Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8441

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
505921 / KG ZA 11-1946 SR/TF
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat de strafrechter de huidige vrijheidsbeneming van eiseres onrechtmatig zal achten. De vorderingen tot onmiddellijke invrijheidstelling worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 505921 / KG ZA 11-1946 SR/TF

Vonnis in kort geding van 15 december 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij dagvaarding van 12 december 2011,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf te Den Haag.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 14 december 2011 heeft eiseres gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak wordt heden uitspraak gedaan, in de vorm van dit verkorte vonnis. De uitwerking daarvan kan op een later tijdstip volgen. Die uitwerking zal in elk geval de hierna bij “De beoordeling” volgende overwegingen bevatten. Nu dat ook de dragende overwegingen uit het vonnis zijn, wordt partijen verzocht om binnen zeven dagen na de vonnisdatum aan de onderaan dit vonnis genoemde griffier, schriftelijk mee te delen of zij nog prijs stellen op een uitwerking. Mocht een dergelijk bericht niet worden ontvangen, dan zal van uitwerking worden afgezien.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van eiseres: mr. Loonstein.

aan de zijde van De Staat: mr. Dijkgraaf.

2. De feiten

Volgen bij de uitwerking.

3. Het geschil

Volgt bij de uitwerking.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Vaststaat dat eiseres op 25 maart 2011 is aangehouden op verdenking van een of meer ernstige strafbare feiten. Zij is op voornoemde datum in bewaring gesteld en op 4 april 2011 is door de rechtbank de gevangenhouding bevolen voor de duur van 30 dagen. De gevangenhouding van eiseres is daarna nog met tweemaal 30 dagen verlengd en op 21 juni 2011 heeft de eerste pro forma behandeling van de strafzaak ter terechtzitting plaatsgevonden. Tijdens deze zitting is het verzoek van eiseres tot opheffing, danwel schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

De rechtbank heeft vervolgens de zaak voor maximaal drie maanden aangehouden in verband met nader te verrichten onderzoek. Op 8 september 2011 heeft een tweede pro forma behandeling van de strafzaak plaatsgevonden. Ook op die zitting heeft eiseres om opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht. Daarbij is aandacht gevraagd voor haar slechte gezondheidstoestand. Het verzoek is wederom afgewezen en het onderzoek ter terechtzitting is vanwege het onderzoek in de strafzaak voor maximaal drie maanden aangehouden.

Op 6 december 2011 heeft de derde pro forma behandeling van de strafzaak plaatsgevonden. Op deze zitting heeft de zaak een andere wending genomen doordat eiseres onmiddellijk na voordracht van de zaak door de officier van justitie een wrakingsverzoek heeft ingediend tegen de rechtbank. De zitting is vervolgens geschorst. In het slot van het proces-verbaal van de zitting van 6 december 2011 is met betrekking tot de schorsing het volgende opgenomen: De voorzitter deelt mee dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst totdat op de bij de wet voorgeschreven wijze op de voordracht tot wraking zal zijn beslist. Inmiddels is bekend geworden dat het wrakingsverzoek op 16 december 2011 zal worden behandeld.

Eiseres stelt zich thans op het standpunt dat de termijn van de voorlopige hechtenis op 7 december 2011 is afgelopen, nu laatstelijk op 8 september 2011 het onderzoek ter terechtzitting voor drie maanden werd geschorst en de voorlopige hechtenis met die termijn werd verlengd. Eiseres stelt dat er geen wettelijk basis meer is om haar nog langer vast te houden en dat zij onrechtmatig vastzit. In dit kort geding vordert eiseres dan ook dat de officier van justitie opdracht krijgt haar onmiddellijk in vrijheid te stellen, althans dat de voorzieningenrechter de onmiddellijke invrijheidstelling van eiseres beveelt.

4.3. De Staat stelt zich allereerst op het standpunt dat de vraag of de voorlopige hechtenis van eiseres moet voortduren door de strafrechter dient te worden beantwoord. Ter zitting is aan de orde gekomen dat op 19 december 2011 het door eiseres op 8 december 2011 opnieuw gedane verzoek tot opheffing, danwel schorsing van de voorlopige hechtenis in raadkamer zal worden behandeld. Volgens De Staat is er dan ook op zeer korte termijn een geschikte rechtsgang voor eiseres beschikbaar. Er is verder ook geen sprake van een spoedeisend belang, aldus De Staat. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Indien onrechtmatige vrijheidsbeneming aan de orde wordt gesteld, is het spoedeisend belang een gegeven omdat met elke dag dat iemand ten onrechte in detentie zit diens rechten worden geschonden. Het enkele feit dat over vijf dagen eiseres in raadkamer terecht kan, ontneemt eiseres dan ook niet het spoedeisend belang.

4.4. Voor toewijzing van de vordering dient voldoende aannemelijk te zijn dat de strafrechter de huidige vrijheidsbeneming van eiseres onrechtmatig zal achten. Anders dan eiseres heeft gesteld kan de strafrechter bij een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wel degelijk de vraag of de vrijheidsbeneming onrechtmatig is, behandelen.

4.5. De Staat heeft met betrekking tot de vermeende onrechtmatige vrijheidsbeneming een primair en subsidiair verweer gevoerd. Het primaire verweer richt zich voor wat betreft het volgens De Staat voortduren van de voorlopige hechtenis op artikel 66, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en het subsidiaire verweer op artikel 282 Sv. Alvorens hier verder op in te gaan, kan in ieder geval worden vastgesteld dat in verband met het wrakingsverzoek de terechtzitting op 8 december 2011 op de voet van artikel 513 vijfde lid Sv is geschorst. De behandeling van de zaak is stil komen te liggen in afwachting van de beslissing op de wraking.

In het proces-verbaal van de zitting van 8 december 2011 is niet vermeld of de zitting voor bepaalde of onbepaalde tijd is geschorst en ook is er geen uiterste termijn aan de schorsing gesteld. Er kan echter vanuit worden gegaan dat na een wrakingsverzoek de schorsing voor onbepaalde tijd zal zijn, zij het dat de wrakingskamer op grond van artikel 515, eerste lid Sv zo spoedig mogelijk zal beslissen. Eiseres bevond zich bij aanvang van de schorsing in voorlopige hechtenis. Los van de vraag of de rechtbank met betrekking tot het voortduren van de voorlopige hechtenis nog (spoed)maatregelen mag treffen, kan in onderhavige zaak uit het proces-verbaal niet kan worden opgemaakt dat nog enige beslissing op dit onderdeel is genomen. In dat geval kan er vanuit worden gegaan dat de voorlopige hechtenis van eiseres op de voet van artikel 66, tweede lid Sv is blijven voortduren. De stellingname van eiseres dat artikel 66, tweede lid Sv in onderhavige zaak niet van toepassing is, omdat dit artikel alleen geldt in het voortraject als de behandeling ter zitting nog niet is aangevangen, wordt niet gevolgd. Immers uit artikel 66, tweede lid Sv volgt juist dat zodra het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, het bevel tot gevangenhouding blijft doorlopen totdat zestig dagen na de einduitspraak zijn verstreken, zoals De Staat terecht heeft aangevoerd. Er wordt vanuit gegaan dat de zittingsrechter vanaf dat moment voldoende toezicht op het voortduren van de voorlopige hechtenis zal uitoefenen. Ook na de behandeling van het wrakingsverzoek zal dat in het geval van eiseres zo zijn. Op grond van het voorgaande is niet aannemelijk dat de strafrechter de huidige vrijheidsbeneming van eiseres onrechtmatig zal achten.

4.6. Overigens zou, in het geval de voorzieningenrechter het primaire verweer van De Staat niet had gevolgd, het subsidiaire verweer zijn gehonoreerd. Immers in dat geval had uit artikel 282 Sv kunnen worden afgeleid dat de schorsing van de terechtzitting maximaal één maand zou zijn geweest. Ook al is dat niet met zoveel woorden in het proces-verbaal opgenomen, dan nog kan daar vanuit worden gegaan nu de wet dit maximum noemt en in het proces-verbaal geen klemmende redenen voor de langere termijn zijn vermeld. Dit volgt immers uit de strekking van artikel 282 Sv. Wanneer het subsidiaire verweer zou worden gehonoreerd, loopt de voorlopige hechtenis van eiseres in ieder geval tot maximaal 1 maand na

6 december 2011 door.

4.7. Tot slot heeft eiseres geen spoedeisend belang bij een nadere belangenafweging, in die zin dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder haar gezondheidstoestand, worden afgewogen tegen strafvorderlijke belangen, waaronder het onderzoeksbelang. Voor die afweging is een andere rechtsgang voorhanden en niet valt in te zien dat de zaak zo spoedeisend is dat deze rechtsgang niet kan worden afgewacht. Een en ander zal op grond van het reeds door eiseres ingediende verzoek tot opheffing, danwel schorsing van de voorlopige hechtenis in de raadkamer op 19 december 2011 aanstaande nader aan de orde kunnen komen.

4.8. De conclusie is dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

4.9. Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Staat worden begroot op:

- griffierecht € 560,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.376,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van De Staat tot op heden begroot op € 1.376,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.H. Felix op 15 december 2011.