Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8483

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
HA RK 2011.14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ex artikel 36 Rv. Het verzoek is gericht tegen de kantonrechter. Het verzoek is afgewezen.

Het verzoek berust op de stelling dat de kantonrechter door een door hem ter zitting gemaakte opmerking over het overleggen van e-mails vooringenomen is geweest ten aanzien van de behandeling van de zaak. Tegenover de stellige ontkenning van verzoekster dat zij zich via e-mail heeft schuldig gemaakt aan onheus gedrag, heeft de rechter laten weten dat er wel e-mails zouden kunnen zijn en heeft hij de indruk gewekt dat het in het voordeel was van verzoekster dat deze e-mails niet in het dossier zaten. Hierdoor heeft de rechter zich partijdig opgesteld, daar waar het voor de hand had gelegen de werkgever aan te spreken op het ontbreken van een onderbouwing van een dergelijke ernstige beschuldiging.

Naar het oordeel van de wrakingskamer staat vast dat de kwestie met betrekking tot de e-mails twee maal aan de orde is geweest tijdens de zitting. Nadat de kwestie voor de eerste maal aan de orde kwam, heeft de rechter zich gewend tot de wederpartij van verzoekster, die liet weten dat er geen stukken meer zouden worden overgelegd. De rechter heeft daarop medegedeeld dat het geen zin had om verder op dit onderwerp in te gaan omdat hij met betwiste en niet overgelegde e-mails geen rekening kon houden. Nadat de gemachtigde van verzoekster op dit onderwerp doorging heeft de rechter een luchtig bedoelde opmerking gemaakt om een einde aan die discussie te maken. Zelfs als bij verzoekster een andere indruk is ontstaan, dan nog blijkt daar geen vooringenomenheid uit. De stellige mededeling van de rechter is immers niet voor een andere uitleg vatbaar dan dat hij juist geen rekening kon houden met niet overgelegde e-mails. Daarom is de vrees van verzoekster naar het oordeel van de rechtbank niet objectief gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Zaaknummer HA RK 2011.14

Beschikking op een verzoek tot wraking ex artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering van:

[verzoekster],

verzoekster tot wraking,

gemachtigde mr. N.H.G. Beltman, advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter], hierna: de rechter, belast met de behandeling van een bij de rechtbank ingediend verzoekschrift.

1. Verloop van de procedure

Bij brief van 18 januari 2011 heeft de gemachtigde namens verzoekster een verzoek tot wraking van de rechter gedaan.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het verzoek tot wraking;

? de aantekeningen van de griffier van de zitting d.d.17 januari 2011;

? het schriftelijke verweer van de rechter d.d. 25 januari 2011.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 februari 2011, waar de rechtbank verzoekster, haar advocaat en de rechter heeft gehoord.

De uitspraak is nader bepaald op dinsdag 8 maart 2011.

Gronden van de beslissing

1. Feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) De rechter is belast met de behandeling van een door de werkgeefster van verzoekster bij de rechtbank ingediend verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek staat geregistreerd onder nummer [nummer].

b) Verzoekster heeft op 15 januari 2011 een verweerschrift tevens zelfstandig verzoek tot ontbinding ingediend. Op 17 januari 2011 heeft de behandeling van het verzoek plaatsgevonden ten overstaan van de rechter.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Het verzoek is gebaseerd op de navolgende, ter zitting nader toegelichte, zakelijk weergegeven gronden, die in de kern op het volgende neerkomen.

2.2 Een onderdeel van het geschil tussen partijen betrof het feit dat de werkgeefster verzoekster verwijt zich schuldig te hebben gemaakt aan het verzenden van e-mails waarin zij een medewerker van de werkgeefster zwart heeft gemaakt en onwaarheden heeft verspreid. Verzoekster heeft daar tegenover gesteld dat -nu deze niet zijn overgelegd- zij geen idee heeft over welke e-mails het gaat. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat er geen e-mails konden en zouden worden overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat verzoekster een verwijt kon worden gemaakt. De kantonrechter heeft toen tegen verzoekster en haar gemachtigde gezegd:” Het is (misschien) maar goed dat die e-mails niet zijn overgelegd. Wie weet wat daar in heeft gestaan” althans woorden van gelijke strekking. Uit deze zinsnede blijkt dat de kantonrechter vooringenomen is geweest ten aanzin van de behandeling van de zaak, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade heeft geleden. Tegenover de stellige ontkenning van verzoekster dat zij zich via e-mail heeft schuldig gemaakt aan onheus gedrag, heeft de rechter laten weten dat er wel e-mails zouden kunnen zijn en heeft hij de indruk gewekt dat het in het voordeel was van verzoekster dat deze e-mails niet in het dossier zaten. Hierdoor heeft de rechter zich partijdig opgesteld, daar waar het voor de hand had gelegen de werkgever aan te spreken op het ontbreken van een onderbouwing van een ernstige beschuldiging.

3. De reactie van de rechter

De rechter heeft voor zover van belang aangevoerd dat de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling door verzoekster niet correct is weergegeven. Over de door verzoekster aan de orde gestelde e-mails heeft de rechter gezegd dat hij met betwiste en niet overgelegde e-mails uiteraard geen rekening kon houden en dat het dus geen zin had daar verder energie aan te besteden, nu de gemachtigde van de wederpartij al duidelijk had gemaakt dat er ook geen nadere stukken meer zouden worden overgelegd. Toen de gemachtigde van [verzoekster] desondanks verder inging op het onderwerp van de omstreden e-mails heeft de rechter een luchtig bedoelde opmerking gemaakt in de trant van: wees blij dat er geen “onheuse” e-mails zijn overgelegd, om daar nogmaals aan toe te voegen dat hij met hem onbekende e-mails geen rekening kon en zou houden. Verzoekster trekt deze losse opmerking, die zonder verdere bedoeling was, in haar verzoek geheel buiten zijn verband en geeft daar een duiding aan die evident niet bedoeld was. Verzoekster heeft aan deze opmerkingen in alle redelijkheid niet de indruk kunnen ontlenen dat hij ervan uitging dat er (misschien) wel voor haar nadelige e-mails zouden zijn. De rechter is van mening dat er geen gronden zijn voor wraking.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2 Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3 De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter, of van een volledige kamer, dat door verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter(s) partijdig is/zijn. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter of rechters, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter(s) ontbreekt.

4.4 De rechtbank is van oordeel dat aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden geen aanwijzing is te ontlenen dat de rechter - subjectief - partijdig is.

4.5 Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is.

4.6 Naar het oordeel van de rechtbank levert de door verzoekster gewraakte opmerking van de rechter, op zichzelf beschouwd geen grond op voor de vrees dat de rechter in dit geval de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen. Niet enkel de visie van verzoekster is beslissend; de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt, moet objectief gerechtvaardigd zijn.

4.7 Vast staat dat de kwestie met betrekking tot de e-mails twee maal aan de orde is geweest tijdens de zitting. Nadat de kwestie voor de eerste maal aan de orde kwam, heeft de rechter zich gewend tot de wederpartij van verzoekster, die liet weten dat er geen stukken meer zouden worden overgelegd. De rechter heeft daarop medegedeeld dat het geen zin had om verder op dit onderwerp in te gaan omdat hij met betwiste en niet overgelegde e-mails geen rekening kon houden. Nadat de gemachtigde van verzoekster op dit onderwerp doorging heeft de rechter een luchtig bedoelde opmerking gemaakt om een einde aan die discussie te maken. Zelfs als bij verzoekster een andere indruk is ontstaan, dan nog blijkt daar geen vooringenomenheid uit. De stellige mededeling van de rechter is immers niet voor een andere uitleg vatbaar dan dat hij juist geen rekening kon houden met niet overgelegde e-mails. Daarom is de vrees van verzoekster naar het oordeel van de rechtbank niet objectief gerechtvaardigd.

4.8 Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, niet is gebleken, heeft de rechter geen grond gegeven voor de vrees dat het hem bij de behandeling van deze zaak jegens verzoeker aan onpartijdigheid ontbreekt, zodat het wrakingsverzoek als ongegrond dient te worden afgewezen.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De rechtbank:

? wijst het verzoek tot wraking af;

? bepaalt dat de behandeling van de zaak met nummer [nummer] wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, J. Knol en C.M. Degenaar, leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van dinsdag 8 maart 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.