Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8484

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
HA RK 11-134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ex artikel 36 Rv. Het verzoek is gericht tegen de kantonrechter. Het verzoek is afgewezen.

Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat rechter voorbij is gegaan aan (het door verzoeker gemaakte bezwaar tegen) een wijziging (vermindering) van eis, heeft geoordeeld dat de zaak niet geschikt is voor comparitie, de rechter de rolwaarnemer beschermt, de rechter de hoogte van de huurachterstand niet juist vermeldt en het tussenvonnis niet deugdelijk is gemotiveerd.

Naar het oordeel van de wrakingskamer staat voorop dat het onderhavige verzoek tot wraking gericht is op het tussenvonnis. Nadien gebleken feiten en omstandigheden zoals die van het door verzoeker vermelde kort geding, kunnen niet aan dit verzoek ten grondslag worden gelegd en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten. Voorts staat in beginsel de juistheid van de door de rechter genomen beslissing hier niet ter beoordeling omdat het gesloten systeem van rechtsmiddelen daarvoor geen ruimte biedt. Een groot deel van hetgeen door verzoeker is aangevoerd stuit hierop af. Dat de rechter de gevolmachtigde van de woningstichting in bescherming zou nemen blijkt niet uit het tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 4 april 2011 ingekomen en onder rekestnummer

HA RK 11-134 ingeschreven verzoek van :

[verzoeker],

wonende te Amsterdam,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- het verzoek tot wraking van 4 april 2011 met bijlagen;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 6 april 2011;

- een reactie van verzoeker, met bijlagen, van 24 april 2011 op de reactie van de rechter.

Deze stukken zijn (voorzover niet in zijn bezit) voor de zitting aan verzoeker toegezonden. Verzoeker heeft meegedeeld hiervan kennis te hebben genomen.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten en niet ter zitting te zullen verschijnen om zijn reactie nader toe te lichten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 mei 2011 in aanwezigheid van verzoeker. Verzoeker heeft ter zitting een kopie van de dagvaarding in het nadien door eiseres in de bij de rechter aanhangige procedure, aangespannen kort geding overgelegd.

1. Feiten

a) Verzoeker is gedaagde partij in een bij de rechter aanhangige zaak onder nummer 1232991 CV EXPL 11-8520 (Stichting woningstichting Eigen Haard tegen verzoeker).

b) Na conclusie van antwoord van verzoeker is de zaak op de rolzitting van 18 maart 2011 geplaatst. Verzoeker is daar verschenen en heeft het woord gevoerd. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van 28 maart 2011 voor het wijzen van vonnis.

c) Verzoeker heeft na de rolzitting van 18 maart 2011diezelfde dag per fax een aanvullende schriftelijke reactie gezonden.

d) De rechter heeft deze fax aangemerkt als aanvullend verweer en tegelijkertijd met het vonnis van 28 maart 2011 (hierna: het tussenvonnis) aan verzoekers wederpartij doen toezenden.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende, zakelijk weergegeven, gronden.

- De rechter is voorbijgegaan aan (het door verzoeker gemaakte bezwaar tegen) een wijziging (vermindering) van eis.

- Met zijn oordeel dat de zaak niet geschikt is voor comparitie geeft de rechter blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

- De rechter beschermt de rolwaarnemer.

- De rechter heeft in zijn reactie de hoogte van de huurachterstand niet juist vermeldt en de gang van zaken niet correct weergegeven.

- Het tussenvonnis is niet deugdelijk gemotiveerd.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft gemotiveerd bestreden dat er sprake is van partijdigheid dan wel van de schijn van partijdigheid. Voor zover van belang wordt wat hij heeft aangevoerd hierna besproken.

4. De ontvankelijkheid van het verzoek/de gronden van de beslissing

4.1 De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of het verzoek ontvankelijk is.

4.2 Artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoekers bekend zijn geworden.

4.3 Het tussenvonnis is op 31 maart 2011 aan verzoeker toegezonden, waarna het verzoek tot wraking is ingediend op 4 april 2011. Gelet hierop is het verzoek tijdig gedaan, zodat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.

4.4 Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv, dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal het verzoek worden beoordeeld.

4.5 Voorop wordt gesteld dat het onderhavige verzoek tot wraking gericht is op het tussenvonnis. Nadien gebleken feiten en omstandigheden zoals die van het door verzoeker vermelde kort geding, kunnen niet aan dit verzoek ten grondslag worden gelegd en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten. Voorts staat in beginsel de juistheid van de door de rechter genomen beslissing hier niet ter beoordeling omdat het gesloten systeem van rechtsmiddelen daarvoor geen ruimte biedt.

4.6 Het oordeel van de rechter dat de zaak in het stadium waarin die zich bevindt niet geschikt is voor een comparitie van partijen, kan niet tot het oordeel leiden dat de rechter een vooringenomenheid jegens verzoeker koestert of dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is objectief gerechtvaardigd is. De rechter geeft immers slechts aan dat de zaak thans nog niet geschikt is voor een comparitie van partijen. Indien hij definitief zou hebben besloten dat de zaak zich niet leent voor een comparitie, levert die beslissing evenmin grond voor die vrees nu dat een beslissing betreft zoals hiervoor bedoeld in 4.5.

4.7 Uit het tussenvonnis blijkt inderdaad niet van verzoekers bezwaren tegen de vermindering van eis. Dit zou een omissie kunnen zijn, maar dit kan niet tot het oordeel leiden dat de rechter niet onpartijdig is. Verzoeker krijgt immers bij dupliek ruimschoots de gelegenheid om zijn bezwaar naar voren te brengen.

4.8 Dat de rechter de gevolmachtigde van de woningstichting Eigen Haard in bescherming zou nemen blijkt niet uit het tussenvonnis. De rechter laat zich noch uit over de mededeling van de gevolmachtigde dat de huuroverschrijving alsnog in februari 2010 heeft plaatsgevonden, noch over verzoekers mededeling dat dit niet mogelijk is omdat hij in januari 2011 een uitvalbericht van deze overschrijving heeft ontvangen.

4.9 Het verwijt dat de rechter zich schuldig maakt aan begunstiging is ongegrond nu verzoeker niet meer aanvoert dan wat de gevolmachtigde heeft verklaard onjuist is.

4.10 Tenslotte wordt opgemerkt dat de wrakingskamer niet bevoegd is tot het in behandeling nemen van een aangifte tegen de rolwaarnemer en evenmin tot het verwijzen van de behandeling van de zaak naar een andere kantonrechter, zoals verzocht door verzoeker.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

? wijst het verzoek tot wraking af;

? bepaalt dat de zaak met nummer 1232991 CV EXPL 11-8520 wordt hervat in de stand waarin de zaak zich op het moment van het indienen van het wrakingsverzoek bevond.

Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, en mrs. J. Knol en C.M. Degenaar, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.