Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8641

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
Parketnummer 13-057786-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis, preliminair verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, vrijspraak, heimelijk opgenomen bekennende verklaring.

De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie en de politie steken hebben laten vallen in het voorbereidend onderzoek. De rechtbank is echter, anders dan de raadsman, van oordeel dat deze verzuimen, ieder op zich noch tezamen en in onderling verband bezien, dermate ernstig zijn dat zij tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten leiden.

Vast staat dat het slachtoffer op 1 november 2002 met een hamer meermalen op het hoofd en lichaam is geslagen. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Welbeschouwd is de enige mogelijke link naar verdachte de heimelijk opgenomen uitlating tegenover zijn nicht waarvan verdachte bestrijdt dat deze op waarheid berust. Nu het hier niet een verklaring van een verdachte betreft, die onder de in het strafprocesrecht gebruikelijke waarborgen is afgelegd, kan de rechtbank hier geen betrouwbaar bewijs aan ontlenen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/057786-03 (Promis)

Datum uitspraak: 30 november 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1970],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en wonende op het adres [adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Velthorst, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 01 november 2002 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (van achteren) heeft benaderd en/of met een hamer op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of (toen die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] (meermalen) met die hamer op de rug en/of de buik, althans tegen het lichaam heeft geslagen;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 01 november 2002 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een moeilijk te bewegen arm en/of gevoelloze vingers en/of een hoofdwond), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer] (van achteren) heeft benaderd en/of met een hamer op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of (toen die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] (meermalen) met die hamer op de rug en/of de buik, althans tegen het lichaam heeft geslagen;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 01 november 2002 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (van achteren) heeft benaderd en/of met een hamer op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of (toen die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] (meermalen) met die hamer op de rug en/of de buik, althans tegen het lichaam heeft geslagen.

3. Voorvragen

3.1 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en heeft ter onderbouwing daarvan het volgende naar voren gebracht.

Ten eerste is er geen onderzoek gedaan naar het corpus delicti, de klauwhamer die door de politie in beslag is genomen en daarna zoek is geraakt. De hamer, en daarmee eventueel zich daarop bevindende ontlastende sporen, is niet onderzocht en kan niet meer onderzocht worden, waardoor mijn cliënt in zijn belangen is geschaad. Ten tweede is er geknoeid met de fotoconfrontatie, nu aan getuigen [getuige 1] en [getuige 2] een verkeerde foto is getoond. Ten derde heeft de rechter-commissaris de officier van justitie uitdrukkelijk opdracht gegeven om een nieuwe fotoserie met de foto van verdachte aan de getuigen te tonen aan welke opdracht de officier van justitie niet heeft voldaan. Ten vierde is niet gebleken dat er een serieuze poging is ondernomen voornoemde getuigen alsnog te horen, terwijl hun personalia bekend zijn bij de politie. Dit alles vormt een opeenstapeling van onzorgvuldig handelen van het Openbaar Ministerie en de politie, waardoor de mogelijkheid tot het verzamelen van ontlastend materiaal, en daarmee het verdedigingsbelang is geschaad, aldus de raadsman.

3.1.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gezegd het te betreuren dat de hamer zoek is geraakt, maar dat geen sprake is geweest van boos opzet van de zijde van het Openbaar Ministerie of de politie.

De rechter-commissaris heeft inderdaad bevolen dat, indien de foto van verdachte niet aan de getuigen was getoond, er alsnog een nieuwe fotoconfrontatie moest plaatsvinden. Die opdracht had betrekking op de persoon die destijds in hechtenis zat. Toen de aangever werd geconfronteerd met de (achteraf bezien) ten onrechte als verdachte aangemerkte man en hij deze niet als de dader herkende, bleek dat de verkeerde persoon vast zat. Die persoon is direct in vrijheid gesteld en aan zijn belangen is dus recht gedaan.

In dit stadium heeft het geen zin meer om de getuigen alsnog met de juiste foto van verdachte te confronteren. Verdachte is immers in een uitzending van [televisiemaker] herkenbaar in beeld geweest. Ten slotte heeft de politie getracht de fotoconfrontatie-set te reconstrueren en heeft zij geprobeerd in contact te komen met de getuigen. Deze pogingen zijn helaas vruchteloos gebleken. Daarbij merkt de officier van justitie nog op dat de verdediging nimmer heeft verzocht om het horen van de getuigen.

3.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het zoekraken van de hamer een ernstig en onherstelbaar verzuim is. Ook zijn er fouten gemaakt bij de fotoconfrontaties, die evenmin kunnen worden hersteld.

De rechtbank deelt echter niet de mening van de raadsman, dat de officier van justitie een opdracht van de rechter-commissaris heeft genegeerd waardoor verdachte in zijn belangen is geschaad. Zoals de officier van justitie uiteen heeft gezet, heeft de rechter-commissaris die opdracht gegeven in de strafzaak tegen een andere verdachte. Daarom kan niet worden gezegd dat verdachte door het niet voldoen aan de opdracht van de rechter-commissaris, in zijn belangen is geschaad. Verder wijst de rechtbank erop dat de verdediging nimmer heeft verzocht om het horen van de getuigen ter terechtzitting. Overigens is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat er wel degelijk enige inspanningen door de politie zijn verricht om in contact te komen met de getuigen.

De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie en de politie steken hebben laten vallen in het voorbereidend onderzoek. De rechtbank is echter, anders dan de raadsman, van oordeel dat deze verzuimen, ieder op zich noch tezamen en in onderling verband bezien, dermate ernstig zijn dat zij tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten leiden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat door voornoemde omissies ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. De stelling van de verdediging dat de officier van justitie ten gevolge hiervan niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging, wordt daarom verworpen.

3.2.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ook overigens ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van de aangever en het feit dat de aangever de verdachte heeft herkend. Verder wijst de officier van justitie op de getuigenverklaring van [getuige 3], die wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1], en het geconstateerde letsel bij de aangever. De officier voert bovendien ter bewijs aan de ten behoeve van het televisieprogramma [televisiemaker] heimelijk opgenomen bekennende verklaring van verdachte. De stelling van verdachte dat hij de door middel van een verborgen camera opgenomen bekentenis heeft verzonnen, acht zij niet aannemelijk.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting betoogd dat verdachte met klem ontkent [slachtoffer] met een hamer op het hoofd te hebben geslagen. Er kan geen waarde worden gehecht aan de vermeende bekentenis die door middel van een verborgen camera is geregistreerd. Volgens verdachte was er in zijn leefomgeving sprake van niet-aflatende geruchten dat hij iets met het hem ten laste gelegde feit te maken heeft. Verdachte wilde van dit stigma af en heeft daarom tegenover zijn nicht, mevrouw [nicht van verdachte], een bekentenis afgelegd. Hij heeft, bezijden de waarheid, verklaard dat hij de dader was om zo politie en justitie te dwingen de zaak verder te onderzoeken. Verdachte heeft er achteraf spijt van dat hij niet op een andere manier heeft getracht een einde te maken aan de geruchten, aldus de raadsman. Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat het slachtoffer niet heeft gezien wie hem heeft geslagen en slechts van anderen heeft gehoord dat ene [bijnaam] de dader was. Geen enkele getuige heeft verdachte aangewezen of herkend. Zij hebben allen enkel van anderen gehoord dat het [bijnaam] betrof. Uit het dossier blijkt voorts dat er verschillende mensen zijn die de naam [bijnaam], ook wel gespeld als [bijnaam] of [bijnaam], ([achternaam verdachte]) gebruiken, en niet valt uit te sluiten dat één van hen verantwoordelijk is voor het incident dat op 1 november 2002 plaatsvond. De raadsman verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vast staat dat [slachtoffer] op 1 november 2002 met een hamer meermalen op het hoofd en lichaam is geslagen. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. De aangever heeft niet gezien wie hem heeft geslagen. De aangever heeft van anderen, niet bekend geworden personen, gehoord dat ‘[bijnaam]’ de dader was. Nu aangever de verdachte reeds voordat het ten laste gelegde plaatsvond als [bijnaam] kende, is het niet verwonderlijk dat hij verdachte vervolgens ook bij een fotoconfrontatie herkende. Getuige [getuige 3] heeft niet gezien wie aangever heeft geslagen. De signalementen die de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] van de dader hebben gegeven zijn dermate algemeen dat zij in feite geen onderscheidende kenmerken bevatten. Op de keper beschouwd is de enige mogelijke link naar verdachte de heimelijk opgenomen uitlating tegenover zijn nicht waarvan verdachte bestrijdt dat deze op waarheid berust. Nu het hier niet een verklaring van een verdachte betreft, die onder de in het strafprocesrecht gebruikelijke waarborgen is afgelegd, kan de rechtbank hier geen betrouwbaar bewijs aan ontlenen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat op basis van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

5. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering niet-ontvankelijk is.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

6. Beslissing

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. D. van den Brink en C.A.E. Wijnker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Jongkind, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 november 2011.