Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8437

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
499960 - HA ZA 11-2507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Stichting Collectieve Actie Universiteiten (StCAU) vordert als voorlopige voorziening de (tijdelijke) schorsing van het door de universiteiten vastgestelde collegegeld voor een tweede studie. StCAU heeft daartoe gesteld dat het vastgestelde collegegeld te hoog is in relatie tot de kosten voor het onderwijs voor een tweede studie. Onvoldoende duidelijk is geworden op welke kosten StCAU doelt en bovendien is nader onderzoek noodzakelijk naar de hoogte van die kosten per universiteit. Deze vragen kunnen niet in het kader van een incidentele vordering worden onderzocht, zodat de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 499960 / HA ZA 11-2507

Vonnis van 14 december 2011

in de zaak van

de stichting

STICHTING COLLECTIEVE ACTIE UNIVERSITEITEN,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

verweerster in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. M. Kalkwiek te Tiel,

tegen

1. de stichting

STICHTING KATHOLIEKE UNIVERSITEIT,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

verweerster in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Nijmegen,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

UNIVERSITEIT VAN LEIDEN,

zetelend te Leiden,

gedaagde,

verweerster in het incident,

advocaat mr. E.J. Daalder te Den Haag,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

4. de stichting

STICHTING KATHOLIEKE UNIVERSITEIT VAN BRABANT,

zetelend te Tilburg,

5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

UNIVERSITEIT MAASTRICHT,

zetelend te Maastricht,

7. de publiekrechtelijke rechtspersoon

UNIVERSITEIT VAN UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

8. de vereniging

VERENIGING VOOR CHRISTELIJK HOGER ONDERWIJS, WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN PATIENTENZORG, ,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

verweersters in het incident,

eiseressen in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. W.E. Pors te Den Haag.

Eiseres zal hierna StCAU worden genoemd en gedaagden gezamenlijk de Instellingen. Afzonderlijk worden gedaagden respectievelijk de Radboud Universiteit, de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit van Tilburg, de Universiteit van Amsterdam, de Universiteit van Leiden, de Universiteit Maastricht, de Universiteit van Utrecht en de Vrije Universiteit genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van 1 september 2011, met producties,

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident, aan de zijde van de Universiteit van Leiden, met producties,

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident, aan de zijde van de Radboud Universiteit, met producties,

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in het incident, tevens inhoudende een bevoegdheidsincident, aan de zijde van gedaagden 3 t/m 8, met producties,

- de antwoordakte incident tot onbevoegdheid (aan de zijde van StCAU).

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten - voor zover van belang in de incidenten

2.1. StCAU is een stichting met als doel “het voorkomen van nadeel voor studenten ten gevolge van de invoering en de uitvoering van de door middel van de Wet versterking bestuur gewijzigde Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en het ter verdeling onder gedupeerde studenten, verkrijgen van financiële compensatie voor het nadeel dat zij door de invoering en de uitvoering van voornoemde wet hebben geleden, zomede al hetgeen met het voorstaand verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.”

2.2. Het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur heeft aan het Center for Higher Education Policy Studies (verder: het CHEPS), gelieerd aan de Universiteit Twente, de opdracht verstrekt om een onderzoek uit te voeren naar de kosten van opleidingen in het Wetenschappelijk en het Hoger Beroeps Onderwijs. In juni 2003 heeft het CHEPS gerapporteerd dat uit haar onderzoek is gebleken dat in de periode 1996 tot en met 2001 de onderwijskosten voor alfa/gamma opleidingen ongeveer € 4.700,00 per student per studiejaar bedroegen. Dat bedrag is berekend naar het prijzenniveau van 1995, en kent volgens het rapport een grote variatie in de kostenpatronen per onderzochte onderwijsinstelling.

2.3. Met de wijziging van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (verder: WHW) als gepubliceerd in Stb. 2010,119 is de financiering van volgtijdige studies (een tweede studie nadat een eerste studie is afgerond) gewijzigd. De overheid rekent het niet langer tot haar verantwoordelijkheid om een volgtijdige studie te bekostigen.

2.4. De Instellingen brengen collegegeld in rekening aan de bij haar ingeschreven studenten. Studenten ingeschreven voor een volgtijdige studie vallen niet onder het regime van wettelijk collegegeld maar zijn instellingscollegegeld verschuldigd aan de universiteit waaraan zij zijn ingeschreven. Sinds de onder 2.3 genoemde wijziging van de WHW bepalen (de colleges van bestuur van) de Instellingen de hoogte van het verschuldigde instellingscollegegeld.

2.5. Ieder van de Instellingen heeft voor het studiejaar 2011/2012 het instellingscollegegeld voor een volgtijdige masteropleiding rechtsgeleerdheid vastgesteld: de Radboud Universiteit: € 8.913,00, de Rijksuniversiteit Groningen: € 9.500,00, de Universiteit Tilburg: € 10.644,00, de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit en de Universiteit Maastricht: € 12.000,00, de Universiteit van Leiden: € 13.600,00 en de Universiteit van Utrecht: € 14.280,00.

2.6. Studenten kunnen tweemaal per jaar met een volgtijdige masteropleiding beginnen, bij de aanvang van het studiejaar en op 1 februari van het volgende kalenderjaar (nu dus 1 februari 2012). De Instellingen hebben te kennen gegeven dat door deze procedure het inschrijven voor een masteropleiding per 1 februari 2012 - anders dan het normale beleid - mogelijk blijft tot eind januari 2012.

3. Het geschil in de hoofdzaak en in de incidenten

3.1. StCAU vordert (samengevat) in de hoofdzaak om te verklaren voor recht dat (verwezen wordt naar het Romeinse cijfer in het petitum in de hoofdzaak):

- de Instellingen niet hebben voldaan aan hun bewijslast tot het aantonen van nut en noodzaak van het vastgestelde instellingscollegegeld (I);

- de hoogte van het instellingscollegegeld is beperkt tot de marginale kosten van de volgtijdige opleiding (II);

- de door de Instellingen gehanteerde methodieken voor het vaststellen van het instellingscollegegeld onrechtmatig is (IV en V);

- de hoogte van het instellingscollegegeld is beperkt tot een maximale hoogte van het collegegeldkrediet (thans € 8.615,00) (VIII);

- de vaststellingsbesluiten van de Instellingen onrechtmatig zijn omdat de Instellingen niet hebben aangetoond waarom zij het instellingscollegegeld op die hoogte hebben vastgesteld (I), dan wel omdat de hoogte van het instellingscollegegeld voor volgtijdige opleidingen hoger is dan de marginale kosten van deze volgtijdige opleidingen (III), dan wel omdat de maximale hoogte van het instellingscollegegeld is overschreden (IX);

- het mededingingsrecht van toepassing is op volgtijdige opleidingen (VI);

- de vaststellingsbesluiten van de Instellingen nietig zijn omdat zij te kwalificeren zijn als misbruik van een economische machtspositie (VII); en

- de Instellingen gehouden zijn tot vergoeding van de schade die studenten door de bovengenoemde onrechtmatige gedragingen hebben geleden (X).

3.2. Daartoe heeft StCAU in randnummer 1.1 van haar dagvaarding het volgende gesteld:

“In deze dagvaarding zal worden betoogd dat:

a. de hoogte van het instellingscollegegeld in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever vaak twee tot drie keer hoger is dan de marginale kosten van de betreffende volgtijdige studie;

b. de Instellingen - hoewel daartoe wettelijk verplicht - niet het nut en de noodzaak van de hoogte van het instellingscollegegeld kunnen aantonen;

c. de Instellingen (bewust) de tarieven zodanig hoog hebben vastgesteld dat wordt ontmoedigd om een tweede studie te volgen, zodat de toegang tot het volgtijdige onderwijs niet langer is gewaarborgd;

d. de Instellingen misbruik maken van een economische machtspositie door het opleggen van onbillijke verkoopprijzen in relatie tot de kostprijs en kwaliteit van het volgtijdige onderwijs;

e. de Instellingen het kartelverbod overtreden.”

3.3. StCAU vordert in het incident een voorlopige voorziening voor de duur van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om de Instellingen te veroordelen:

i. om de vaststellingsbesluiten voor wat betreft de bepalingen omtrent de hoogte van het instellingscollegegeld voor alfa/gamma opleidingen, althans de masteropleiding rechtsgeleerdheid, te schorsen;

ii. om voor de duur van de procedure genoemde bepalingen te wijzigen in dier voege dat de hoogte wordt bepaald op maximaal de hoogte van de marginale kosten van het betreffende volgtijdige onderwijs waarbij het volgende geldt. Indien de Instellingen geen actuele en correcte cijfers hebben omtrent de hoogte van de marginale kosten van het betreffende volgtijdige onderwijs zal het gemiddelde dat volgt uit het CHEPS-onderzoek, geïndexeerd voor inflatie aan de hand van de consumentenprijsindex naar heden, zijnde € 5.500,00 als maximale hoogte van het instellingscollegegeld hebben te gelden;

iii. tot het staken van de invoering van de instellingscollegegelden voor alfa/gamma opleidingen, althans de masteropleiding rechtsgeleerdheid, voor zover het in te vorderen bedrag meer beloopt dan het sub ii bedoelde bedrag;

iv. tot het nakomen van het sub ii en iii gevorderde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis op het incident, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat de betreffende gedaagde in gebreke blijft, met een maximum van € 500.000,00.

3.4. De Universiteit van Leiden, de Radboud Universiteit en gedaagden 3 t/m 8 hebben verweer gevoerd.

3.5. Gedaagden 3 t/m 8 hebben in hun conclusie van antwoord geconcludeerd dat deze rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren ten aanzien van de vorderingen voor zover die betrekking hebben op de studenten die zich per 1 september 2011 hebben ingeschreven voor een volgtijdige opleiding. Daartoe hebben gedaagden 3 t/m 8 (samengevat) gesteld dat voor die studenten bezwaar open heeft gestaan bij het College van Beroep van het Hoger Onderwijs (verder: het CBHO) tegen het vastgestelde instellingscollegegeld.

3.6. StCAU heeft daartegen - kort gezegd - aangevoerd het door gedaagden 3 t/m 8 gestelde eventueel kan leiden tot onbevoegdheid van de rechtbank indien de door hen omschreven studenten vorderingen zouden hebben ingesteld, maar niet zoals in dit geval indien de vorderingen zijn ingesteld door StCAU. Daarnaast zal het CBHO niet over alle kwesties als door StCAU opgeworpen in de dagvaarding oordelen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in het bevoegdheidsincident

4.1. Gedaagden 3 t/m 8 hebben gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Daartoe stellen zij dat studenten die zich hebben ingeschreven (voor een volgtijdige opleiding) een beslissing over het verschuldigde instellingscollegegeld hebben gehad waartegen op grond van artikel 7:66 WHW slechts beroep open staat bij het CBHO. StCAU heeft zich reeds bij dagvaarding verweerd en gemotiveerd gesteld dat het CBHO een beperkt toetsingskader heeft en niet zal ingaan op de argumenten die door StCAU in deze procedure aan de orde zijn gesteld. Tegenover deze betwisting door StCAU hebben gedaagden 3 t/m 8 voorshands onvoldoende toegelicht dat bij het CBHO sprake is van een met voldoende waarborgen omklede procedure. In het bijzonder is niet toegelicht dat het CBHO, indien een student de hoogte van het vastgestelde instellingscollegegeld bestrijdt met de argumenten die StCAU in de dagvaarding heeft uiteengezet, bereid is om die argumenten volledig te beoordelen, met inbegrip van het argument dat de door de Instellingen vastgestelde algemene regels (wegens strijd met de wet of andere normen) onverbindend en onrechtmatig zijn. Daarom wordt het beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank als onvoldoende toegelicht verworpen. De daartoe strekkende incidentele vordering van gedaagden 3 t/m 8 wordt dan ook niet toegewezen.

4.2. Gedaagden 3 t/m 8 zullen als de in het ongelijk gestelde partij in dit bevoegdheidsincident in de kosten worden veroordeeld, aan de zijde van StCAU tot op heden begroot op € 452,00 aan salaris advocaat.

in het incident tot het geven van een voorlopige voorziening

4.3. StCAU heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorzieningen hangen samen met de hoofdvorderingen en zijn gericht op voorzieningen voor de duur van de aanhangige bodemprocedure. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. Voor toewijzing van de provisionele vorderingen van StCAU dient met voldoende mate van zekerheid vast te staan dat de door haar bestreden hoogte van het door de Instellingen vastgestelde instellingscollegegeld voor volgtijdige studies dient te worden verlaagd.

4.4. Gelet op de gevorderde provisionele voorziening komt de kern van het betoog van StCAU in dit incident erop neer dat het door de Instellingen vastgestelde instellingscollegegeld voor de volgtijdige opleidingen te hoog is in vergelijking met de marginale kosten van die opleidingen. Daarbij heeft StCAU gesteld dat voor de vaststelling van de marginale kosten het CHEPS-rapport leidend kan zijn indien de Instellingen niet over volledige of correcte gegevens van die kosten beschikken.

4.5. De Instellingen hebben dit gemotiveerd betwist, waarbij zij allen erop hebben gewezen dat StCAU niet - althans onvoldoende - heeft geconcretiseerd wat onder de marginale kosten van volgtijdige masteropleidingen dient te worden begrepen. De Instellingen hebben gemotiveerd betoogd dat bij de vaststelling van de instellingscollegegelden voor volgtijdige opleidingen moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke kosten van het volgtijdig universitair onderwijs per student, en niet van de marginale kosten - in de zin als gehanteerd in de economische wetenschap, te weten: de kosten die één extra ingeschreven student met zich brengt.

4.6. Daarnaast hebben de Instellingen de juistheid en relevantie van de resultaten uit het CHEPS-onderzoek over de (marginale) kosten van volgtijdig onderwijs in twijfel getrokken.

4.7. Uit dit alles vloeit voort dat in het geschil (in de hoofdzaak) centraal staat de vraag welke kosten van het universitair onderwijs moeten worden betrokken bij de vaststelling van de instellingscollegegelden voor volgtijdige opleidingen. Beantwoording van die vraag vereist nader debat tussen partijen, zodat op dit moment onvoldoende zeker is dat de stelling van StCAU over de in haar visie te hoge instellingscollegegelden voor volgtijdige opleidingen in het studiejaar 2011/2012 juist is. Verder is - gelet op het verweer van de Instellingen - nader debat noodzakelijk over het onderzoek van het CHEPS, zodat niet zonder meer van de resultaten van dat onderzoek kan worden uitgegaan in dit incident. Tot slot is, als duidelijk is van welke kostenposten van volgtijdig onderwijs moet worden uitgegaan bij de vaststelling van de instellingscollegegelden voor volgtijdige masteropleidingen, nader onderzoek noodzakelijk naar de hoogte van de kosten van volgtijdige studenten. Pas dan kan worden beoordeeld of de stelling van StCAU dat de vastgestelde instellingscollegegelden te hoog zijn in vergelijking met de kosten van het onderwijs, stand houdt. Een dergelijk onderzoek kan niet plaatsvinden in het kader van een incidentele vordering tot het geven van voorlopige voorzieningen zoals hier is gevorderd.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat voorshands onvoldoende vaststaat dat één of meer vorderingen van StCAU zal (of zullen) worden toegewezen op grond van hetgeen zij naar voren heeft gebracht. De gevraagde voorlopige voorzieningen zijn dan ook niet toewijsbaar.

4.9. Gelet op het voorgaande kan in dit stadium in het midden blijven of (zoals de Instellingen betogen) StCAU in haar vorderingen niet kan worden ontvangen. Dit zal in de hoofdzaak aan de orde komen.

4.10. StCAU zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in dit incident worden veroordeeld. De stelling van StCAU dat zij geen middelen heeft, is geen grond om de beslissing over de proceskosten in het incident aan te houden. De kosten aan de zijde van ieder van de verwerende partijen worden tot op heden begroot op € 452,00 aan salaris advocaat.

in de hoofdzaak

4.11. Nu is gedagvaard en voor antwoord is geconcludeerd dient te worden beoordeeld of een verschijning van partijen ter terechtzitting zal worden bevolen. De Instellingen hebben verzocht om verwijzing naar de rol voor het nemen van een conclusie van repliek, StCAU heeft daarmee ingestemd. Gelet op de thans in de processtukken ingenomen stellingen en verweren is een nadere schriftelijke toelichting van partijen wenselijk. Aan StCAU zal de gelegenheid worden gegeven voor repliek te concluderen. Hiertoe zal de zaak worden verwezen naar de rol. Daarna kan de wederpartij voor dupliek concluderen.

5. De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt gedaagden 3 t/m 8 in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van StCAU begroot op € 452,00,

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident tot het geven van een voorlopige voorziening

5.4. wijst het gevorderde af,

5.5. veroordeelt StCAU in de proceskosten, tot op heden begroot op € 452,00 aan de zijde van de Radboud Universiteit, op € 452,00 aan de zijde van de Universiteit van Leiden en op € 452,00 aan de zijde van gedaagden 3 t/m 8,

5.6. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.7. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 januari 2012 voor het nemen van een conclusie van repliek.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, mr. L.S. Frakes en mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.?