Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8481

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
500950 HA RK 313.2011
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ex art. 512 Sv. Het verzoek betreft een rechter-commissaris. Het verzoek is afgewezen.

De grondslag van het verzoek is gelegen in het feit dat de rechter-commissaris heeft beslist dat de kantoorgenoot van de raadsvrouw van verzoeker niet aanwezig mocht zijn bij het verhoor van de getuige. Verzoeker is van mening dat op grond van willekeur de aanwezigheid van de kantoorgenoot van zijn raadsvrouw wordt geweigerd bij het verhoor. Er is geen argument door de getuige gegeven op grond waarvan de kantoorgenoot niet bij het verhoor aanwezig mocht zijn. Er is ook niet aan zijn raadsvrouw gevraagd of zij bezwaar had tegen de aanwezigheid van de advocaat van de getuige.

De wrakingskamer stelt voorop dat het in beginsel aan de verdediging is om te bepalen met hoeveel advocaten zij de verdediging wil voeren en eventueel het verhoor van getuigen wil bij wonen. Daar staat tegenover dat de rechter-commissaris de orde, alsmede de gang van zaken tijdens het verhoor van een getuige, bepaalt. De rechter-commissaris dient daarbij rekening te houden met van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, alsmede de daarop betrekking hebbende rechtspraak. De rechter-commissaris dient in zaken als de onderhavige de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de getuige mee te wegen.

Zelfs als wordt uitgegaan van de door de raadsvrouw van verzoeker gegeven lezing van de gang van zaken, is de door de rechter-commissaris genomen beslissing niet zo onbegrijpelijk, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Ter zitting heeft de rechter-commissaris onweersproken gesteld dat in het dossier concrete aanwijzingen zaten die wezen op de kwetsbaarheid van de getuige. De rechter-commissaris heeft bij haar beslissing de belangen van alle betrokkenen afgewogen en daarbij de mening van de getuige en de door haar meegenomen raadsman meegewogen. Een dergelijke afweging en de daarop betrekking hebbende beslissing is voorbehouden aan de rechter-commissaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het op 3 oktober 2011 mondeling gedane en onder zaaknummer 500950 HA RK 313.2011 ingeschreven ver¬zoek van:

[verzoeker],

verzoeker,

raadsvrouw: mr. L.M. Oldenburg, advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter], in haar hoedanigheid van rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter-commissaris.

Verloop van de procedure

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? aantekeningen van de raadsvrouw van verzoeker inzake de wraking d.d. 3 oktober 2011;

? een door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2011.

De rechter-commissaris heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is in raadkamer behandeld op 3 oktober 2011, bij welke gelegenheid de rechtbank de raadsvrouw van verzoeker en de rechter-commissaris heeft gehoord.

Over en weer is in tweede termijn nog gereageerd, waarna de behandeling is gesloten.

Op 3 oktober 2011 is de beslissing mondeling op de openbare zitting uitgesproken en telefonisch aan de raadsvrouw van verzoeker en de rechter-commissaris medegedeeld.

Deze beschikking vormt de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak (een zedenzaak) geregistreerd onder parketnummer [ ].

b) Op 3 oktober 2011 stond onder meer de behandeling gepland van een getui-genverhoor door de rechter-commissaris van mevrouw [aangeefster], die aan-gifte heeft gedaan tegen verzoeker.

c) De raadsvrouw van verzoeker heeft zich samen met haar kantoorgenoot ge-meld om het verhoor namens de verdediging bij te wonen.

d) De rechter-commissaris heeft beslist dat haar kantoorgenoot niet zou worden toegelaten tot het verhoor.

e) Daarop heeft de raadsvrouw namens verzoeker het wrakingsverzoek gedaan.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1 Aan haar verzoek heeft de raadsvrouw van verzoeker het volgende ten grondslag gelegd. Voor aanvang van het verhoor van de getuige [aangeefster] deelde de rechter-commissaris mee onaangenaam verrast te zijn door de aanwezigheid van een kantoorgenoot van de raadsvrouw. Zij was hiervan niet eerder op de hoogte gesteld. De rechter-commissaris deelde mee zich overvallen te voelen door het feit dat de tweede advocaat een man was en dat door de aanwezigheid van een man bij het verhoor de zitting veranderde. Het was, aldus de rechter-commissaris, prettig geweest als het verhoor met drie vrouwen zou plaatsvinden, aangezien het volgens de rechter-commissaris een kwetsbare getuige betrof.

2. 2 Het is niet duidelijk waarom het prettig zou zijn het verhoor te laten plaatsvinden in het bijzijn van drie vrouwen. Dat het om een kwetsbare getuige gaat blijkt niet uit het dossier. In het dossier bevindt zich geen verklaring van een psychiater of een psycholoog dat die kwetsbaarheid veronderstelt. De getuige is meerderjarig en bovendien extra beschermd doordat zij een advocaat bij zich had. De rechter-commissaris heeft echter beslist dat de kantoorgenoot niet aanwezig mocht zijn bij het verhoor van de getuige. Na de beslissing arriveerde de getuige met een eigen (mannelijke) advocaat en een vertrouwenspersoon. Ook hiervan was de rechter-commissaris niet op de hoogte, maar deze advocaat mocht wel bij het verhoor aanwezig zijn. De rechter-commissaris heeft de getuige verzocht of zij er problemen mee had als de kantoorgenoot van de raadsvrouw bij het verhoor aanwezig zou zijn. De getuige heeft die vraag bevestigend beantwoord. Klaarblijkelijk was het voor de getuige geen onoverkomelijk probleem dat haar advocaat een man was. De rechter-commissaris bleef vervolgens bij haar beslissing.

2.3 Verzoeker is van mening dat op grond van willekeur de aanwezigheid van de kantoorgenoot van zijn raadsvrouw wordt geweigerd bij het verhoor. Er is geen argument door de getuige gegeven op grond waarvan hij niet bij het verhoor aanwezig mocht zijn. Er is ook niet aan zijn raadsvrouw gevraagd of zij bezwaar had tegen de aanwezigheid van de advocaat van de getuige.

2.4 Op grond van het bovenstaande is verzoeker van mening dat de rechter-commissaris door uit te gaan van de extra kwetsbaarheid van getuige, de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Wat de raadsvrouw betreft had haar kantoorgenoot niet geweigerd mogen worden bij een getuigenverhoor in een zaak waar hij advocaat in is. De rechter-commissaris heeft blijk gegeven van vooringenomenheid doordat zij de raadsvrouw wel heeft toegestaan bij het verhoor aanwezig te zijn en haar collega (een man) niet.

3. De reactie van de rechter-commissaris

3.1 De rechter-commissaris heeft aangevoerd dat haar niet tevoren kenbaar was gemaakt dat de kantoorgenoot van de raadsvrouw het verhoor bij zou wonen. De rechter-commissaris had dit graag tevoren geweten, zodat zij zich hierop zou kunnen beraden. Dat had haar de mogelijkheid gegeven om, in het geval zij toestemming zou hebben gegeven, de getuige hierop voor te bereiden. De getuige was verteld dat één advocaat van de verdachte bij het verhoor aanwezig zou zijn. Na beraad heeft de rechter-commissaris meegedeeld dat de kantoorgenoot het verhoor niet mocht bijwonen. De rechter-commissaris is van mening dat de waarheidsvinding, zeker in een zaak als deze waar het een (jongvolwassen) aangeefster/slachtoffer in een zedenzaak betreft, is gebaat bij een besloten setting met zo min mogelijk mensen. Hoe minder mensen bij het verhoor aanwezig zijn, hoe vrijer de getuige over het algemeen zal verklaren. De rechter-commissaris is van oordeel dat dit zwaarder moet wegen dan het belang van de aanwezigheid van de kantoorgenoot van de raadsvrouw, ook al speelt deze verder geen actieve rol in het verhoor. Het enkele feit dat de verdachte wordt vertegenwoordigd door twee advocaten, kan door de getuige als intimiderend ervaren worden. De rechter-commissaris heeft terzijde nog opgemerkt dat, uitgaande van de huidige constellatie, het misschien ook prettig was voor de getuige dat er alleen vrouwen bij het verhoor aanwezig waren.

3.2 Het is overigens vrij gebruikelijk dat een getuige in een zaak als deze een raadsman meeneemt naar het verhoor. De rechter-commissaris had daar dan ook geen bezwaar tegen. Niettemin vond zij in het feit dat de getuige zelf een advocaat had meegebracht aanleiding om haar beslissing te heroverwegen. De rechter-commissaris heeft bij deze nadere overweging ook de mening van de getuige en haar advocaat betrokken. De getuige had desgevraagd bezwaar tegen de aanwezigheid van de kantoorgenoot van de raadsvrouw. Daarop heeft de rechter-commissaris de raadsvrouw van verzoeker laten weten dat zij bij haar beslissing bleef.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 Sv dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2 De wrakingskamer stelt voorop dat het in beginsel aan de verdediging is om te bepalen met hoeveel advocaten zij de verdediging wil voeren en eventueel het verhoor van getuigen wil bij wonen. Daar staat tegenover dat de rechter-commissaris de orde,alsmede de gang van zaken tijdens het verhoor van een getuige, bepaalt. De rechter-commissaris dient daarbij rekening te houden met van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, alsmede de daarop betrekking hebbende rechtspraak. De rechter-commissaris dient in zaken als de onderhavige de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de getuige mee te wegen. De jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verplicht de rechter ook die belangen bij de beoordeling te betrekken. Het recht van de verdachte op ondervraging en de vorm waarin deze moet plaatsvinden (art 6 lid 3 sub d EVRM) moet onder omstandigheden afgewogen worden tegen de aanspraken op veiligheid, bescherming, privacy etc., die anderen zoals de aangeefster van een misdrijf, kunnen ontlenen aan het EVRM.

4.3 Volgens vaste jurisprudentie is het instrument van wraking niet bedoeld om als rechtsmiddel tegen processuele beslissingen te worden aangewend. Zodanige beslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, indien deze op zich dan wel in onderlinge samenhang bezien zo onbegrijpelijk zijn dat daaruit een zwaarwegende aanwijzing moet worden afgeleid voor het oordeel dat sprake is van partijdigheid van de rechter die de betrokken beslissing heeft genomen.

4.4 Zelfs als wordt uitgegaan van de door de raadsvrouw van verzoeker gegeven lezing van de gang van zaken, is de door de rechter-commissaris genomen beslissing niet zo onbegrijpelijk, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Ter zitting heeft de rechter-commissaris onweersproken gesteld dat in het dossier concrete aanwijzingen zaten die wezen op de kwetsbaarheid van de getuige. De rechter-commissaris heeft bij haar beslissing de belangen van alle betrokkenen afgewogen en daarbij de mening van de getuige en de door haar meegenomen raadsman meegewogen. Een dergelijke afweging en de daarop betrekking hebbende beslissing zijn voorbehouden aan de rechter-commissaris. Voor het oordeel dat de rechter-commissaris bij het getuigenverhoor jegens verzoeker partijdig is, dan wel dat de vrees van verzoeker voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, bestaat dan ook geen grond.

4.5 Op grond van het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat er geen gronden zijn het verzoek toe te wijzen.

5. Beslist wordt daarom als volgt.

BESLISSING:

De wrakingskamer:

? wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. D.J. Cohen Tervaert en S. P. Pompe, leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van maandag 3 oktober 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.