Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8706

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
11/3379 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG). Het CBR mag afgaan op de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Verweerder is gehouden een EMG op te leggen als is voldaan aan de wettelijke bepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: 11/3379 WET

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer op 10 oktober 2011 in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. S.S. Oedit Doebé,

en

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder.

Zitting hebben:

mr. J.A.A.G. de Vries, rechter,

mr. R.M. Wiersma, griffier.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij besluit van 17 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd, omdat eiser, volgens een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994, van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland van 4 januari 2010 en twee op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van 21 september 2010, op 21 september 2010 is aangehouden wegens het besturen van een motorvoertuig terwijl hij tijdens het rijden een mobiele telefoon vast hield en omdat hij bij het verlaten van de doorgaande rijbaan (een rotonde) geen teken met de richtingaanwijzer gaf.

2. Bij besluit van 1 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hetgeen eiser in bezwaar naar waarheid heeft aangevoerd. Verweerder hecht ten onrechte veel geloof aan de verklaring van de verbalisant. Eiser betwist dat hij tijdens het besturen van zijn voertuig zijn mobiele telefoon in handen heeft gehad. De verbalisant moet een pakje sigaretten hebben aangezien voor een mobiele telefoon. Eiser betwist voorts de verklaring van de verbalisant dat hij bij het verlaten van de rotonde geen richting zou hebben aangegeven.

4.1. Ingevolge artikel 131, vierde lid, van de WVW 1994 voor zover thans van belang, legt het CBR, indien zodanige mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

4.2. Ingevolge artikel 10b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR tot oplegging van een EMG, indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht, als vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

4.3. Bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, van de Regeling bepaalt, voor zover thans van belang, het volgende:

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

C. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren …. Of interne factoren, zoals het ‘hand held’ bellen …

..

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

e. het gebruik van lichten en geven van signalen.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt, en dat aan de verklaring van de verbalisant volgens vaste jurisprudentie in beginsel geloof dient te worden gehecht. De stelling van eiser op de hoorzitting dat de verbalisant een pakje sigaretten moet hebben aangezien voor een mobiele telefoon is niet waarschijnlijk. Bovendien had eiser enkele minuten later de telefoon nog in handen. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij werd gebeld. Voor wat betreft het niet richting aangeven bij het verlaten van een rotonde heeft eiser alleen eiser alleen verklaard dat dit niet hoefde. Een verbalisant heeft er geen belang bij om niet gedane waarnemingen te noteren. Eiser heeft er alle belang bij een zo gunstig mogelijk beeld van het voorval te schetsen. Eiser dient aannemelijk te maken dat de waarnemingen van de verbalisant niet kloppen. Dat heeft eiser niet gedaan. Nu is voldaan aan artikel 131 van de WVW 1994 en artikel 10b, eerste lid, sub a van de Regeling is verweerder gehouden eiser een EMG op te leggen.

6. De rechtbank stelt vast dat het rijbewijs van eiser naar aanleiding van de EMG op 4 juli 2011 ongeldig is verklaard. Het daartegen gerichte bezwaar is door verweerder gegrond verklaard, zodat eiser belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over het onderhavige beroep.

7. Eiser betwist dat hij de door de politie geconstateerde overtredingen heeft begaan. Nu eiser daartegen niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, hebben deze besluiten rechtskracht gekregen en mag verweerder daarvan uitgaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal. Dit geldt te meer waar eiser niet terstond heeft verklaard dat hij geen telefoon maar een pakje sigaretten in zijn handen had, en waar eiser terstond heeft verklaard te denken dat hij geen richting behoefde aan te geven bij het verlaten van een rotonde. De wet staat verweerder bovendien niet toe geen EMG op te leggen als is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke bepalingen. Verweerder moet een EMG opleggen in de gevallen die in bijlage 7 van de Regeling zijn genoemd.

8. Nu het beroep ongegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een proceskostenveroordeling.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB