtzitting aangevoerd dat er geen gronden zijn om enige vergoeding aan [verzoeker] toe te kennen. Daartoe voert [verweerster] - kort gezegd – aan dat [verzoeker] de regels in zijn eigen voordeel heeft veranderd, dan wel niet heeft toegepast en daarbij het belang van [verweerster] onvoldoende voor ogen heeft gehad. Daarbij heeft [verweerster] allereerst verwezen naar de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, in het bijzonder de valse facturen die [verzoeker] heeft ingevoerd. Verder heeft [verzoeker] de beschikking gehad over een te dure auto en zijn reactie daarop is naar de mening van [verweerster] zorgwekkend. Ook de gang van zaken rond de ski-trip toont aan dat [verzoeker] met twee maten meet door zichzelf gunsten toe te kennen die andere werknemers van [verweerster] niet toegekend worden.

De beoordeling

4. Het meest verstrekkende verweer van [verweerster] dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoek nu door het ontslag op staande voet en vervolgens in ieder geval door de opzegging van 11 november 2011 tegen 15 november 2011 de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat, wordt gepasseerd. Van het ontslag op staande voet heeft [verzoeker] de nietigheid ingeroepen. De onregelmatige opzegging wordt onder de gegeven omstandigheden als misbruik van bevoegdheid gekenschetst. Uit hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting naar voren is gekomen is niet anders af te leiden dan dat de bedoeling van [verweerster] met deze opzegging het frustreren van het behandelen van het onderhavige ontbindingsverzoek van [verzoeker] is geweest. In de brief van 11 november 2011 wordt geen enkele uitleg gegeven waarom de arbeidsovereenkomst op zo korte termijn moet eindigen. Ook ter terechtzitting is namens [verweerster] geen afdoende verklaring daarvoor gegeven. Dat deze opzegging met een zo korte opzegtermijn rust zou opleveren in Praag, zoals namens [verweerster] is verklaard, is onbegrijpelijk, nu [verzoeker] daar al niet meer werkzaam was. Dat een korte opzegtermijn prettig is voor de werkgever en geen langlopende formaliteiten oplevert, zoals namens [verweerster] nog is betoogd, mag zo zijn, maar levert in dit geval hooguit een bevestiging op van de bewuste poging van [verweerster] om de onderhavige procedure te frustreren. Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die een ander licht hierop werpen. Voor zover namens [verzoeker] in dit verband ter terechtzitting nog melding is gemaakt van een e-mail bericht van zijn gemachtigde aan [verweerster] waarin deze een gesprek heeft bevestigd tussen hem en [verweerster] waarin wordt erkend dat dit de bedoeling is geweest van de opzegging, wordt dit in deze procedure buiten beschouwing gelaten, gelet op het tijdstip waarop namens [verzoeker] melding is gemaakt van deze e-mail.

5. [verweerster] heeft met deze onregelmatige opzegging in strijd met het goed werkgeverschap gehandeld, zodat de opzegging van 11 november 2011 tegen 15 november 2011 bij de beoordeling van dit verzoek buiten beschouwing zal worden gelaten. Dat het onderhavige ontbindingsverzoek is ingediend nadat [verweerster] haar verzoek bij het UWV had ingediend, staat aan de beoordeling daarvan niet in de weg.

6. Op grond van hetgeen door partijen is verklaard en uit de stukken naar voren is gekomen kan worden vastgesteld dat de goede verstandhouding, noodzakelijk voor een verdere samenwerking tussen partijen, blijvend is komen te ontbreken. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden.

7. Op gronden van billijkheid komt aan [verzoeker] ten laste van [verweerster] een vergoeding toe, te stellen op het hieronder toe te kennen bedrag.

8. Bij de beoordeling van de hoogte van vergoeding staat voorop dat uit de overgelegde beoordelingen naar voren is gekomen dat [verzoeker] bij [verweerster] een zeer succesvolle carrière heeft gemaakt en dat hij steeds bijzonder goed is beoordeeld. Onbestreden is gebleven dat ook de overgang van [verzoeker] als CEO Tsjechië naar CEO Oekraïne per 1 december 2010 als een promotie moet worden aangemerkt. Uit geen van de door [verzoeker] overgelegde beoordelingen valt ook maar op enigerlei wijze een aanwijzing te vinden voor problemen van [verzoeker] met kwesties als integriteit, beoordelingsvermogen dan wel dat [verweerster] [verzoeker] op deze punten heeft gewezen. Door [verweerster] is ook in deze procedure op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij [verzoeker] hierop in het verleden heeft aangesproken. Integendeel, alle beoordelingen van de afgelopen jaren zijn als lovend te kenschetsen.

9. Uit de kwestie rond de klokjes bij gelegenheid van het afscheid van [verzoeker] in Tsjechië zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die verwijten in de richting van [verzoeker] opleveren die, gelet op de positie en de gelegenheid waaronder een en ander heeft plaatsgevonden, een gerechtvaardigde reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst oplevert. De door [verzoeker] in het verzoekschrift gegeven toelichting en verklaring, een zakelijke verplichting die nog ingelost moest worden bij Carollinum, voor de aanschaf zijn door [verweerster] niet gemotiveerd bestreden. Dat [verzoeker] het heeft voorgedaan alsof hij uit eigen middelen degene was die deze klokjes aan zijn medewerkers had gegeven, is uit de overgelegde verklaringen al evenmin aannemelijk geworden. Daarbij komt nog dat over de gang van zaken [verzoeker] in de richting van [verweerster] in december 2010 ook al voldoende openheid heeft gegeven, zoals blijkt uit de niet weersproken weergave van het gesprek tijdens de overdracht aan zijn opvolger in Tsjechië. Voor zover er aan de zijde van [verweerster] naar aanleiding van onduidelijkheden hieromtrent nog vragen waren geweest, valt niet in te zien waarom zij [verzoeker] daarover niet gewoon vragen heeft gesteld, in plaats van een onderzoek te starten. Dat de klokjes op de factuur niet voorkwamen, maar een algemene beschrijving daarvoor is verschaft, leidt, gelet op de door [verzoeker], mede aan de hand van verklaringen van derden, gegeven toelichting niet tot het oordeel dat [verzoeker] zich op een wijze heeft gedragen die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Het is al evenmin aannemelijk geworden dat [verzoeker] degene is geweest die de factuur in het systeem heeft ingevoerd, zoals [verweerster] heeft

betoogd, zodat de suggestie dat [verzoeker] stiekem heeft gehandeld, geen steun vindt in de thans gepresenteerde feiten.

10. Dat aan [verzoeker] een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de overnachting ter gelegenheid van het ski weekend in Fieberbrunn in maart 2010 is al evenmin aannemelijk geworden. Daarbij verdient allereerst opmerking dat in de beoordeling over 2010 dit aspect niet aan de orde is geweest en voor [verweerster] ook geen belemmering heeft gevormd voor de benoeming van [verzoeker] als CEO in Oekraïne. Dat [verzoeker] een en ander voor [verweerster] geheim heeft gehouden waardoor [verweerster] daarvan niet op de hoogte kon zijn, is gesteld noch aannemelijk geworden. Verder is ook de kwestie door [verzoeker] afdoende toegelicht en krijgt deze een zo gering gewicht dat daarin geen reden kan liggen voor de beëindiging van een arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met zo’n positief arbeidsverleden bij [verweerster]. Het is immers zeer voorstelbaar dat [verzoeker] die als CEO verantwoordelijk was voor het welslagen van een weekend met belangrijke klanten van [verweerster] en daarvoor in Fieberbrunn nog een aantal dingen moest regelen, er voor gekozen heeft om direct aansluitend aan zijn werk in Tsjechië door te reizen naar Fieberbrunn om daar de volgende ochtend de laatste punten te regelen. In die situatie is het terecht dat de kosten van het verblijf die nacht als kosten die met werk verband houden worden beschouwd en niet voor rekening van [verzoeker] privé komen.

11. Ook ten aanzien van de twee champagneflessen die door [verweerster] als verwijt in de richting van [verzoeker] zijn genoemd, heeft [verzoeker] een adequate en steekhoudende en met stukken onderbouwde uitleg gegeven, namelijk dat alle niet afgerekende kosten op de kamer van de CEO worden afgerekend. Daar tegenover heeft [verweerster] in dit geding niets naar voren gebracht dat deze uitleg weerspreekt en haar stelling ondersteunt dat [verzoeker] deze flessen voor eigen gebruik op rekening van [verweerster] heeft gezet. Op basis daarvan kan ook hier op geen enkele wijze een gedraging of een attitude van [verzoeker] worden afgeleid die de conclusies van [verweerster] ondersteunen.

12. Voor zover door [verweerster] ter terechtzitting in algemene zin nog opmerkingen zijn gemaakt over de betrouwbaarheid van [verzoeker] heeft zij dat in deze procedure niet aannemelijk gemaakt. Met de kwalificaties in de door [verweerster] opgemaakte beoordelingen van de afgelopen jaren valt dit beeld niet te rijmen en verder heeft [verweerster] onvoldoende aangevoerd.

13. Anderzijds valt het [verweerster] te verwijten dat zij [verzoeker], die een onberispelijke loopbaan bij [verweerster] had, zonder het beginsel van hoor en wederhoor juiste wijze toe te passen op staande voet heeft ontslagen. Daarbij heeft zij [verzoeker] weliswaar gehoord in het kader van het onderzoek en daarvan ook een verslag opgemaakt, maar uit het verslag kan niet worden opgemaakt dat [verweerster] [verzoeker] daarbij op een faire wijze de mogelijkheid heeft gegeven op de bevindingen van [verweerster] in te gaan. Dat tijdens het gesprek waarin het ontslag op staande voet aan [verzoeker] is meegedeeld voor [verzoeker] nog de mogelijkheid is geweest te reageren op de door [verweerster] naar voren gebrachte verwijten, is niet aannemelijk geworden. Vervolgens heeft [verweerster] ook nog geweigerd haar bevindingen die vastgelegd waren in het onderzoeksrapport aan [verzoeker] te verstrekken, waardoor [verzoeker] ernstig werd belemmerd om zich adequaat te verdedigen. Dat [verweerster] voor deze handelwijze een goede reden heeft gehad is in dit geding niet aannemelijk geworden. In dit verband verdient ook nog opmerking dat uit de door [verzoeker] overgelegde reacties van ex-collega’s naar voren is gekomen dat [verweerster] deze niet de vrijheid heeft gegeven onbevangen over [verzoeker] te verklaren omdat de kwestie [verzoeker] een bankaangelegenheid zou zijn. Hierdoor is [verzoeker] verder in zijn verdediging geschaad, terwijl een afdoende verklaring van [verweerster] ook hierover niet is verstrekt.

14. [verzoeker] is aldus in een situatie terecht gekomen die, zoals onweersproken door [verzoeker] is verklaard, als besmet wordt beschouwd. Daarbij kan [verzoeker], gelet op zijn ervaring en loopbaan in het buitenland, niet eenvoudig elders in de bancaire wereld weer aan het werk. De ervaring van [verzoeker] richt zich immers in hoofdzaak op de landen in de omgeving van Oost Europa en daar kleeft een smet aan [verzoeker], terwijl voor banken elders in de wereld de opleiding en ervaring van [verzoeker] wellicht niet voldoende specifiek is. Ook in Nederland zal, gelet op het stempel van [verzoeker], bij andere banken naar verwachting niet eenvoudig een vergelijkbare positie te verkrijgen zijn. Daarbij geldt ook nog dat [verzoeker] als management trainee bij [verweerster] is begonnen en daar steeds heeft gewerkt, waardoor hij buiten [verweerster] relatief onervaren is. Mede gelet op de leeftijd van [verzoeker] is sprake van een ernstige breuk in zijn carrière.

15. Voor het overige zijn door [verweerster] geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een mitigerende invloed op de vergoeding kunnen hebben. Al hetgeen hiervoor is overwogen rechtvaardigt een vergoeding waarbij de correctiefactor van ongeveer 2,5 in overeenstemming met de omstandigheden geacht wordt. [verweerster] heeft voor het overige tegen de door [verzoeker] gehanteerde berekeningswijze en de hoogte van zijn inkomen geen verweer gevoerd, zodat die als uitgangspunt zal worden genomen.

16. Nu het een ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder voorbehoud betreft, namelijk voor zover het ontslag op staande voet geen stand zal houden, dient nog de vraag te worden beantwoord of er aanleiding is de vergoeding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, nu dit door [verzoeker] weliswaar niet is verzocht, maar de bevoegdheid op grond van artikel 288 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ambtshalve kan worden toegepast. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de door [verweerster] aangevoerde feiten en omstandigheden waarom aan [verzoeker] geen vergoeding moet worden toegekend en die gelijk zijn aan hetgeen door [verweerster] aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, wordt aannemelijk geacht dat de bodemrechter zal oordelen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is blijven bestaan.

17. Nu aan [verzoeker] een lagere vergoeding wordt toegekend dan hij heeft verzocht, moet aan hem de gelegenheid worden geboden om zijn verzoek in te trekken.

18. Er zijn termen de proceskosten te compenseren, behoudens in het geval dat [verzoeker] het verzoek intrekt, in welk geval [verzoeker] in de kosten aan de zijde van [verweerster] wordt veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

onder het voorbehoud dat de arbeidsovereenkomst thans nog bestaat

I. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2012;

II. kent aan [verzoeker] een vergoeding toe ten laste van [verweerster] ter hoogte van € 1.345.900,= bruto;

III. veroordeelt [verweerster] tot betaling van deze vergoeding en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

IV. bepaalt dat het onder I t/m III gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek door [verzoeker] uiterlijk op 27 december 2011 wordt ingetrokken;

V. wijst het meer of anders verzochte af;

zonder voorbehoud

VI. bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen, behoudens in het geval [verzoeker] het verzoek zal intrekken, in welk geval [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerster], die tot op heden worden begroot op € 545,- voor salaris van zijn gemachtigde, voor zover verschuldigd, inclusief BTW.

Aldus gegeven door mr. E. Pennink, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2011 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter