Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8667

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
AWB 10-4267 WIB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inburgeringsexamen. Strijd met associatierecht tussen de EU en Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4267 WIB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Mulders.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres inburgeringsplichtig is en dat zij voor 26 november 2013 het inburgeringsexamen dient te behalen.

Bij besluit van 26 augustus 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2011. Eiseres is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. H. Saygi. Tevens waren ter zitting aanwezig de dochter en echtgenoot van eiseres.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld een nader standpunt in te nemen.

De meervoudige kamer heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2011. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar buurvrouw [buurvrouw] als tolk. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De meervoudige kamer heeft het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 6 mei 2011 heeft de meervoudige kamer het onderzoek heropend in afwachting van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) die op 14 februari 2011 een vergelijkbare zaak als de onderhavige ter zitting heeft behandeld en bepaald dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1. Eiseres bezit de Turkse nationaliteit en verblijft sinds 1996 in Nederland.

1.2. Verweerder heeft eiseres bij het primaire besluit meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is. Eiseres dient voor 26 november 2013 het inburgeringsexamen of een ander examen dat vrijstelt van de inburgeringsplicht te behalen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dat eiseres werkt en op haar kleinkind past en daarbij de huishoudelijke taken moet doen, kan volgens verweerder niet leiden tot ontheffing van de inburgeringsplicht. Evenmin is de omstandigheid dat eiseres analfabeet is reden om eiseres te ontheffen.

1.3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat uit de uitspraak van de Raad van 16 augustus 2011 (LJN: BR4959) blijkt dat eiseres niet verplicht is om deel te nemen aan het inburgeringsexamen. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat zij niet in staat is de inburgeringscursus te volgen. Eiseres werkt en past op haar kleinkind en heeft huishoudelijke taken. Zij verzorgt haar zoon na een ongeval. Eiseres zou ontslag moeten nemen om de cursus te volgen en dat zou grote financiële gevolgen hebben. Haar schoondochter zou dan ook moeten stoppen met werken om zelf op haar kind te passen. Voorts stelt eiseres dat zij als vrouw goed participeert in de Nederlandse samenleving.

2.1. Op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet inburgering (Wi) is evenmin inburgeringsplichtig de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 kan worden opgelegd.

2.2. In zijn uitspraak van 16 augustus 2011 (LJN: BR4959) heeft de Raad geoordeeld dat de inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers in Nederland in strijd is met verschillende bepalingen van het associatierecht tussen de Europese Unie en Turkije. Toegespitst op het thans bestreden besluit leidt dit tot de volgende beoordeling.

3.1. De rechtbank is van oordeel dat, in lijn met de uitspraak van de Raad van 16 augustus 2011, eiseres als Turkse staatsburger, op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wi niet inburgeringsplichtig is.

3.2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Nu een nader op bezwaar te nemen besluit, gelet op voorgaande overwegingen, slechts kan inhouden dat het primaire besluit, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar, wordt herroepen, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.3. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 mei 2010 gegrond en herroept dit besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 150,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, voorzitter, mrs. C.J. Polak en S.J. Riem, leden, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB