Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8462

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
CV 11-26226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijschrift: Geen stilzwijgende voortzetting arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waardoor geen arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1043
XpertHR.nl 2013-366421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1273646 CV EXPL 11-26226

Vonnis van: 5 december 2011

F.no.: 025

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te Amsterdam

eiser

nader te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. J.J. Kaldenbach (FNV Bondgenoten)

t e g e n

[gedaagde]

gevestigd en kantoorhoudende te Uithoorn

gedaagde

nader te noemen [gedaagde]

procederende bij: [naam] (directeur)

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 25 juli 2011 inhoudende de vordering van [eiser] met producties;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde];

Ingevolge tussenvonnis van 1 september 2011 zijn vervolgens nog ingediend:

- de conclusie van repliek van [eiser];

- de conclusie van dupliek van [gedaagde].

Daarna is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

a. [eiser], geboren op [1969], is op 20 oktober 2008 bij [gedaagde] in dienst getreden als schoonmaker algemeen onderhoud voor 38 uur per week. Het betrof een dienstverband voor de bepaalde tijd van zes maanden. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 1.588,40 bruto exclusief vakantietoeslag (conform de loonspecificatie van april 2010).

b. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst (Looptijd) luidt, voorzover van belang:

“De overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 6 maanden met een proeftijd van 2 maanden. Deze overeenkomst kan tweemaal voor maximaal een half jaar per keer worden verlengd. Indien na de eerste of tweede periode wordt overgegaan tot een overeenkomst van onbepaalde tijd, ontvangt u uitsluitend en alleen van de directie hierover tijdelijk en schriftelijk bericht. (…)”

c. Voorafgaand aan de verlenging van deze arbeidsovereenkomst per 20 april 2009 met zes maanden tot 20 oktober 2009, heeft in april 2009 tussen partijen een gesprek plaatsgevonden.

d. [eiser] heeft na 20 oktober 2009 zijn werkzaamheden ongewijzigd voortgezet.

e. Een brief van 28 oktober 2009 van [gedaagde] luidt, voorzover hier van belang: “Zoals u misschien weet, bent u door uw leidinggevende beoordeeld op uw functioneren, in verband met de afloop van het tweede halfjaarcontract.

Het is verheugend te kunnen mededelen dat u op alle punten een voldoende ‘scoort’. Ga zo door! Hiermee is de weg vrijgemaakt om zonder problemen verder te gaan met het derde halfjaarscontract, welke afloopt per 20-04-2010. (…)”.

f. Artikel 9 lid 4 van de toepasselijke CAO luidt:

“een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die stilzwijgend (…) verlengd wordt, wordt geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd”.

g. Bij brief van 13 april 2010 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat het dienstverband aan het einde van de derde arbeidsovereenkomst niet werd verlengd en derhalve zou eindigen op 20 april 2010.

h. Bij brief van 20 april 2010 van zijn gemachtigde heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de derde arbeidsovereenkomst op 20 oktober 2009 stilzwijgend was verlengd, zodat op basis van de CAO sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 20 april 2010 werd opgevat als een opzegging waarvoor toestemming ex artikel 6 jo. 9 BBA ontbreekt. [eiser] deed een beroep op de nietigheid van de opzegging en hield zich beschikbaar de werkzaamheden te verrichten. Tevens maakte hij aanspraak op doorbetaling van salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

i. Bij brief van 21 april 2010 heeft [gedaagde] bij monde van mevrouw [naam medewerkster personeelszaken ] (Personeelszaken, hierna: [naam medewerkster personeelszaken]) het volgende geschreven:

“Bij indiensttreding van het personeel wordt uitdrukkelijk besproken dat er sprake is van een contract voor bepaalde tijd, welke twee maal kan worden verlengd. Pas na drie periodes van zes maanden en goede beoordelingen kan worden overgegaan tot een vast contract.

Ook in oktober 2009 heeft er tijdig een beoordeling plaatsgevonden door onze bedrijfsleider, de heer [naam bedrijfsleider] (hierna: [naam bedrijfsleider]). Deze beoordeling is besproken met de heer [eiser], waarbij hem is medegedeeld dat het contract weer voor 6 maanden kon worden verlengd.

Door afwezigheid van ondergetekende is dit inderdaad pas op 28 oktober 2009 bevestigd”.

j. Bij brief van 2 juni 2010 heeft de gemachtigde van [eiser] het standpunt herhaald dat inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.

k. Bij brief van 3 juni 2010 heeft [gedaagde] onder meer gewezen op artikel 2 van de arbeidsovereenkomst.

l. Op verzoek van [eiser] heeft op 13 april en 1 juni 2011 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Gehoord zijn: [naam bedrijfsleider] (bedrijfsleider) en [naam medewerkster personeelszaken], beiden in dienst van [gedaagde] alsmede [eiser] in persoon.

standpunten van partijen

3. [eiser] stelt – kort gezegd – dat de tweede arbeidsovereenkomst op 20 oktober 2009 stilzwijgend is verlengd, zodat op grond van de CAO een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Anders dan vóór het einde van de eerste arbeidsovereenkomst, is vóór 20 oktober 2009 niet met [eiser] over het al dan niet verlengen van de arbeidsovereenkomst gesproken. Nu [eiser] na 20 oktober 2009 wel gewoon zijn werkzaamheden heeft voortgezet, moet ervan worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is verlengd en deze dus niet van rechtswege afliep op 20 april 2010.

4. [eiser] bestrijdt met name dat met hem vóór 20 oktober 2009 een gesprek heeft plaatsgevonden, waarvan de bevestiging wegens vakantie tot 28 oktober 2009 heeft moeten wachten. [eiser] stelt dat hij het door [gedaagde] opgestelde beoordelingsformulier, waar bij handtekening werknemer staat: “Hij wilde niet tekenen”, pas voor het eerst heeft gezien op 13 april 2010. [eiser] wijst erop dat het beoordelingsformulier, dat kennelijk tevens heeft gediend als gespreksverslag, niet is gedateerd.

5. [gedaagde] beroept zich bij wijze van verweer op de gebruikelijke gang van zaken binnen haar bedrijf ten aanzien van de verlenging van tijdelijke contracten, zoals deze ook blijkt uit de verklaringen van haar medewerkers [naam bedrijfsleider] en [naam medewerkster personeelszaken] tijdens het voorlopig getuigenverhoor. Deze gebruikelijke gang van zaken houdt in – kort gezegd – dat [naam bedrijfsleider] als direct leidinggevende de gesprekken met de medewerkers voert, al dan niet aan de hand van een beoordelingsformulier, terwijl het signaleren van het naderende verstrijken van een contract voor bepaalde tijd alsmede het registreren van tijd, plaats en datum van een gesprek geschiedt door personeelszaken. [naam bedrijfsleider] noch [naam medewerkster personeelszaken] konden, wegens het lange tijdsverloop, tijdens het voorlopig getuigenverhoor met zekerheid verklaren op welk moment precies met [eiser] is gesproken over de verlenging van het tweede contract. Zowel [naam bedrijfsleider] als [naam medewerkster personeelszaken] menen zich te herinneren dat in het geval van [eiser] de gebruikelijke procedure is gevolgd.

6. [gedaagde] stelt zich daarbij op het standpunt, dat met het feit dat in de arbeidsovereenkomst in artikel 2 staat vermeld dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd slechts twee keer wordt verlengd en dat uitsluitend de directie bericht stuurt over het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, de stelling van [eiser] dat met geen woord is gesproken over de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voldoende wordt weersproken.

beoordeling

7. Bij de beoordeling van de vraag of partijen stilzwijgend zijn overgegaan tot verlenging van een arbeidsovereenkomst, moet tevens worden betrokken wat te dien aanzien kan worden afgeleid uit de gedragingen vlak voor of na de einddatum. Doorslaggevend is of de werknemer op grond van de gedragingen van de werkgever heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van het contract stilzwijgend werd voortgezet.

8. [eiser] heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de eerste verlenging per 20 april 2009 tussen partijen een gesprek heeft plaatsgevonden waarin de verlenging werd besproken. Voorafgaand aan het aflopen van de tweede periode per 20 oktober 2009 is een dergelijk gesprek achterwege gebleven, aldus [eiser]. Hij stelt dat hij hieruit mocht afleiden dat de tweede arbeidsovereenkomst derhalve stilzwijgend werd voortgezet.

9. Niet staat met zekerheid vast dat vóór 20 oktober 2009 een gesprek met [eiser] heeft plaatsgevonden, waarin hem uitdrukkelijk is meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst nogmaals voor de duur van zes maanden is verlengd. De namens haar betrokken werknemers [naam bedrijfsleider] en [naam medewerkster personeelszaken] kunnen zich dit niet precies herinneren. Wel hebben zij beiden onder ede verklaard dat het de gebruikelijke gang van zaken is bij [gedaagde] dat vóór het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de betrokken werknemer wordt gesproken. Geen van beiden kan zich herinneren dat in het geval van [eiser] hiervan is afgeweken, hetgeen – mede gelet op de brief van 28 oktober 2009 – ook voor de hand ligt.

10. [eiser] betwist dat hij het door hem als produktie 12 bij dagvaarding in het geding gebrachte beoordelingsformulier, dat volgens [gedaagde] tevens dienst doet als gespreksverslag, vóór 20 april 2010 heeft gezien. Nu het formulier niet is gedateerd, kan het geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of er vóór 20 oktober 2009 een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden en zo ja, wanneer.

11. Aan [gedaagde] kan anderzijds worden toegegeven dat in de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk in artikel 2 (Looptijd) is vermeld dat de arbeidsovereenkomst maximaal twee keer voor een half jaar kan worden verlengd en dat bij het aangaan van een overeenkomst van onbepaalde tijd de betrokken werknemer “uitsluitend en alleen” van de directie hierover tijdig schriftelijk bericht krijgt. Dat staat echter niet in de weg aan de mogelijkheid dat desondanks stilzwijgende verlenging plaatsvindt, waarop artikel 9 lid 4 van de CAO betrekking heeft. Zoals gezegd gaat het erom of de werknemer dit op grond van de handelingen of gedragingen van de werkgever mocht aannemen. Het ligt op de weg van de werknemer om dit te stellen en te bewijzen.

12. [eiser] heeft niet anders gesteld dan dat er geen gesprek met hem is gevoerd vóór 20 oktober 2009, waarin [gedaagde] hem uitdrukkelijk had kunnen mededelen dat de verlenging van de arbeidsovereenkomst per die datum opnieuw een verlenging voor bepaalde tijd betrof. [naam bedrijfsleider] en [naam medewerkster personeelszaken] hebben beiden verklaard dat de gang van zaken in het geval van [eiser] gelijk was aan de gebruikelijke gang van zaken binnen het bedrijf. Gelet op de gang van zaken bij de verlenging van de eerste arbeidsovereenkomst, is dit niet onaannemelijk. Nu bovendien uitdrukkelijk in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst de bedoeling van [gedaagde] blijkt om eerst tweemaal een verlenging aan te bieden en slechts schriftelijk een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden, na tussenkomst van de directie, mocht [eiser] onder dze omstandigheden niet uit de handelingen of gedragingen van [gedaagde] aannemen dat het de bedoeling was om de arbeidsovereenkomst na 20 oktober 2009 stilzwijgend voor onbepaalde tijd voort te zetten.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen.

14. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering af;

II. veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot worden op € 500,00, inclusief eventueel verschuldigde btw;

III. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.