Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8407

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
13/737.511-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leerplichtwet; vrijstelling in verband met levensovertuiging (Holisme); veroordeling; 500 euro boete, waarvan 250 euro voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON

LOCATIE AMSTERDAM

13 december 2011

VONNIS

In de strafzaak met parketnummer 13/737.511-11 tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende: [adres] te [woonplaats]

1. Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2011. De verdachte is ter zitting verschenen bijgestaan door haar gemachtigden drs. P.J. van Zuidam en de heer A.M.E. Hesel. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de kantonrechter bepaald dat schriftelijk vonnis wordt gewezen waarvan de uitspraak is bepaald op 13 december 2011.

2. Aan de verdachte is onder 1. en 2. ten laste gelegd: dat zij in of omstreeks de periode van 06 september 2010 tot en met 18 februari 2011 te Amsterdam als degene die het gezag uitoefende over de jongeren: (onder 1.) [jongere 1] geboren op [1995] en (onder 2.) [jongere 2], eveneens geboren op [1995], althans terwijl zij zich met de feitelijke verzorging van die jongeren had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school (het Calandlyceum te Amsterdam) waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezochten.

3. De officier van justitie (hierna: ovj) heeft gevorderd de verdachte wegens overtreding van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Leerplichtwet) te veroordelen tot betaling van

€ 750,00 bij gebreke van betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het verweer

4. Verdachte heeft, bij monde van haar gemachtigden drs. P.J. van Zuidam en de heer A.M.E. Hesel, verweer gevoerd en gesteld dat zij in plaats van een geregelde schoolgang een kennisgeving van overwegende richtingbedenkingen heeft ingediend. Zij heeft dit beroep gedaan wegens zijn overwegend geworden bedenkingen tegen de richting van alle scholen binnen redelijke afstand van haar woonplaats.

5. Namens verdachte is daarbij aangevoerd dat van rechtswege, dat wil zeggen automatisch en zonder dat een besluitvormende taak van de Gemeente aanwezig is, de vrijstelling ontstaat en dat - samengevat - indien en zodra verdachte de kennisgeving deed, de plicht tot schoolinschrijving is opgeheven. De taak van de leerplichtambtenaar is slechts te onderzoeken of de criteria van artikelen 6 en 9 van de Leerplichtwet zijn vervuld, waarbij deze zich dient te houden aan het discriminatieverbod in artikel P12-1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het recht op privacy van artikel 8 van de EVRM. De presumptie van onschuld brengt mee dat het beroep op de vrijstelling, dat aan de eisen der wet voldoet, de inschrijfplicht opheft en de verdenking kan pas ontstaan als de leerplichtambtenaar naar de ouders toe een specifieke reden kenbaar maakt, waarom het beroep niet slaagt.

Pas daarna kan de leerplichtambtenaar de ouders voor een gesprek uitnodigen en aanzeggen dat zij het opmaken van een proces-verbaal (hierna: een pv) riskeren, als zij niet binnen een redelijke termijn alsnog aan artikel 2 van de Leerplichtwet voldoen.

Pas daarna gelden de ouders als verdachten. Deze weg is door de leerplichtambtenaar niet gevolgd.

6. Voorts is namens verdachte betoogd dat de school op geen enkele manier rekening hield met het Holisme, dat de school niet adequaat reageerde toen [jongere 2] en [jongere 1] werden gepest en [jongere 2] ten onrechte naar het VMBO heeft gestuurd. Er was een kloof tussen de school en thuis.

7. Met betrekking tot de omstandigheden is door verdachte voorts nog aangevoerd dat [jongere 2] en [jongere 1] nog steeds op een school in Amsterdam zijn ingeschreven en zij inmiddels onderwijs volgen aan het ROC, een meer volwassen vorm van onderwijs. Het is de wil van verdachte dat [jongere 1] en [jongere 2] onderwijs ontvangen dat haar levensovertuiging uitdraagt. De levensovertuiging waarop het zogenoemde richtingenbezwaar is gestoeld is het Holisme. De scholen in de woonomgeving bewaren de levensbeschouwelijke neutraliteit of dragen een andere levensovertuiging uit.

8. Tot slot heeft verdachte nog aangevoerd dat zij op 8 september 2010 vrijstelling heeft gevraagd en eerst op 4 juli 2011 het pv en de kennisgeving van vervolging heeft ontvangen.

De beoordeling

Bewijs

9. De kantonrechter heeft uit de bewijsmiddelen het volgende afgeleid.

- de dochters van verdachte, [jongere 1] en [jongere 2], hebben in de periode van 6 september 2010

tot en met 18 februari 2011, niet voldaan aan de verplichting om, overeenkomstig de

bepalingen van de Leerplichtwet, de school waarop zij waren ingeschreven, geregeld te

bezoeken.

- verdachte heeft kennisgeving gedaan van een beroep op vrijstelling. Uit de daarop volgende

correspondentie heeft verdachte gesteld dat zij holist is en dat het holisme een

een stroming is die het geheel tot uitgangspunt neemt. Binnen een redelijke afstand van

haar woning is geen school, die les geeft volgens de grondslagen van het holisme.

10. Nu vaststaat dat verdachte de binnen de leeftijdsgrenzen van de leerplicht vallende dochters [jongere 1] en [jongere 2], hoewel deze waren ingeschreven op een school, die school niet geregeld hebben bezocht, verklaart de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen:

dat verdachte in de periode van 06 september 2010 tot en met 18 februari 2011 te Amsterdam als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [jongere 1] en [jongere 2], beide geboren op [1995], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerling van een school (het Calandlyceum te Amsterdam) waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezochten.

Strafbaarheid

11. Het bewezene levert op de overtreding:

als degene die het gezag heeft over jongeren uitoefent, niet te zorgen dat deze de school waarop zij waren ingeschreven, na de inschrijving geregeld bezochten.

12. Verdachte meent dat zij hiervoor niet strafbaar is, dan wel dat zij dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. Feitelijk ligt daarbij ter beoordeling voor de vraag of verdachte zich terecht op de vrijstelling van artikel 5 sub b Leerplichtwet heeft beroepen.

13. Daartoe wordt overwogen:

(i) indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet dient de rechter te onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen; blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190);

(ii) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (vgl. HR 3 oktober 2000, LJN ZD1985, NJ 2000, 703);

(iii) degene die zich op de vrijstelling beroept, dient - gelet op het voorgaande - duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van haar woning bevinden en waarop de jongeren geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen (vgl. HR 11 februari 2003, LJN AF0453).

14. Overwogen wordt dat onder de richting van het op de scholen of instellingen gegeven onderwijs in de zin van artikel 5 sub b Leerplichtwet wordt verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.

15. De bedenkingen van verdachte zijn, zo is uit de genoemde correspondentie, de verklaringen zoals vastgelegd in het eerderbedoelde pv en de toelichting van verdachte ter terechtzitting gebleken, in zoverre gericht tegen de grondslag van het onderwijs op alle scholen die binnen redelijke afstand van de woning van verdachte zijn gelegen, dat verdachte als bezwaar aanvoert dat de scholen de grondbeginselen van het holisme - zoals verdachte voorstaat - niet voldoende tot uitdrukking brengen.

16. Geoordeeld wordt dat die vaststelling geen bedenking tegen de richting van het onderwijs oplevert, doch een zekere levensbeschouwing betreft, die met een neutrale schoolgang te combineren valt, en verdachte derhalve niet kan ontslaan van de plicht om te zorgen dat [jongere 2] en [jongere 1] de school na inschrijving geregeld bezoekt. Verdachte heeft aldus niet van rechtswege een vrijstelling verkregen.

17. Geoordeeld wordt dat die - overigens juiste - vaststelling geen bedenking tegen de richting van het onderwijs oplevert en verdachte derhalve niet kan ontslaan van de plicht om te zorgen dat [jongere 2] en [jongere 1] de school na inschrijving geregeld bezoeken. Verdachte heeft aldus niet van rechtswege een vrijstelling verkregen.

18. Waar vaststaat dat de Leerplichtwet is overtreden en verdachte geen beroep op de vrijstelling van artikel 5 aanhef en sub b Leerplichtwet toekomt, terwijl ook overigens niet is gebleken dat sprake is van een ontbreken van strafbaarheid, verklaart de kantonrechter verdachte strafbaar.

Oplegging van straf of maatregel

19. Bij de strafoplegging neemt de kantonrechter de ernst van het bewezen geachte feit in aanmerking, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals uit de stukken en ter zitting gebleken. Daarbij weegt met name mee dat het de eerste keer is dat verdachte voor een strafbaar feit als het onderhavige vervolgd wordt terwijl verdachte heeft getracht door het geven van thuisonderwijs de gevolgen van haar keuze om de jongeren de school niet geregeld te bezoeken, weg te nemen. Ook weegt mee dat er bij verdachte mogelijk onduidelijkheid bestond omtrent haar verplichtingen uit hoofde van de Leerplichtwet in combinatie met het beroep op vrijstelling uit hoofde van artikel 5 van die wet.

20. De kantonrechter heeft gelet op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet, alsmede artikel 9, 14a, 14b en 24c Wetboek van Strafrecht.

21. De kantonrechter komt op grond van het vorenstaande tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De kantonrechter

- het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor in aangegeven en levert het strafbare feit op zoals hiervoor vermeld, terwijl het meer of anders ten laste gelegde niet is bewezen en verdachte daarvan wordt vrijgesproken;

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,00;

- beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien

noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

- beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, niet zal

worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat

veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft

schuldig gemaakt;

Gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.