Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8639

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/4414 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tot aanwijzing als gemeentelijk monument van de panden aan de Fagelstraat 44-60 en aan de Jacob Catskade 37-41 te Amsterdam. Ondanks dat de panden aan de Fagelstraat al geheel zijn gesloopt en de panden aan de Jacob Catskade binnenkort gesloopt worden, is er ten aanzien van laatstgenoemde panden nog een resterend procesbelang voor eiseres. De uitspraak van de rechtbank over de weigering de panden aan te wijzen kan van invloed zijn op een eventueel nieuw aan te spannen voorlopige voorzieningprocedure met betrekking tot de sloopvergunning.

De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder mocht afwijken van het positieve advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten (CMW), omdat dat advies zodanige vragen opriep dat aan de juistheid daarvan moest worden getwijfeld. De CMW is niet voldoende ingegaan op het feit dat de panden een lage ordewaardering hebben en de panden in 2007, bij een door het Bureau Monument & Archeologie (BMA) gemaakte selectie van potentiële monumentale panden, niet zijn geselecteerd. Het BMA heeft geadviseerd de panden niet als monument aan te wijzen, omdat de panden daarvoor van te geringe monumentale kwaliteit zijn. Verweerder heeft zijn besluit op het advies van het BMA mogen baseren. Voor zover op grond van de door eiseres in beroep ingebrachte deskundigenverklaringen moet worden aangenomen dat de panden toch enige monumentale (vooral stedenbouwkundige) waarde bevatten, heeft verweerder na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid kunnen besluiten de panden niet aan te wijzen. De panden verkeren in een zeer slechte staat, zodat behoud ervan voor de eigenaar erg kostbaar zou worden, en in de panden zullen seniorenwoningen worden gerealiseerd, waar belang bij is. Daarnaast zijn voor die plannen al vergunningen verleend en is door de eigenaar op basis daarvan al met slopen begonnen. Bij de bouwplannen is ook rekening gehouden met het stedenbouwkundige belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4414 VEROR

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de vereniging Vereniging voor behoud van Authentieke Woningen in Stadsdeel Westerpark,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde S.J. Cnossen

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. R.M. de Graaf.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

de stichting Stichting Ymere,

derdebelanghebbende,

gemachtigde mr. L. Houweling.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om de panden aan de Fagelstraat 44-60 en aan de Jacob Catskade 37-41 te Amsterdam als gemeentelijk monument aan te wijzen, afgewezen.

Bij besluit van 23 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Namens eiseres is tevens verschenen drs. W.R.F. van Leeuwen, architectuurhistoricus en historicus. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. R. Breek. Stichting Ymere (hierna: Ymere) is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [projectleider], projectleider.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Ymere is eigenaar van de panden Fagelstraat 44-60 en Jacob Catskade 37-41 te Amsterdam. Verweerder heeft Ymere een sloopvergunning verleend om de genoemde panden te slopen, omdat Ymere op de percelen waarop die panden staan, 22 appartementen en 4 groepswoningen voor senioren wil neerzetten. Voor dit bouwplan heeft verweerder op 12 november 2009 aan Ymere een bouwvergunning eerste fase verleend, die in beroep in stand is gebleven (uitspraak van deze rechtbank van 10 augustus 2011). De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 september 2011 geoordeeld dat ook de aan Ymere verleende sloopvergunning in stand kan blijven. Eiseres heeft tegen deze uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en de Afdeling om een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzitter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 4 november 2011 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Op het hoger beroep is nog niet beslist.

1.2 Eiseres heeft hangende de procedures tegen de sloop- en bouwvergunningen op

15 januari 2011 bij verweerder een verzoek ingediend om de genoemde panden aan de Fagelstraat en de Jacob Catskade aan te wijzen als gemeentelijke monumenten.

1.3 Ter zitting is gebleken dat de sloop van die panden inmiddels zodanig vergevorderd is dat alleen de panden aan de Jacob Catskade nog overeind staan. De panden aan de Fagelstraat zijn nagenoeg geheel gesloopt en de panden aan de Jacob Catskade zullen volgens de planning half januari 2012 worden gesloopt. Eiseres heeft in verband hiermee ter zitting verklaard dat haar beroep zich uitsluitend nog richt tegen de weigering om de panden aan de Jacob Catskade 37-41 als gemeentelijk monument aan te wijzen.

2. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het geschil.

2.1 De rechtbank dient allereerst te beoordelen of eiseres nog procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep, nu ook de sloop van de panden aan de Jacob Catskade 37-41 zich in een vrij vergevorderd stadium bevindt en het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de sloopvergunning mogelijk pas behandeld zal worden nadat deze panden al zijn gesloopt. Naar het oordeel van de rechtbank dient evenwel te worden geconcludeerd dat er voor eiseres nog steeds een procesbelang resteert, nu de uitkomst van deze procedure van invloed kan zijn op de uitkomst van een eventuele nieuw aan te spannen voorlopige voorzieningenprocedure bij de Afdeling. De voorzitter van de Afdeling heeft immers in de uitspraak van 4 november 2011 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen onder - onder meer - de overweging dat eiseres vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het afwijzende besluit ten aanzien van de monumentenstatus in rechte geen stand zal houden. Hieruit valt af te leiden dat een (opnieuw te vragen) voorlopige voorziening bij de Afdeling meer kans van slagen zou kunnen hebben, indien de rechtbank in deze procedure tot de conclusie komt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Hierin is het procesbelang van eiseres gelegen.

2.2. In deze procedure ligt, gezien het voorgaande, uitsluitend nog de vraag voor of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren de panden aan de Jacob Catskade 37-41 als monument aan te wijzen. De door eiseres aangevoerde gronden tegen het bouwplan van Ymere, waaronder dus de beroepsgrond dat Ymere een bouwplan had kunnen verkiezen dat meer op het behoud van de (gevel van de) panden zou zijn gericht, alsook de gronden tegen de onttrekkingsvergunning, kunnen bij de beantwoording van deze vraag geen rol spelen en worden daarom buiten beschouwing gelaten.

2.3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, waarbij de weigering om de panden aan de Jacob Catskade 37-41 als gemeentelijk monument aan te wijzen, is gehandhaafd, het volgende ten grondslag gelegd. Bij brief van 2 oktober 2007 heeft het Bureau Monument & Archeologie (BMA) het stadsdeel een selectielijst overhandigd van bouwwerken die in het kader van het Gemeentelijk Monumenten Project (GMP) door het BMA worden voorgedragen om aangewezen te worden als gemeentelijk monument. Op deze lijst komen de panden aan de Jacob Catskade 37-41 niet voor. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de panden een lage ordewaardering hebben (Orde 3), heeft verweerder het verzoek van eiseres aanvankelijk zonder het inwinnen van advies afgewezen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit heeft verweerder het BMA om een beschrijving van de panden en de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam Commissie IV (hierna: de CMW) om een advies gevraagd. Het BMA heeft op 6 juni 2011 een notitie vervaardigd over de panden en de CMW heeft op 21 juni 2011 het advies uitgebracht om de panden als gemeentelijk monument aan te wijzen. Omdat verweerder twijfelde aan dit advies, heeft verweerder de CMW om een nadere toelichting en ook het BMA om advies gevraagd. Het CMW heeft die toelichting gegeven en het BMA heeft verweerder in een advies van 25 juli 2011 bericht dat de panden architectonisch en cultuurhistorisch niet van een zodanige monumentale kwaliteit zijn dat zij in aanmerking komen voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Nadat verweerder dit advies aan de CMW heeft voorgelegd, heeft de CMW verweerder bij brief van 28 juli 2011 bericht dat dit geen wijziging brengt in het advies de panden aan te wijzen. Verweerder heeft in de omstandigheid dat het BMA de panden destijds niet in het kader van de GMP heeft geselecteerd, de panden een Orde 3 status hebben, het BMA heeft geconcludeerd dat de panden slechts van geringe monumentale kwaliteit zijn en de CMW hierop niet inhoudelijk is ingegaan, aanleiding gezien om af te wijken van het advies van de CMW en - onder verwijzing naar het advies van het BMA - de weigering om de panden aan te wijzen als gemeentelijk monument (wegens geringe monumentale waarde van die panden) gehandhaafd.

2.4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de panden aan de Jacob Catskade wel in voldoende mate monumentale waarden hebben om voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking te komen. Volgens eiseres had verweerder meer belang moeten hechten aan het oordeel van de CMW, die dit standpunt onderschrijft, dan aan het oordeel van het BMA. De rol van het BMA is volgens eiseres dubieus en nergens op gebaseerd. Eiseres heeft verklaringen van drs. W.R.F. van Leeuwen, de Stichting Cuypersgenootschap, prof. Dr. V. Stissi en de Erfgoedverenging overgelegd, waarin voor het behoud van de panden wordt gepleit.

2.5. De Monumentenverordening Westerpark 2010 (hierna: de Monumentenverordening) verstaat onder het begrip monument een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening kan verweerder, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

In het tweede lid is bepaald dat verweerder, voordat hij over de aanwijzing een besluit neemt, advies vraag aan de adviescommissie monumentenzorg. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.

2.6. De rechtbank stelt vast dat de panden aan de Jacob Catskade tot de zogenaamde negentiende-eeuwse Ring behoren. Aangezien niet alle bebouwing binnen die Ring dezelfde architectonische waarde of stedenbouwkundige kwaliteit heeft, zijn er binnen de negentiende-eeuwse Ring gradaties aangebracht. Deze waardering is aangegeven op kaarten, die als beleid zijn aangenomen. De architectonische kwaliteit van de bebouwing wordt in opklimmende waardering aangegeven met Orde 1 (monumenten of monumentwaardige bebouwing), Orde 2 (hoge waarde), Orde 3 (middel hoge waarde) Basisorde (lage waarde).

De panden aan de Jacob Catskade 37-41 zijn aangewezen als Orde 3 panden.

2.7. De CMW heeft tot aanwijzing van de panden aan de Jacob Catskade geadviseerd, omdat de panden deel uitmaken van nog gave en oorspronkelijke bouwblokken die in de periode 1895-1903 tot stand zijn gekomen. Volgens de CMW zijn de panden karakteristieke voorbeelden van “aannemersarchitectuur” uit deze periode, waarbij de timmerman, de metselaar en de aannemer verantwoordelijk waren voor het ontwerp en de uitvoering. Volgens de CMW is kenmerkend de eenvoudige, maar verzorgde architectuur, waarbij sprake is van harmonie in verscheidenheid met aandacht voor detaillering met decoratieve elementen en samenhang in het materiaalgebruik. De panden vormen een goed voorbeeld van laat negentiende-eeuwse, begin twintigste-eeuwse woonbebouwing. Dergelijke woningblokken zijn in een door sloopnieuwbouw veranderd stadsbeeld van belang als drager van de oorspronkelijke negentiende-eeuwse karakteristiek. De panden aan de Jacob Catskade maken deel uit van een beeldbepalende kade van de Kattensloot. Lange zichtlijnen tonen het beeld van een gave karakteristiek negentiende-eeuwse gevelwand. De panden zijn van grote stedenbouwkundige en beeldbepalende waarde, aldus de CMW.

2.8. Bij brief van 5 juli 2011 heeft verweerder de CMW om een nadere toelichting op het advies gevraagd. Verweerder heeft hierbij opgemerkt dat het advies volgens hem vrij bondig en te algemeen is en ook onverwacht komt, nu de panden met een lage architectuurorde (Orde 3) zijn aangeduid en de panden niet voorkomen op de door het BMA in 2007 gemaakte lijst van aan te wijzen panden. Verweerder heeft voorts opgemerkt dat de stadsuitleg uit de negentiende eeuw meer wordt gekenmerkt door architectuur uit één periode. In een eeuw tijd zijn er volgens verweerder ook in de negentiende-eeuwse ring vele blokken door sloop/nieuwbouw samengesteld uit panden uit verschillende perioden. In de iets ruimere omgeving (200-300 meter) zijn er echter meerdere bouwblokken die nog geheel gaaf uit begin negentiende eeuw zijn, zoals de blokken aan de Van Beuningenstraat, Boezelaarstraat, Van Hoogendorpstraat, Bentinkstraat, Cliffordstraat en Van der Hoopstraat, aldus verweerder. Het stedenbouwkundige argument van gaafheid kan volgens verweerder dan ook niet het doorslaggevende argument zijn om de panden aan te wijzen als gemeentelijk monument. Dit zou volgens verweerder immers betekenen dat dan alle panden die zich in gave bouwblokken bevinden als monumentwaardige bouwwerken moeten worden beschouwd.

2.9. In de nadere toelichting, die de CMW verweerder op 20 juli 2011 heeft verschaft, heeft de CMW naar voren gebracht dat de in de waarderingskaarten vastgestelde orden bij de beoordeling of sprake is van monumentale waarde een ondergeschikte rol spelen. De CMW heeft erop gewezen dat de Commissie II van de CMW, die bouwplannen toets, er al in 2008 op heeft gewezen dat de vrij grootschalige sloop van de negentiende-eeuwse panden zich niet verhoudt tot het streven van het stadsdeel naar behoud en bescherming van de negentiende-eeuwse buurten en panden. Bij het vaststellen van de ordekaarten hebben de stadsdelen dit door middel van convenanten afgesproken. De CMW stelt dat de sloop/nieuwbouwplannen van de afgelopen jaren het karakter van de negentiende-eeuwse buurten sluipenderwijs heeft doen kantelen. De nog bestaande, oorspronkelijke bebouwing krijgt daardoor een steeds belangrijkere functie in het nog ervaarbaar houden van de negentiende-eeuwse karakteristiek. Daarbij geldt volgens de CMW ook voor Orde 3 panden behoud als uitgangspunt. De CMW stelt tot slot dat niet alleen de CMW overtuigd is van de waarde van de bouwblokken, maar dat ook het BMA zich heeft uitgesproken voor bescherming van de panden.

2.10. Uit het advies dat het BMA op 25 juli 2011 over de panden heeft uitgebracht, volgt dat de panden aan de Jacob Catskade architectonisch en cultuurhistorisch niet van een zodanige monumentale kwaliteit zijn dat zij in aanmerking komen voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Door de markante ligging op de hoek Singelgracht en Kattensloot ligt het cultuurhistorisch belang van de panden volgens het BMA vooral in de stedenbouwkundige waarde van dit blok dat nog geheel gaaf bewaard is gebleven. Het BMA wijst erop dat er in het gebied veel stadsvernieuwing heeft plaatsgevonden met behoud van de negentiende-eeuwse stadsstructuur, maar dat de architectuur die hiernaar verwijst echter zienderogen verdwijnt. Het BMA adviseert verweerder daarom zorgvuldig om te gaan met de panden.

2.11. In de reactie van de CMW hierop stelt de CMW dat zowel de CMW als het BMA hebben geconcludeerd dat de panden stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarde hebben, dat de CMW hieraan de conclusie verbindt dat de aanwijzing van de panden als gemeentelijk monument gerechtvaardigd is en dat de omstandigheid dat het BMA dit niet doet, voor de CMW geen aanleiding geeft van het eerdere advies terug te komen.

2.12. De rechtbank overweegt dat verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiseres, het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Monumentenverordening in acht heeft genomen en de CMW (alsnog) om advies heeft gevraagd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder het vervolgens uitgebrachte advies niet zonder meer behoefde op te volgen, maar zich er van diende te vergewissen of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud niet zodanige gebreken vertoont dat het niet aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn verzoek om een nadere toelichting van de CMW van 5 juli 2011 voldoende duidelijk gemaakt waarom hij twijfelde aan de (totstandkoming van de) conclusies van de CMW dat de panden zodanige monumentale waarden hebben dat aanwijzing van de panden gerechtvaardigd is. In de omstandigheid dat de panden als Orde 3 panden zijn aangemerkt en de panden daarbij ook niet zijn opgenomen in de selectie van potentiële monumentale panden, die het BMA in het kader van het GMP nog geen vier jaar geleden had opgesteld, heeft verweerder afdoende reden kunnen zien om te twijfelen aan het advies van de CMW en nadere toelichting aan de CMW en om een ander, tweede advies aan het BMA te vragen.

2.13. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ook afdoende toegelicht waarom hij vervolgens meer waarde heeft gehecht aan het advies van het BMA en in de nadere toelichting van de CMW geen aanleiding heeft gezien het advies van het BMA voor onjuist te houden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder - anders dan eiseres heeft gesteld - het BMA als ook ter zake deskundig heeft kunnen aanmerken. Het BMA is een gemeentelijke dienst, die als kerntaak heeft het adviseren van de stadsdelen over aanwijzingen van gebouwen als gemeentelijk monument en het coördineren van het stedelijk beleid ten aanzien van monumenten. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat uit het advies van de CMW kan worden afgeleid dat het stadsdeel het beleid hanteert dat het streeft naar behoud en bescherming van de negentiende-eeuwse buurten en panden, maar dat de CMW ook heeft gesteld dat de stadsdelen door middel van ordewaarderingen hebben aangegeven welke panden in het bijzonder voor behoud in aanmerking komen. Nu de panden aan de Jacob Catskade een Orde 3 - en geen Orde 1 of 2 - waardering hebben gekregen, heeft verweerder daarin dan ook terecht aanleiding gezien om vraagtekens te zetten bij de conclusies van de CMW over monumentale waarden van het pand, te meer nu ter zitting is gebleken dat de CMW ook heeft bijgedragen aan het vaststellen van de ordewaarderingen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat met het nadere advies van de CMW onvoldoende duidelijk is geworden waarom bij de panden, ondanks de lage ordewaardering, sprake is van dusdanige monumentale waarden dat een aanwijzing als monument gerechtvaardigd is. Nu het BMA heeft geconcludeerd dat sprake is van geringe monumentale waarden en de CMW in de reactie op dit advies hierop niet inhoudelijk is ingegaan, heeft verweerder daarin aanleiding kunnen zien van het advies van de CMW af te wijken en het advies van het BMA te volgen. Aan eiseres (en de CMW) kan worden toegegeven dat ook het BMA heeft geconcludeerd dat sprake is van stedenbouwkundige, cultuur- en architectuurhistorische waarde, maar uit het advies van het BMA volgt duidelijk dat deze waarden niet zodanig zijn dat de panden voor aanwijzing als gemeentelijk monument in de zin van de Monumentenverordening in aanmerking komen, welk advies het BMA heeft herhaald in een brief van 15 november 2011 aan verweerder.

2.14. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat de ordewaardering voor de panden te laag is en verweerder aan die ordewaardering niet de betekenis heeft mogen hechten die hij daaraan heeft gehecht, overweegt de rechtbank het volgende. Nu ter zitting is gebleken dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de waardering van de panden op korte termijn zal worden aangepast, heeft verweerder bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat de panden als Orde 3 panden zijn gewaardeerd. Het enkele feit dat de ordekaarten tien jaar geleden zijn vastgesteld, doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter zitting genoegzaam toegelicht dat de CMW en het BMA terecht de vrees hebben geuit dat moet worden opgepast dat de negentiende-eeuwse architectuur niet verloren gaat, maar dat dit geen aanleiding geeft juist de panden aan de Jacob Catskade aan te wijzen als gemeentelijk monument of om aan de juistheid van de destijds vastgestelde ordewaarderingen te twijfelen. Eiseres heeft - gezien ook de discussie die hierover ter zitting heeft plaatsgevonden, waarbij verweerder het standpunt heeft verdedigd dat er nog verschillende begin negentiende-eeuwse gave bouwblokken in de omgeving van de panden zijn - onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door sloop/nieuwbouw de situatie in de negentiende-eeuwse ring dusdanig gewijzigd is dat de panden thans een volstrekt andere waardering zouden hebben gekregen.

2.15. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat de rapportage van het BMA niet volledig is geweest, omdat het interieur van die panden niet bij de beoordeling is meegenomen en het interieur van de panden zeer waarschijnlijk hoge monumentale waarde heeft, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de brief van het BMA van 15 november 2011 en ter zitting is gebleken dat het interieur van de panden aan de Jacob Catskade inmiddels wel is beoordeeld, met uitzondering van één appartement. Uit de verslaglegging van die beoordeling, zoals verweerder die ter zitting heeft voorgelezen, volgt dat het interieur van de panden nagenoeg geen monumentale waarde bevat en dat de kans dat juist het niet beoordeelde appartement wel monumentale waarde zou bevatten, uiterst gering is, gelet op de uitgewoonde staat van alle overige appartementen die wel zijn beoordeeld. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor de opvatting dat het advies op dit punt voor onjuist moet worden gehouden. Verweerder heeft in dit advies dan ook geen aanleiding behoeven te zien van de weigering de panden aan te wijzen, terug te komen.

2.16. De door eiseres (eerst) in beroep overgelegde verklaringen van deskundigen Stissi en Van Leeuwen geven de rechtbank geen aanleiding te concluderen dat de weigering de panden aan te wijzen geen stand kan houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting afdoende toegelicht waarom die verklaringen niet tot de conclusie leiden dat verweerder in afwijking van het advies van het BMA had moeten concluderen dat de panden zodanige monumentale waarden hebben dat een aanwijzing tot monument had moeten volgen. De deskundigen, de CMW alsook het BMA hebben weliswaar alle gepleit voor behoud van de panden, al dan niet langs de weg van het aanwijzen van de buurt als beschermd stadsgezicht om de stedenbouwkundige betekenis van de panden te beschermen, maar dit leidt niet tot de conclusie dat de panden vanwege hun monumentale waarde in aanmerking hadden moeten komen voor een aanwijzing als monument. De vraag of verweerder, gezien de verschillende adviezen, de buurt waarin de panden zich bevinden, had moeten aanwijzen als beschermd stadsgezicht, ligt niet ter beoordeling voor.

2.16.1. De rechtbank overweegt in dit verband voorts nog dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat zelfs indien - op basis van de verklaringen van de deskundigen, waaronder met name die van Van Leeuwen - aangenomen zou moeten worden dat de panden toch meer monumentale waarden bevatten dan op basis van de lage ordewaardering, het ontbreken van de panden op de GMP-lijst en het advies van het BMA is aangenomen, dit na afweging van alle betrokken belangen ook dan niet tot de aanwijzing van de panden leidt. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat het behoud van die (volgens verweerder nog altijd niet bijzonder groot te achten) monumentale waarden van de panden niet opweegt tegen het belang van Ymere, die vergevorderde, concrete en vergunde sloop- en bouwplannen heeft, en tegen het belang van de realisatie van ouderenhuisvesting. Verweerder heeft bij de belangenafweging voorts in aanmerking genomen dat de panden in een uiterst slechte staat verkeren, zodat behoud van de panden voor Ymere een zeer kostbaar verhaal zou worden. Daarbij is met het stedenbouwkundig belang, dat met name door de deskundigen van belang is geacht, in het vergunde bouwplan van Ymere rekening gehouden doordat het nieuwbouwproject zorgvuldig wordt ingepast in de bestaande negentiende-eeuwse stedenbouwkundige structuur, aldus verweerder.

2.16.2. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gezien de gegeven motivering, ook indien uitgegaan zou worden van meer dan geringe monumentale waarde van de panden, niet worden geconcludeerd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de panden aan te wijzen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat op grond van het door Ymere overgelegde rapport van ingenieursbureau List van 10 augustus 2005, waaruit de slechte staat van de fundering en casco van de panden blijkt, aannemelijk kan worden geacht dat de panden inderdaad in een uiterst slechte conditie verkeren. Eiseres heeft haar standpunt dat die conclusie niet juist is, niet onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van een deskundig tegenadvies.

2.17. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder (in redelijkheid) heeft kunnen besluiten niet tot aanwijzing van de panden aan de Jacob Catskade 37-41 als gemeentelijk monument over te gaan. Hetgeen eiseres in dit verband verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

2.18. De rechtbank overweegt tot slot dat haar niet is gebleken dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de bezwaarfase is bedoeld om eventuele gebreken aan een primair besluit te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit bij het bestreden besluit in voldoende mate gedaan, zodat ook deze beroepsgronden niet slagen.

2.19. Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van

M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB