Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8727

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
AWB 10/5136 GEMWT en 10/5137 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA0628, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toezegging dat in de toekomst een definitieve ligplaatsvergunning voor een ligplaats aan een toekomstige pier wordt afgegeven, is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van Awb. De rechtbank is van oordeel dat de verleende tijdelijke ligplaatsvergunningen met tijdelijke ontheffingen van het bestemmingsplan in redelijkheid niet gelijkwaardig zijn te achten aan de oude ligplaatsvergunningen, waarbij eisers op grond van het overgangsrecht op hun locaties konden blijven liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/5136 GEMWT en 10/5137 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], [eiser 2], [eiseres 3], [eiser 4],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. M.I. Houben,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde M.J.M. Pietersz.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2010 (het primaire besluit I) heeft verweerder de ligplaatsvergunning voor de woonboot Martha Wilhelmina ingetrokken en met ingang van 1 november 2010 een nieuwe tijdelijke ligplaatsvergunning verleend.

Bij afzonderlijk besluit van 6 april 2010 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ligplaatsvergunning voor de woonboot Budy ingetrokken en met ingang van 1 november 2010 een nieuwe tijdelijke ligplaatsvergunning verleend.

Bij besluit van 10 september 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 27 januari 2011. Eisers [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 4] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiseres [eiseres 3] is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Pietersz, vergezeld van [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2].

Ter zitting is het onderzoek geschorst en heeft de rechtbank de zaken verwezen naar mediation.

Bij brief van 28 juni 2010 hebben eisers de rechtbank medegedeeld dat de mediation niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid. De behandeling van de beroepen is daarop hervat.

De rechtbank heeft de zaken vervolgens gevoegd ter zitting behandeld op 6 oktober 2011. Eisers [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 4] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiseres [eiseres 3] is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Pietersz, vergezeld van [vertegenwoordiger 3] en [vertegenwoordiger 2].

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die verband houden met de uitvoering van de plannen voor de herinrichting van het Oosterdok. Hierdoor moeten de woonboten Martha Wilhelmina en Budy worden verplaatst. De ligplaatsvergunningen van eisers zijn ingetrokken en aan eisers zijn tijdelijke ligplaatsen vergund voor vijf jaar, onder de toezegging dat zij daarna permanente ligplaatsvergunningen zullen verkrijgen aan één van de toekomstige pieren aan de Prins Hendrikkade. Met toepassing van het zogeheten “Beverprotocol, Besluitvorming & Verplaatsing woonboten” (hierna: het Beverprotocol) moet de nieuwe ligplaats zo volwaardig en gelijkwaardig mogelijk zijn aan de oude ligplaats. De nieuwe ligplaatsen zijn gelijkwaardig te achten, hetgeen volgens verweerder al blijkt uit het feit dat eisers geen bezwaar hebben tegen de locatie van de nieuwe ligplaatsen, maar alleen tegen de tijdelijkheid daarvan.

1.2. In beroep hebben eisers onder meer aangevoerd dat de nieuwe tijdelijke ligplaatsvergunningen doordat zij tijdelijk zijn, niet gelijkwaardig zijn aan de permanente ligplaatsvergunningen die zijn ingetrokken. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, met het evenredigheidsbeginsel en met het Beverprotocol.

1.3. Bij uitspraak van 29 oktober 2010 (AWB 10/5100 GEMWT, AWB 10/5103 GEMWT, AWB 10/5106 GEMWT en AWB 10/5107 GEMWT) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank voorlopig overwogen dat verweerder het Beverprotocol heeft gevolgd, dat de financiële consequenties van de omzetting van een definitieve in een tijdelijke ligplaats in de beroepszaken nog aan de orde kan worden gesteld en dat de stelling van eisers dat de huidige ligplaats gelijkwaardig moet zijn aan de nieuwe definitieve ligplaats niet uit het Beverprotocol volgt.

2. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.1 Niet in geschil is dat de opgeheven ligplaatsen van eisers een permanent karakter hadden. Aan de eigenaar van woonboot Buddy is in december 1991 een ligplaatsvergunning verleend. Aan de eigenaar van woonboot Martha Wilhelmina is in maart 1994 een ligplaatsvergunning verleend. De ligplaatsen zelf komen thans niet meer voor in het vigerende bestemmingsplan Oosterdokseiland, maar konden op grond van het overgangsrecht op hun locaties gehandhaafd blijven. In geschil is of verweerder de ingetrokken permanente ligplaatsvergunningen heeft kunnen vervangen door tijdelijke ligplaatsvergunningen voor vijf jaar, onder toezegging van permanente ligplaatsvergunningen daarna.

2.2 De rechtbank overweegt allereerst dat het onderdeel van het bestreden besluit, dat de toezegging inhoudt dat een definitieve ligplaatsvergunning voor een ligplaats aan één van de toekomstige pieren aan de Prins Hendrikkade wordt afgegeven, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 2 juni 2004, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: AP0394), waarin is bepaald dat een toezegging een feitelijke handeling is, die niet op publiekrechtelijk rechtsgevolg is gericht, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De toezegging van verweerder is derhalve geen besluit waaraan eisers rechtsgevolgen kunnen ontlenen. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet op voorhand vaststaat dat eisers aan de toezegging het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat zij aan hun oude ligplaatsen gelijkwaardige definitieve ligplaatsen zullen krijgen. Daarvoor is de toezegging van verweerder te weinig concreet, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd. Bovendien komt aan het vertrouwensbeginsel slechts beperkte betekenis toe indien belangen van derden een rol spelen. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat bij het creëren van toekomstige ligplaatsen een dergelijke belangenafweging aan de orde is, aangezien de huidige bewoners van de Prins Hendrikkade zich nu reeds verzetten tegen de komst van eisers.

2.3 Uit het voorgaande volgt dat geen juridische betekenis toekomt aan de toezegging van verweerder. Gelet hierop is slechts de vraag aan de orde of verweerder de permanente ligplaatsvergunningen van eisers heeft kunnen vervangen door tijdelijke ligplaatsvergunningen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

2.4 Over de besluitvorming over en de verplaatsing van woonboten heeft verweerder beleid vastgelegd in het Beverprotocol. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de verplaatsing van de oude ligplaatsen naar de nieuwe tijdelijke ligplaatsen het Beverprotocol op juiste wijze is toegepast. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. In het Beverprotocol is onder meer bepaald dat een ligplaatsvergunning wordt ingetrokken onder de voorwaarde dat een vergunning voor een ligplaats wordt afgegeven die zo volwaardig en gelijkwaardig mogelijk is aan de oude plek. Daarbij speelt volgens het Beverprotocol onder meer een rol de wijze waarop de nieuwe ligplaats in het bestemmingsplan is opgenomen. Verweerder heeft toegelicht dat de ruimtelijke plannen voor het Oosterdokseiland bepalen dat de zuidkant van het eiland, waar zich de tijdelijke ligplaatsen bevinden, vrij moet zijn van vaste ligplaatsen. Voor de tijdelijke ligplaatsen is een tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan verleend, op grond van artikel 3:22 van de Wet ruimtelijke ordening. Hoewel verweerder een zekere mate van beleidsvrijheid heeft om over de mate van gelijkwaardigheid een beslissing te nemen, is de rechtbank van oordeel dat het te ver voert om de verleende tijdelijke ligplaatsvergunningen met tijdelijke ontheffingen van het bestemmingsplan gelijkwaardig te achten aan de oude ligplaatsvergunningen. Het verschil is immers dat de nieuwe vergunningen daadwerkelijk tijdelijk zijn. Dit terwijl eisers met hun oude ligplaatsvergunningen op grond van het overgangsrecht op hun oude ligplaats konden blijven liggen, ook al was dat planologisch niet langer gewenst. Dit wordt niet anders indien de vergunningen – zoals ter terechtzitting is besproken – worden vervangen door permanente vergunningen met tijdelijke ontheffingen van het bestemmingsplan. Nu het hier gaat om nieuwe ligplaatsen, kunnen eisers immers geen aanspraak maken op een permanente ontheffing op grond van overgangsrecht. Door de onduidelijkheid over de ligplaats zijn de woonboten van eisers thans nauwelijks te verkopen. Mede gelet op de leeftijd van een van de eisers is de mogelijkheid tot verkoop een te respecteren belang, waarmee verweerder bij zijn beslissing over de gelijkwaardigheid rekening dient te houden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.5 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft thans geen bespreking. De rechtbank draagt verweerder op binnen twee maanden nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard zal de rechtbank verweerder opdragen het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

2.7 De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eisers voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 1092,50 (samenhangende zaken, dus een punt voor het beroepschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting, € 437,-- per punt, wegingsfactor 1).

2.8 Eiseres hebben verzocht om vergoeding van de proceskosten die in het kader van de bezwaarprocedure zijn gemaakt. Verweerder zal hierover bij de nieuw te nemen besluiten dienen te beslissen.

2.9 De rechtbank merkt ten overvloede op dat ter zitting is gesproken over de mogelijkheid van het uitkopen van eisers. Verweerder heeft aangegeven niet tot uitkoop bereid te zijn omdat een gelijkwaardig alternatief is gegeven. Nu daarover in deze uitspraak anders is geoordeeld, dient verweerder deze optie in zijn verdere belangenafweging te betrekken.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 300,-- (twee maal € 150,--) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 1092,50, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB