Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8403

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
13/735.155-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leerplichtwet; vrijstelling in verband met levensovertuiging (Salafisme); veroordeling; 500 euro boete, waarvan 250 euro voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON

LOCATIE AMSTERDAM

13 december 2011

VONNIS

In de strafzaak met parketnummer 13/735.155-11 tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende: [adres] te [woonplaats]

1. Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2011. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde drs. P.J. van Zuidam. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de kantonrechter bepaald dat schriftelijk vonnis wordt gewezen waarvan de uitspraak is bepaald op 13 december 2011.

2. Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat hij in of omstreeks de periode van 01 november 2010 tot en met 15 februari 2011 te Amsterdam als degene die het gezag uitoefende over de jongere [jongere] geboren op [2005] althans terwijl hij zich met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school was ingeschreven.

3. De officier van justitie (hierna: OvJ) heeft gevorderd de verdachte wegens overtreding van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Leerplichtwet) te veroordelen tot betaling van

€ 1.500,00 bij gebreke van betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, waarvan voorwaardelijk € 750,00, te vervangen door 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.

Het verweer

4. Verdachte heeft, bij monde van zijn gemachtigde drs. P.J. van Zuidam, verweer gevoerd en gesteld dat hij in plaats van de inschrijving van de jongere [jongere] als leerling van een school, een kennisgeving van overwegende richtingbedenkingen heeft ingediend. Hij heeft dit beroep gedaan wegens zijn overwegend geworden bedenkingen tegen de richting van alle scholen binnen redelijke afstand van zijn woonplaats.

5. Namens verdachte is daarbij aangevoerd dat van rechtswege, dat wil zeggen automatisch en zonder dat een besluitvormende taak van de Gemeente aanwezig is, de vrijstelling ontstaat en dat - samengevat - indien en zodra verdachte de kennisgeving deed, de plicht tot school-inschrijving is opgeheven. De taak van de leerplichtambtenaar is slechts te onderzoeken of de criteria van artikelen 6 en 9 van de Leerplichtwet zijn vervuld, waarbij deze zich dient te houden aan het discriminatieverbod in artikel P12-1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het recht op privacy van artikel 8 van de EVRM. De presumptie van onschuld brengt mee dat het beroep op de vrijstelling, dat aan de eisen der wet voldoet, de inschrijfplicht opheft en de verdenking pas kan ontstaan als de leerplichtambtenaar naar de ouders toe een specifieke reden kenbaar maakt, waarom het beroep niet slaagt.

Pas daarna kan de leerplichtambtenaar de ouders voor een gesprek uitnodigen en aanzeggen dat zij het opmaken van een proces-verbaal (hierna: een pv) riskeren, als zij niet binnen een redelijke termijn alsnog aan artikel 2 Leerplichtwet voldoen. Pas daarna gelden de ouders als verdachten. Deze weg is door de leerplichtambtenaar niet gevolgd.

6. Voorts is namens verdachte betoogd dat de leerplichtambtenaar onder de verantwoordelijk-heid van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) een aantal (andere) ernstige, essentiële en onherstelbare vormfouten heeft gemaakt, waardoor de OvJ het recht op vervolging heeft verspeeld. De leerplichtambtenaar heeft namelijk welbewust de ontlastende brief van 3 december 2010 buiten de beoordeling van de zaak gehouden en zij heeft het middel van strafdreiging herhaaldelijk op oneigenlijke momenten (namelijk voordat de ouders als verdachten konden worden aangemerkt) gebruikt, met als doel de ouders voor privacy hoogst vatbare gegevens als hun geloof en bezwaren tegen de scholen en het onderwijs prijs te geven, terwijl de wetgever zulke vormen van onderzoek niet heeft gewild.

7. Met betrekking tot de omstandigheden vermeldt de gemachtigde van verdachte dat [jongere] niet op een school in Amsterdam is ingeschreven. Verdachte heeft het college van Burgemeester & Wethouders (B&W) van de woongemeente op 6 september 2010 een kennisgeving gestuurd van een beroep op artikel 5 van de Leerplichtwet met daarin een verklaring zoals vereist door artikel 6 lid 1 en artikel 8 lid 1 van de Leerplichtwet. De levensovertuiging waarop het zogenoemde richtingenbezwaar is gestoeld is het Salafisme en het is de wil van de ouders dat de door [jongere] bezochte school deze levensovertuiging uitdraagt. De scholen in de woonomgeving bewaren de levensbeschouwelijke neutraliteit of dragen een andere levensovertuiging uit. Van een richtingbezwaarde als verdachte kan niet worden gevergd zijn kinderen naar een openbare school te sturen.

De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid van het OM

8. De gemachtigde van verdachte heeft bepleit dat het OM niet had mogen overgaan tot vervolging c.q. zijn recht om te vervolgen heeft verspeeld. De kantonrechter dient dit verweer als voorvraag te beantwoorden.

9. Indien ouders een beroep doen op de vrijstelling, als verwoord in artikel 5 aanhef en sub b Leerplichtwet, dienen zij ingevolge artikel 8 Leerplichtwet dit te doen door middel van een kennisgeving, die een verklaring bevat waaruit de overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen. Indien de leerplichtambtenaar uit de desbetreffende verklaring concludeert dat er geen (overwegende) bedenkingen zijn, kan een pv worden opgemaakt. Vervolgens kan de OvJ op grond van het aldus opgemaakte pv besluiten tot vervolging over te gaan.

10. Het besluit om het beroep op de vrijstelling niet te honoreren, dan wel het feit dat er geen formeel afwijzend besluit is genomen maar wel een pv is opgemaakt - daargelaten dat bestuursrechtelijk het niet nemen van een besluit wordt aangemerkt als een negatief besluit - brengt niet mee dat onder verantwoordelijkheid van het OM fouten zijn gemaakt, des dat de dagvaarding nietig is of de OvJ zijn recht om te vervolgen heeft verspeeld. Dat er door de OvJ fouten zijn gemaakt die dat wel dienen te impliceren, is ook overigens niet gebleken.

De OvJ is derhalve ontvankelijk.

Bewijs

11. De kantonrechter heeft uit de bewijsmiddelen het volgende afgeleid.

- de zoon van verdachte [jongere], waarover verdachte het gezag heeft, heeft vanaf

1 november 2010, de dag dat hij leerplichtig werd, niet ingeschreven gestaan op een school

binnen een redelijke afstand van verdachtes woning.

- verdachte heeft - gelet op artikel 6 lid 2 Leerplichtwet tijdig - bij brief van 6 september 2010

kennisgeving gedaan van een beroep op vrijstelling. In de daarop volgende correspondentie

hebben de ouders gesteld dat zij salafisten zijn en dat het salafisme een bestaande stroming

is binnen de Islam, die moet worden onderscheiden van andere stromingen. Binnen een

redelijke afstand van hun woning is geen school, die les geeft volgens de grondslagen van

het salafisme.

12. Nu vaststaat dat verdachte de binnen de leeftijdsgrenzen van de leerplicht vallende zoon [jongere] nimmer als leerling op een school heeft ingeschreven, verklaart de kantonrechter wettig en overtuigend bewezen:

dat verdachte in de periode van 01 november 2010 tot en met 15 februari 2011 te Amsterdam als degene die het gezag uitoefende over de jongere [jongere] geboren op [2005], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school was ingeschreven.

Strafbaarheid

13. Het bewezene levert op de overtreding:

als degene die het gezag over de jongere uitoefent, niet te zorgen dat deze als leerling van een school staat ingeschreven.

14. Verdachte meent dat hij hiervoor niet strafbaar is, dan wel dat hij dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. Feitelijk ligt daarbij ter beoordeling voor de vraag of verdachte zich terecht op de vrijstelling van artikel 5 sub b Leerplichtwet heeft beroepen.

15. Daartoe wordt overwogen:

(i) indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet dient de rechter te onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen; blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190);

(ii) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (vgl. HR 3 oktober 2000, LJN ZD1985, NJ 2000, 703);

(iii) degene die zich op de vrijstelling beroept, dient - gelet op het voorgaande - duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen (vgl. HR 11 februari 2003, LJN AF0453).

16. Overwogen wordt dat onder de richting van het op de scholen of instellingen gegeven onderwijs in de zin van artikel 5 sub b Leerplichtwet wordt verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.

17. De bedenkingen van verdachte zijn, zo is uit de genoemde correspondentie, de verklaringen zoals vastgelegd in het eerderbedoelde pv en de toelichting van verdachte ter terechtzitting gebleken, in zoverre gericht tegen de grondslag van het onderwijs op alle scholen die binnen redelijke afstand van de woning van verdachte zijn gelegen, dat verdachte als bezwaar aanvoert dat de scholen de grondbeginselen van het salafisme - zoals verdachte voorstaat - niet voldoende tot uitdrukking brengen.

18. Geoordeeld wordt dat die - overigens juiste - vaststelling geen bedenking tegen de richting van het onderwijs oplevert en verdachte derhalve niet kan ontslaan van de plicht om te zorgen voor een inschrijving van [jongere] op een school. Verdachte heeft immers niet weergegeven wat concreet zijn bezwaren zijn tegen de scholen binnen een redelijke afstand van zijn woning. Daarmee is het voor de kantonrechter niet te onderkennen welke (overwegende) bedenkingen verdachte tegen de richting van het voor verdachtes kind beschikbare onderwijs nu precies koestert. Hoewel het gewicht van die bedenkingen buiten het ten deze te hanteren toetsingskader valt, kan derhalve niet geoordeeld worden dat verdachte zich op goede gronden heeft beroepen op de vrijstelling van artikel 5 sub b Leerplichtwet. Verdachte heeft aldus niet van rechtswege een vrijstelling verkregen.

19. Waar vaststaat dat de Leerplichtwet is overtreden en verdachte geen beroep op de vrijstelling van artikel 5 aanhef en sub b Leerplichtwet toekomt, terwijl ook overigens niet is gebleken dat sprake is van het ontbreken van strafbaarheid, verklaart de kantonrechter verdachte strafbaar.

Oplegging van straf of maatregel

20. Bij de strafoplegging neemt de kantonrechter de ernst van het bewezen geachte feit in aanmerking, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals uit de stukken en ter zitting gebleken en de Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aanpak schoolverzuim van 1 januari 2011. Daarbij weegt mee dat het de eerste keer is dat verdachte voor een strafbaar feit als het onderhavige wordt vervolgd en dat verdachte heeft getracht door het geven van thuisonderwijs de gevolgen van zijn keuze om de jongere niet op een school in te schrijven, weg te nemen. Ook weegt mee dat er bij verdachte mogelijk onduidelijkheid bestond omtrent zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 2 van de Leerplichtwet in combinatie met het beroep op vrijstelling uit hoofde van artikel 5 van die wet.

21. De kantonrechter komt op grond van het vorenstaande tot de navolgende beslissing.

22. De kantonrechter heeft gelet op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet, alsmede artikel 9, 14a, 14b en 24c Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De kantonrechter

- verklaart het ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan virj;

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,00;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

- beveelt dat van de geldboete een bedrag van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.