Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9264

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
505054 / KG ZA 11-1877 Pee/MRSB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Rooms Katholieke Parochie Emmaüs in Uithoorn is in kort geding veroordeeld om aan de naasten van overledenen die op begraafplaats het Zijdelhofje liggen begraven, op gebruikelijke wijze toegang te verlenen tot de begraafplaats.

In 2009 had de Parochie aangekondigd de begraafplaats te zullen sluiten. Zij heeft een aanvang gemaakt met het verwijderen van graftekens en grafbeplating. Het onderhoud werd verricht door vrijwilligers. Toen asbest was aangetroffen in de grafbeplating heeft de Parochie die werkzaamheden verboden. Bovendien is de begraafplaats in november helemaal afgesloten met hekken.

Eén van de nabestaanden heeft samen met de stichting “Vrienden Zijdelhofje” in kort geding gevorderd dat de begraafplaats weer opengesteld zal worden voor bezoekers.

Verder wilden zij dat het verbod om werkzaamheden te verrichten werd ingetrokken en dat het de Parochie verboden zou worden om de graftekens en grafbeplating te verwijderen.

De rechter oordeelde dat de Parochie als beheerder en eigenaar van de begraafplaats zelf mag bepalen wie zij daarop toelaat en wie niet. Zij mag echter niet de toegang weigeren tot mensen die de begraafplaats willen bezoeken omdat daar één of meer overledenen liggen met wie zij een persoonlijke relatie hadden, behalve in bijzondere omstandigheden. Die zijn hier niet aan de orde. Het besmettingsgevaar met asbest is niet voldoende aannemelijk geworden.

De andere vorderingen zijn afgewezen omdat hier voor geen wettelijke basis bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 505054 / KG ZA 11-1877 Pee/MRSB

Vonnis in kort geding van 23 december 2011

in de zaak van

1. de vereniging

DE VERENIGING "VRIENDEN ZIJDELHOFJE",

gevestigd te Uithoorn,

2 [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers bij dagvaarding van 2 december 2011,

advocaat mr. F.T. Zoutberg te Amsterdam,

tegen

het rechtspersoonlijkheid bezittende kerkgenootschap

R.K. PAROCHIE EMMAÜS,

gevestigd te Uithoorn,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.A. Dankbaar te Haarlem.

Partijen zullen hierna afzonderlijk de Vereniging, [eiser 2] en de Parochie worden genoemd.

1. De procedure

Op last van de voorzieningenrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter terechtzitting op 12 december 2011 een descente plaatsgevonden op de begraafplaats gelegen aan het Zijdelveld 25 te Uithoorn. De terechtzitting heeft plaatsgevonden op het gemeentehuis te Uithoorn in een door de gemeente Uithoorn ter beschikking gestelde ruimte. Ter terechtzitting hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Parochie heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig aan de zijde van eisers [voorzitster van de Vereniging], voorzitster van de Vereniging, [eiser 2], en mr. Zoutberg en aan de zijde van gedaagden de heer [vice-voorzitter van het Parochiebestuur], vice-voorzitter van het Parochiebestuur, en mr. Dankbaar. Voorts was aanwezig de heer [persoon], werkzaam bij Schijfhouthandel en sloopwerken, alsmede een groot aantal leden van de Vereniging.

2. De feiten

2.1. Aan het Zijdelveld 25 te Uithoorn is sedert 1864 een begraafplaats gelegen (hierna: de begraafplaats). De begraafplaats is een bijzondere begraafplaats in de zin van art. 24 van de Wet op de lijkbezorging (Wl). De begraafplaats behoorde aanvankelijk bij de parochie van de Sint Jan de Doperkerk te Uithoorn. De parochie van de Sint Jan de Doperkerk is in januari 2007 verenigd met de parochie van het Allerheiligst Sacrament tot de nieuwe, zelfstandige Parochie Emmaüs in Uithoorn. De Parochie heeft daar thans haar thuishaven. De Parochie is eigenaresse, tevens beheerder van de begraafplaats.

2.2. In de Wl wordt onderscheid gemaakt tussen algemene graven en particuliere graven. In artikel 23 WL is bepaald dat begraving geschiedt in een algemeen graf, waarbij de houder van de begraafplaats bepaalt wie daarin wordt begraven, dan wel in een particulier graf, zijnde een graf waarop een uitsluitend recht is gevestigd, waarbij de rechthebbende bepaalt wie daarin wordt begraven. [eiser 2] is rechthebbende op een particulier graf op de begraafplaats.

2.3. De parochie heeft voor de begraafplaats op 18 december 2007 een reglement voor het beheer van de begraafplaats vastgesteld. In dit reglement staat voor zover voor deze procedure van belang het volgende:

“Artikel 30 Verwijdering graftekens na einde grafrecht

Binnen drie maanden na het eindigen van het grafrecht kunnen grafteken en/of beplanting door de rechthebbende van het graf worden verwijderd. Na verloop van drie maanden wordt de rechthebbende geacht geen prijs te stellen op het weer in bezit nemen van grafteken en/of beplanting en is het bestuur gerechtigd deze te doen verwijderen en te doen vernietigen, zonder dat enigerlei vergoeding hiervoor jegens de rechthebbende verschuldigd is.”

(…)

Artikel 32 Algemeen onderhoud

Het bestuur zal zorg dragen dat de (…) paden, de groenvoorziening en de beplanting van de begraafplaats worden onderhouden. Tot dit onderhoud van de begraafplaats behoren de werkzaamheden aan de groenvoorziening en de beplanting op en onmiddellijk achter de graven, in zoverre deze niet overeenkomstig artikel 25 door de rechthebbende zijn aangebracht.”

Artikel 33 Beperking onderhoudsverplichting

1. Het bestuur verplicht zich aan het in artikel 32 omschreven onderhoud te besteden maximaal de bedragen, die uit de tarieven op grond van artikel 31 voor onderhoud zijn verkregen en daarvoor per jaar beschikbaar zijn, alsmede eventueel van overheidswege daarvoor verkregen subsidies.

2 Deze beperking van de onderhoudsverplichting geldt in het bijzonder na sluiting of gesloten verklaring van de begraafplaats.

2.4. De Parochie heeft medio 2009 aangekondigd over te zullen gaan tot sluiting van de begraafplaats. De Parochie heeft onderzoek uitgevoerd naar het bestaan van (mogelijke) rechthebbenden met betrekking tot de graven op de begraafplaats en heeft deze personen aangeschreven. Aan hen is voorgesteld om hun (verlopen) grafrechten te verlengen met een periode van 5 of 10 jaar.

2.5. De Parochie heeft de begraafplaats op 1 augustus 2009 ‘gesloten’ in de zin van artikel 43 Wl. Op een gesloten begraafplaats in de zin van de Wl worden ingevolge artikel 46, eerste lid, Wl geen lijken begraven.

2.6. De Parochie is in oktober 2009 begonnen met het verwijderen van graftekens en grafbeplating van graven waarvan geen rechthebbende kon worden getraceerd en waarop het uitsluitend recht op een graf tot een einde was gekomen.

Grafbeplating is op sommige graven aangebracht als bedekking waarop grind is gestrooid, dit om te voorkomen dat het grind wordt vermengd met (de aarde van) het graf.

Het verwijderen van grafbeplating is op 23 oktober 2009 op last van de gemeente gestaakt omdat een vermoeden bestond dat sommige grafbeplatingen bestonden uit asbesthoudend materiaal. De gemeente heeft tevens aangegeven dat voor het uit te voeren werk een vergunning was vereist.

2.7. Bij brief van 9 september 2010 heeft de Parochie aan mevrouw [voorzitster van de Vereniging] (de huidige voorzitster van de Vereniging) voor zover van belang het volgende geschreven:

“U heeft zich gemeld als nabestaande van een of meer overledenen die op de RK Begraafplaats Zijdelveld te Uithoorn zijn begraven. (…)

U heeft de mogelijkheid om het grafrecht met 10 jaar te verlengen tot 1 september 2019 (…).

Voor zover u geen gebruik maakt van de mogelijkheid het grafrecht te verlengen, wijzen wij u erop dat het grafrecht op 18 februari 1994 is vervallen. U wordt dan in de gelegenheid gesteld om de grafsteen en de grafbeplanting (…) op te halen (…). Indien u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, worden de grafsteen en grafbeplanting door het bestuur verwijderd.

De beheerder van de begraafplaats is gerechtigd om graven waarvan de grafrechten zijn vervallen te ruimen. Onder ruiming wordt verstaan: het verwijderen van de resten uit het graf. Ruiming op korte termijn is alleen nodig als op de betreffende plaats opnieuw een graf wordt uitgegeven. Op deze begraafplaats worden geen grafrechten meer uitgegeven, zodat ruiming niet nodig is. De resten zullen uiteindelijk verteren.”

Ook andere nabestaanden van personen wier lichamen op de begraafplaats zijn begraven hebben een dergelijke brief ontvangen.

2.8. De Parochie heeft in februari 2011 een asbestinventarisatieonderzoek laten uitvoeren. In het rapport van dit onderzoek van 23 februari 2011 staat voor zover voor deze procedure van belang het volgende

“2.5 Vaststellen risicoklassen en veiligheidsvoorwaarden

(…)

Risicoklasse 2 (standaard regime conform SC-530): asbestconcentratie in de lucht 0,01 – 1 vezels/cm3

Het standaard regime behorend bij risicoklasse 2 is bijvoorbeeld van toepassing op de verwijdering van geschroefde asbestcement plafondplaten. De werkzaamheden die vallen binnen risicoklasse 2 moeten uitgevoerd worden door een SC-530 gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf, (…)

(…)”

Onder het kopje ‘Resultaten inventarisatie’ is - samengevat - weergegeven dat asbest is aangetroffen in de grafbeplating en dat deze in risicoklasse 2 valt. Bij deze conclusie is opgemerkt dat het grind (dat bovenop de grafbeplating ligt) verontreinigd kan zijn met restanten asbestbeplating. Geadviseerd is dit grind daarom als asbesthoudend materiaal af te voeren. Voorts staat in het onderzoek het volgende:

3.3 Beperkingen van het onderzoek

(…)

Uitsluitingen

- de bodem onder en rondom de onderzoekslocatie. Onderzoek van de bodem maakt geen deel uit van een SC-540 inventarisatie.

(…)

4 Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

- Onder het standaard regime van risicoklasse 2 dienen alle asbestcement stroken en asbestcement beplating verwijderd te worden.

- Er bestaat een redelijk vermoeden van asbesthoudende materialen ter plaatse van de niet onderzochte graven.

(…)”

2.9. In de loop er tijd hebben enkele vrijwilligers (buiten verenigingsverband) het onderhoud van de gesloten begraafplaats op zich genomen. Op 17 juni 2011 heeft de Parochie bij de begraafplaats borden geplaatst, waarop werd aangegeven dat het in verband met de aangetroffen asbesthoudende afdekplaten op de begraafplaats tijdelijk verboden was om werkzaamheden op het kerkhof te verrichten, zoals schoffel- en graafwerkzaamheden.

2.10. De Parochie heeft na de uitkomst van een tegen de verlening door de gemeente van een omgevingsvergunning gevoerde bezwaarprocedure kenbaar gemaakt dat de eerder door haar aangevangen werkzaamheden ter zake van het verwijderen van graftekens en grafbeplating zouden worden voortgezet. Dit is voor een groot aantal belanghebbenden, onder wie [eiser 2], aanleiding geweest om de Vereniging op te richten. In de statuten van de Vereniging, zoals die in de oprichtingsakte d.d. 11 juli 2011, staan genoemd, staat in artikel 2 dat de Vereniging als doel heeft

“a. het in standhouden van de katholieke begraafplaats gelegen aan het Zijdelveld 25 te Uithoorn;

b. het bevorderen en het bewaken van het aanzien van deze begraafplaats;

c. het bevorderen en het bewaken van de culturele en historische waarden van de begraafplaats, de graven en de bijbehorende grafzerken en grafmonumenten;

d. het behartigen van de belangen van rechthebbenden op graven en andere nabestaanden;

e. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.”

2.12. Bij brief van 28 juli 2011 heeft de raadsman van de Vereniging de Parochie gesommeerd zich te onthouden van het verwijderen van graftekens en grafbeplating op de begraafplaats.

2.13. Op 14 november 2011 heeft de Parochie de toegang tot de begraafplaats met hekken afgesloten.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen samengevat - dat de Parochie wordt bevolen, op straffe van verbeurte van dwangsommen, de begraafplaats binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis weer open te stellen en open te houden voor bezoekers, en haar verbod op het verrichten van onderhoudswerkzaamheden op de begraafplaats in te trekken, alsmede dat het de Parochie wordt verboden op de begraafplaats graftekens en grafbeplating te verwijderen van graven waarvan het uitsluitend recht op een graf is vervallen, tot op het moment waarop in een bodemprocedure zal zijn beslist. Ten slotte vorderen eisers dat de Parochie wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2. Eisers leggen - samengevat - het volgende aan hun vorderingen ten grondslag. De sluiting van de begraafplaats ingevolge de Wl betekent slechts dat op de begraafplaats geen begravingen meer mogen plaatsvinden. De wet staat er echter niet aan in de weg dat de graven mogen worden bezocht en dat op de begraafplaats onderhoudswerkzaamheden mogen worden uitgevoerd. De maatschappelijke functie van een begraafplaats vereist dat deze openbaar toegankelijk is. Alhoewel de Parochie de bevoegdheid heeft de openingstijden van de begraafplaats te reguleren en de begraafplaats onder omstandigheden af te sluiten, heeft zij in het onderhavige geval geen gegronde redenen aangevoerd op grond waarvan zij tot afsluiting van de begraafplaats zou mogen overgaan. In het asbestinventarisatie rapport is slechts geconcludeerd dat asbest is aangetroffen in de grafbeplating, maar niet in het op de graven liggende grind of in de omliggende grond. Bij een normaal onderhoud van de graven is derhalve niet aangetoond dat er een gevaar bestaat voor besmetting met asbestvezels. Dit kan derhalve geen reden zijn voor de Parochie om de begraafplaats af te sluiten voor bezoek en evenmin voor het verbod om op en aan de graven onderhoud te verrichten.

Op grond van artikel 46 lid 2 Wl dient de begraafplaats na sluiting voor een periode van 20 jaar onaangeroerd te blijven liggen, tenzij het graf op grond van artikel 31 Wl wordt geruimd. De Parochie heeft echter aangegeven dat zij niet voornemens is de graven te ruimen. De begraafplaats is op 1 augustus 2009 gesloten in de zin van de Wl zodat de graftekens en grafbeplatingen van de graven waarop geen grafrecht rust, pas vanaf 1 augustus 2029 mogen worden verwijderd. De graven waarop wel een grafrecht rust moeten ook na die periode onaangeroerd blijven voor zover in het onderhoud van die graven wordt voorzien. De Parochie is derhalve niet gerechtigd thans haar sloopwerkzaamheden te hervatten.

3.3. De Parochie voert verweer. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. De Parochie is als eigenaar en beheerder van de begraafplaats in beginsel gerechtigd zelf te bepalen wie zij daarop toelaat, en wie niet. Uit de aard van (het gebruik van) de begraafplaats volgt echter dat zij de toegang niet zonder meer kan weigeren aan die personen die de begraafplaats wensen te bezoeken om daar het graf van één of meer overledenen te bezoeken met wie zij in een persoonlijke relatie hebben gestaan.

Dit geldt allereerst op grond van de met hen of hun rechtsvoorgangers gesloten overeenkomsten voor rechthebbenden op een graf en hun naasten zolang hun recht voortduurt. Echter, ook indien men geen rechthebbende op een graf is, brengt de aard van de rechtsverhouding van eigen aard tussen de eigenaar van de begraafplaats en de naasten van degenen wier lichamen op die begraafplaats ter aarde zijn besteld, in ieder geval zolang als de graven waarin die lichamen zijn begraven niet zijn geruimd, mee dat die naasten, waaronder in ieder geval te verstaan ouders, partner(s), afstammelingen en broers en zusters, voldoende gelegenheid dienen te hebben om het betreffende graf te bezoeken. Deze personen hebben derhalve tegenover het recht van de Parochie om de toegang tot haar eigendom aan anderen te ontzeggen een eigen, in rechte af te dwingen aanspraak op toegang tot de begraafplaats, indien hen die toegang door de eigenaar of beheerder van de begraafplaats zou worden ontzegd of onmogelijk wordt gemaakt.

Dit is slechts anders indien op de begraafplaats, zoals door de Parochie is gesteld, sprake is van een bijzondere omstandigheid die afsluiting van de begraafplaats voor bezoekers onvermijdelijk maakt. Dat is volgens de Parochie het geval nu, naar zij stelt, op de begraafplaats gevaar bestaat van besmetting met asbestvezels.

Dit besmettingsgevaar is echter onvoldoende aannemelijk geworden. In het asbestinventarisatierapport wordt geconstateerd dat in sommige grafbeplating asbest is aangetroffen, maar in dat rapport is niet geconstateerd dat daaruit asbestvezels zijn vrijgekomen in zodanige vorm of hoeveelheid dat sprake is van een gevaar voor de volksgezondheid. Weliswaar wordt in het rapport niet uitgesloten dat bijvoorbeeld door onderhoud van het grind op graven, die met een asbesthoudende beplating zijn afgedekt, dat grind kan zijn besmet met asbestvezels die van de beplating zijn vrijgekomen, en wordt in het rapport aangeraden, kennelijk uit voorzorg, het grind als asbesthoudend materiaal af te voeren, omdat dit mogelijkerwijs asbesthoudend materiaal van de grafbeplating zou kunnen bevatten, maar de aanwezigheid van asbest in het grind of in de bodem is niet onderzocht, laat staan dat deze is aangetoond.

Dit betekent dat de Parochie hieraan geen argument kan ontlenen om tot afsluiting van de begraafplaats over te gaan en dat zij de hiervoor genoemde naasten, zoals eerder gebruikelijk, toegang tot de begraafplaats dient te verlenen.

4.3. De Vereniging heeft geen eigen recht op toegang tot de begraafplaats. Zij staat immers niet in dezelfde bijzondere rechtsverhouding tot de Parochie als de hiervoor genoemde naasten. Op grond van haar statuten behartigt zij echter de belangen van rechthebbenden op graven en van andere nabestaanden van personen die begraven zijn op de begraafplaats en in zoverre kan zij in haar belangenbehartiging in rechte worden ontvangen.

4.4. Het voorgaande in aanmerking nemend, zal de vordering van [eiser 2], rechthebbende op een graf en bovendien een naaste als hiervoor bedoeld, en van de Vereniging, als belangenbehartiger van die naasten, om de Parochie te gelasten de afsluiting ongedaan te maken en de begraafplaats open te stellen en open te houden worden toegewezen in deze zin dat de begraafplaats dient te worden opengehouden voor de naasten, zoals hiervoor beschreven, op de gebruikelijke dagen en uren, met dien verstande dat het de Parochie vrij zal staan het aantal uren waarop toegang wordt verleend om haar moverende redenen in de toekomst te beperken, zolang die beperking een dagelijks bezoek van de begraafplaats van die naasten niet in de weg staat, een en ander op verbeurte van een dwangsom als nader te bepalen. Evenzo kan de Parochie de toegang beperken gedurende de tijd dat noodzakelijke werkzaamheden op de begraafplaats worden verricht die niet te verenigen zijn met gelijktijdige aanwezigheid van bezoekers, zoals bijvoorbeeld de gecontroleerde verwijdering van (asbesthoudende) grafbeplating.

4.5. De vordering van de Vereniging om haar toe te laten onderhoudswerkzaamheden op de begraafplaats uit te voeren, is niet toewijsbaar. De Vereniging staat niet in enige rechtsbetrekking tot de Parochie en het staat de Parochie vrij de Vereniging te verbieden een door haar vrijwillig op zich genomen taak uit te voeren. Het is aan de Parochie als eigenaar, en ook ingevolge het toepasselijke reglement van de begraafplaats, vast te stellen hoe en door wie zij onderhoud aan de begraafplaats wenst te laten uitvoeren. Dat de Vereniging aanbiedt dit onderhoud kosteloos en met liefde te doen, maakt dit niet anders. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, houdt die bevoegdheid van de Parochie overigens ook een verplichting tot onderhoud in, namelijk dat dit onderhoud zodanig moet zijn dat de begraafplaats door de eerder genoemde naasten veilig kan worden betreden.

Voor zover [eiser 2] onderhoud wenst te plegen aan het graf waarop hij rechthebbende is, dient hij daartoe te worden toegelaten. Nu echter niet is gesteld of gebleken dat de Parochie hem dat verbiedt, heeft hij geen belang bij zijn vordering. Voor zover, wat overigens niet is gebleken, [eiser 2] meent dat hij moet worden toegelaten tot het verrichten van ander onderhoudswerk op de begraafplaats, is zijn vordering om de hiervoor reeds genoemde redenen niet toewijsbaar.

4.6. De vordering om de Parochie te verbieden om op de begraafplaats graftekens en grafbeplating te verwijderen van graven waarvan het uitsluitend recht op een graf is vervallen totdat in een bodemzaak anders is beslist, dient eveneens te worden afgewezen.

Wat [eiser 2] betreft reeds omdat hij slechts rechthebbende is op het eigen graf en geen aanspraken geldend kan maken op behoud van graftekens en grafbeplating op andere graven.

Voor zover de Vereniging de belangen van naasten als hiervoor bedoeld behartigt, kan zij in haar vordering worden ontvangen. Toewijsbaar is die echter niet.

De vordering van de Vereniging berust op haar stelling dat artikel 46 Wl, in het bijzonder het tweede en het derde lid gedurende twintig jaar na de sluiting van de begraafplaats, derhalve in dit geval tot twintig jaar na 1 augustus 2009, het verwijderen van graftekens en grafplaten verbiedt, ongeacht de vraag of er nog een rechthebbende op het uitsluitend recht op een bepaald graf is.

De bevoegdheid tot het hebben van een grafteken op een graf berust echter niet op de wet, maar op de overeenkomst tussen de eigenaar of beheerder van de begraafplaats en de rechthebbende op een graf.

Voor zover in dit geding aan de orde gesteld, is op de begraafplaats van de Parochie geen sprake van eeuwigdurende rechten op een graf, maar zijn de overeenkomsten tot het hebben van een particulier graf op de begraafplaats in de tijd bepaald en vervalt het recht op een particulier graf na verloop van de overeengekomen termijn, indien die niet wordt verlengd.

Niet is betwist dat van een zeer groot aantal particuliere graven op de begraafplaats de termijn, waarvoor het recht daarop door de Parochie ooit is gevestigd, is verlopen en dat de eertijds rechthebbenden die termijn niet hebben verlengd. Vaststaat dat de Parochie recent heeft getracht met eertijds rechthebbenden in contact te komen en, voor zover haar dat is gelukt, bereid is gebleken, ook indien de termijn waarvoor een particulier grafrecht was gevestigd reeds vele jaren was verstreken, die termijn alsnog tegen betaling van het geldende tarief daarvoor te verlengen. Vast staat ook dat de respons van eertijds rechthebbenden zeer gering is gebleken.

De situatie is dan nu ook zo dat van een zeer groot aantal particuliere graven op de begraafplaats de rechten zijn vervallen en dat de inkomsten die de Parochie voor onderhoud van de begraafplaats ter beschikking heeft zeer beperkt zijn.

Blijkens artikel 30 van het reglement dat thans van toepassing is, is de Parochie na verloop van drie maanden na het eindigen van het particuliere grafrecht bevoegd het grafteken en/of de beplanting daarvan te verwijderen. De Vereniging meent dat deze bepaling in strijd is met artikel 46 lid 2 en lid 3 Wl. Zij meent dat onder het begrip onaangeroerd laten als gebruikt in die bepalingen ook valt het onaangeroerd laten van graftekens en grafplaten.

Die opvatting is niet juist. De wet op de lijkbezorging geeft slechts voorschriften voor de omgang met een graf, dit is de grond waarin een lijk wordt begraven, en geeft met uitzondering van artikel 32a geen voorschriften voor de omgang met de bedekking van een graf. Artikel 32a Wl is in de wet opgenomen, nadat de HR in zijn uitspraak van 25 oktober 2010, NJ 2003, 241, had beslist, samengevat, dat het uitsluitend recht op een graf de rechthebbende geen eigendom van het graf verleent en dat de eigenaar van de grond eigenaar blijft van het graf, en voorts dat de gewone regels van natrekking (artikel 5:20 jo 3:3 BW) van toepassing zijn op grafmonumenten. Door die uitspraak stond vast dat de eigenaar van de grond van de begraafplaats ook de eigenaar was van op de graven van rechthebbenden geplaatste grafmonumenten, waartegen onder meer om redenen van emotionele aard veel bezwaren bleken te bestaan.

Artikel 32a luidt:

Gedurende de tijd dat een graf niet geruimd mag worden, is artikel 20 eerste lid aanhef en onder e en f, van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing op hetgeen op dat graf is geplaatst of op het gebouw of werk waarin het graf zich bevindt, dan wel indien is begraven in een grafkelder, op hetgeen daarin of daarop is geplaatst.

Dit betekent dat de eigenaar van de grond van een begraafplaats na het verstrijken van de termijn waarin een graf niet mag worden geruimd door natrekking van rechtswege eigenaar wordt van de op dat graf geplaatste grafmonumenten. Nu niet is gesteld of gebleken dat de Parochie het voornemen heeft graftekens te verwijderen op graven waarvan de termijn waarbinnen een graf nog niet mag worden geruimd nog niet is verstreken, stuit dit deel van de vordering af op de bevoegdheid van de Parochie op grond van haar eigendomsrecht te beslissen hoe zij omgaat met deze graftekens.

4.7. Het beroep van de Vereniging op het bepaalde in artikel 46 lid 2 Wl kan haar niet baten. Onder het onaangeroerd laten van een graf na sluiting van de begraafplaats moet worden verstaan het onaangeroerd laten van de grond waarin het lijk is begraven en niet meer dan dat. Zo reeds over het begrip roeren of aanroeren van een graf HR 9 februari 1955, A.B. 1955, blz 243 en verder. Indien een grafteken wordt verwijderd, laat die verwijdering het graf in de zin van artikel 46 lid 2 en lid 4 Wl onaangeroerd.

De Vereniging heeft ter ondersteuning van haar betoog op dit punt nog gewezen op een passage uit de parlementaire geschiedenis van de wet op de lijkbezorging (Kamerstukken I 1984/1985, 11 256 nr 7 pagina 11 (MvA) luidende:

Het derde lid bepaalt dat gedurende een bepaalde termijn de grond van een gesloten begraafplaats slechts tot bezaaiing en beplanting mag worden gebruikt (….). Voor alle duidelijkheid wordt daar nog aan toegevoegd dat waar het gaat om een graf waarop een uitsluitend recht berust deze activiteiten slechts mogen plaatsvinden met toestemming van de rechthebbende. Hieruit mag men overigens a contrario niet afleiden dat nadat bedoelde termijn is verstreken dergelijke activiteiten zonder toestemming van de rechthebbende op een graf in het onderhoud waarvan behoorlijk wordt voorzien, mogen plaatsvinden. Hieraan wordt door het vijfde lid (lees: vierde lid, vzr) uitdrukking gegeven.

De Vereniging meent dat aan de beide laatste zinnen kan worden ontleend dat het de Parochie ook is verboden gedurende twintig jaar na sluiting van de begraafplaats graftekens en grafbeplating te verwijderen zonder toestemming van de eertijds rechthebbende(n) op een graf. Die opvatting berust op een verkeerde lezing van deze passage in de MvA in samenhang met de tekst van artikel 46 Wl.

Zowel de MvA als artikel 46 Wl spreken uitsluitend over degene die rechthebbende is op een graf. Na afloop van de termijn waarvoor het recht op een graf krachtens overeenkomst is gevestigd, is er geen rechthebbende, in de hier bedoelde zin, op het graf meer (anders dan de eigenaar van de grond), zoals de Vereniging ook erkent. De termijn waar artikel 46 lid 3 Wl op doelt, is niet de termijn waarvoor het grafrecht is gevestigd, maar is de termijn van lid 2 van artikel 46 Wl, de termijn waarin een graf na sluiting van de begraafplaats onaangeroerd moet blijven. Lid 3 van artikel 46 Wl voorkomt dat een rechthebbende op een graf wiens recht langer duurt dan de termijn van het tweede lid van die bepaling - hetgeen zeer wel denkbaar is, omdat het sluiten van een begraafplaats slechts ziet op de beëindiging van de mogelijkheid ter plaatse nog lichamen ter aarde te bestellen, maar niet betekent dat uitsluitende rechten op een graf niet meer kunnen worden verlengd - op grond van lid 2 van artikel 46 Wl zijn uitsluitend recht op dat graf, en dus ook zijn bevoegdheid om dat graf op de door hem gewenste - binnen het reglement toelaatbare - wijze in stand te houden en te verzorgen, verloren zou zien gaan.

4.8. De slotsom is dan ook dat ook dit derde deel van de vorderingen van de Vereniging moet worden afgewezen.

4.9. Nu beide partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk worden gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd, zodanig dat ieder de eigen kosten zal dragen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de Parochie om aan [eiser 2] op 25 december 2011 en aan naasten van overledenen wier lichamen op de begraafplaats in een graf liggen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis op de gebruikelijke wijze toegang te verlenen tot de begraafplaats,

5.2. veroordeelt de Parochie om aan [eiser 2] een dwangsom te betalen van

€ 250,00, indien zij hem niet op 25 december 2011 op de gebruikelijke wijze toegang verleent,

5.3. veroordeelt de Parochie om aan de Vereniging een dwangsom te betalen van € 25,00 voor iedere dag dat zij in strijd handelt met de onder 5.1 gegeven veroordeling,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten zal dragen,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.