Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8378

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
13/520013-08 (A) en 13/532025-09 (B) (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens begunstiging (art 189 Sr) en verduistering door curator van aan zijn curanda toebehorend geld.

Vrijspraak van (gewoonte)witwassen omdat verdachte niet wist of moest vermoeden dat zijn vriend hun luxueus bestaan financierde met uit oplichting en verduistering verkregen inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/520013-08 (A) en 13/532025-09 (B) (PROMIS)

Datum uitspraak: 15 december 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte], hierna verdachte,

geboren op [1956] te [geboorteplaats], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [A-straat nr] [woonplaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 april 2009, 9 november 2009, 18 februari 2010, 21 september 2010, 29 november 2011 en 1 december 2011.

Het Openbaar Ministerie werd telkens vertegenwoordigd door mr. M.R.A. van IJzendoorn, officier van justitie. Verdachte liet zich tijdens de inhoudelijke behandeling van 29 november en 1 december 2011 bijstaan door mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na de wijziging ter terechtzitting van 18 februari 2010, ten laste gelegd dat

In zaak A:

1.

(zaaksdossier 5G)

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 19 februari 2008 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [woonplaats], in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen een of

meer voorwerp(en), te weten

A. een voertuig, te weten een auto, merk Audi type A6 Quattro, met kenteken [kenteken 1] t.w.v. (ongeveer) 45.000,-- euro en/of

B. een of meer exclusieve horloges, te weten

-een horloge van het merk Jaeger le Coultre Extreme t.w.v. (ongeveer) 7.000,-- euro en/of

-een horloge van het merk Patek Philippe 5146J-001 Jahres Kalender t.w.v. (ongeveer) 18.200,-- euro en/of

C. een of meer geldbedrag(en), zijnde huurpenningen, te weten (onder meer)

-in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 december 2007 (telkens) een bedrag van (ongeveer) 3.300,-- euro per maand voor het pand aan de [B-straat nr] te Amsterdam, in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 92.799,22 euro en/of

-in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 december 2007 (telkens) een bedrag van (ongeveer) 289,90 euro per maand oplopend naar (ongeveer) 442,-- euro per maand voor het gebruik van een parkeergarage in het pand van het Park Hotel aan de Stadhouderskade 25 te Amsterdam, in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 7.633,84 euro en/of

D. een of meer geldbedrag(en) ontvangen op bankrekeningnummer [rek.nr. 1], afkomstig van bankrekeningnummer [rek.nr. 2], te weten,

-een geldbedrag van 1.500,-- euro ontvangen op of omstreeks 6 oktober 2005 en/of

-een geldbedrag van 750,-- euro ontvangen op of omstreeks 15 november 2005 en/of

-een geldbedrag van 1.240,-- euro ontvangen op of omstreeks 1 december 2005

-een geldbedrag van 1.240,-- euro ontvangen op of omstreeks 1 december 2005 en/of

-een geldbedrag van 1.220,-- euro ontvangen op of omstreeks 1 februari 2006 en/of

-een geldbedrag van 10.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 1 november 2006 en/of

-een geldbedrag van 10.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 21 november 2006 en/of

-een geldbedrag van 10.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 20 december 2006 en/of

-een geldbedrag van 6.564,90 euro ontvangen op of omstreeks 25 januari 2007 en/of

-een geldbedrag van 3.900,90 euro ontvangen op of omstreeks 27 februari 2007 en/of

-een geldbedrag van 6.972,70 euro ontvangen op of omstreeks 30 mei 2007 en/of

-een geldbedrag van 4.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 13 juli 2007 en/of

-een geldbedrag van 1.500,-- euro ontvangen op of omstreeks 27 juli 2007 en/of

-een geldbedrag van 3.465,78 euro ontvangen op of omstreeks 2 augustus 2007 en/of

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 61.114,28 euro, en/of

E. een of meer geldbedrag(en) ontvangen op bankrekeningnummer [rek.nr. 1], afkomstig van bankrekeningnummer [rek.nr. 3], te weten,

-een geldbedrag van 1.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 25 juli 2005 en/of

-een geldbedrag van 72,90 euro ontvangen op of omstreeks 25 juli 2005 en/of

-een geldbedrag van 109,75 euro ontvangen op of omstreeks 25 juli 2005 en/of

-een geldbedrag van 250,-- euro ontvangen op of omstreeks 9 augustus 2005 en/of

-een geldbedrag van 285,-- euro ontvangen op of omstreeks 9 augustus 2005 en/of

-een geldbedrag van 1.600,-- euro ontvangen op of omstreeks 8 augustus 2006 en/of

-een geldbedrag van 1.685,-- euro ontvangen op of omstreeks 28 augustus 2006 en/of

-een geldbedrag van 2.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 5 oktober 2006 en/of

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 7.002,65 euro en/of

F. een of meer geldbedrag(en), zijnde betalingen ten behoeve van [verdachte], afkomstig van bankrekeningnummer [rek.nr. 2] ([medeverdachte]) naar bankrekeningnummer [rek.nr. 4] (Pay Square BV), te weten

-een geldbedrag van 4.316,50 euro ontvangen op of omstreeks 21 november 2006 en/of

-een geldbedrag van 3.663,95 euro ontvangen op of omstreeks 27 november 2006 en/of

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 7.980,45 euro

verworven en/of voorhanden gehad en/of van het voorwerp gebruik gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten, dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

artikel 420ter/bis juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

(zaaksdossier 5G)

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2005 tot en met 19 februari 2008 te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of [woonplaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen een of meer voorwerp(en), te weten

A. een voertuig, te weten een auto, merk Audi type A6 Quattro, met kenteken [kenteken 1] t.w.v. (ongeveer) 45.000,-- euro en/of

B. een of meer exclusieve horloges, te weten

-een horloge van het merk Jaeger le Coultre Extreme t.w.v. (ongeveer) 7.000,-- euro en/of

-een horloge van het merk Patek Philippe 5146J-001 Jahres Kalender t.w.v. (ongeveer) 18.200,-- euro en/of

C. een of meer geldbedrag(en), zijnde huurpenningen, te weten (onder meer)

-in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 december 2007 (telkens) een bedrag van (ongeveer) 3.300,-- euro per maand voor het pand aan de [B-straat nr] te Amsterdam,

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 92.799,22 euro en/of

-in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 december 2007 (telkens) een bedrag van (ongeveer) 289,90 euro per maand oplopend naar (ongeveer) 442,-- euro per maand voor het gebruik van een parkeergarage in het pand van het Park Hotel aan de Stadhouderskade 25 te Amsterdam,

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 7.633,84 euro en/of

D. een of meer geldbedrag(en) ontvangen op bankrekeningnummer [rek.nr. 1], afkomstig van bankrekeningnummer [rek.nr. 2], te weten,

-een geldbedrag van 1.500,-- euro ontvangen op of omstreeks 6 oktober 2005 en/of

-een geldbedrag van 750,-- euro ontvangen op of omstreeks 15 november 2005 en/of

-een geldbedrag van 1.240,-- euro ontvangen op of omstreeks 1 december 2005 en/of

-een geldbedrag van 1.220,-- euro ontvangen op of omstreeks 1 februari 2006 en/of

-een geldbedrag van 10.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 1 november 2006 en/of

-een geldbedrag van 10.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 21 november 2006 en/of

-een geldbedrag van 10.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 20 december 2006 en/of

-een geldbedrag van 6.564,90 euro ontvangen op of omstreeks 25 januari 2007 en/of

-een geldbedrag van 3.900,90 euro ontvangen op of omstreeks 27 februari 2007 en/of

-een geldbedrag van 6.972,70 euro ontvangen op of omstreeks 30 mei 2007 en/of

-een geldbedrag van 4.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 13 juli 2007 en/of

-een geldbedrag van 1.500,-- euro ontvangen op of omstreeks 27 juli 2007 en/of

-een geldbedrag van 3.465,78 euro ontvangen op of omstreeks 2 augustus 2007 en/of

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 61.114,28 euro, en/of

E. een of meer geldbedrag(en) ontvangen op bankrekeningnummer [rek.nr. 1], afkomstig van bankrekeningnummer [rek.nr. 3], te weten,

-een geldbedrag van 1.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 25 juli 2005 en/of

-een geldbedrag van 72,90 euro ontvangen op of omstreeks 25 juli 2005 en/of

-een geldbedrag van 109,75 euro ontvangen op of omstreeks 25 juli 2005 en/of

-een geldbedrag van 250,-- euro ontvangen op of omstreeks 9 augustus 2005 en/of

-een geldbedrag van 285,-- euro ontvangen op of omstreeks 9 augustus 2005 en/of

-een geldbedrag van 1.600,-- euro ontvangen op of omstreeks 8 augustus 2006 en/of

-een geldbedrag van 1.685,-- euro ontvangen op of omstreeks 28 augustus 2006 en/of

-een geldbedrag van 2.000,-- euro ontvangen op of omstreeks 5 oktober 2006 en/of

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 7.002,65 euro,

F. een of meer geldbedrag(en), zijnde betalingen ten behoeve van [verdachte], afkomstig van bankrekeningnummer [rek.nr. 2] ([medeverdachte]) naar bankrekeningnummer [rek.nr. 4] (Pay Square BV), te weten

-een geldbedrag van 4.316,50 euro ontvangen op of omstreeks 21 november 2006 en/of

-een geldbedrag van 3.663,95 euro ontvangen op of omstreeks 27 november 2006 en/of

in elk geval voor een totaalbedrag van (ongeveer) 7.980,45 euro

verworven en/of voorhanden gehad en/of van het voorwerp gebruik gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) redelijkerwijs moesten vermoeden, dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

artikel 420quater juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht

2.

(zaaksdossier 5H)

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 14 maart 2008 te [woonplaats] en/of Makkum en/of Earnewoude en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een persoon, te weten [medeverdachte], die schuldig was aan en/of verdachte was van een of meer misdrijven, te weten: oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of verduistering (artikel 321 Wetboek van Strafrecht) en/of valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of (gewoonte)witwassen (420ter/420bis/420quater/47 Wetboek van Strafrecht), heeft verborgen en/of behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van en/of aanhouding door een of meer ambtenaren van de justitie en/of politie, immers heeft verdachte

-in de periode van 14 januari 2008 tot en met 8 maart 2008 voor die [medeverdachte] onderdak geregeld door op verdachtes naam ([verdachte]) een verblijfsadres te huren te Makkum en/of

-in de periode van 6 maart 2008 tot en met 14 maart 2008 voor die [medeverdachte] onderdak geregeld door op verdachtes naam ([verdachte]) een verblijfsadres te huren te Earnewoude en/of

-in de periode van 1 januari 2008 tot en met 14 maart 2008 de telefonische traceerbaarheid van die [medeverdachte] bemoeilijkt door meermalen van simkaarten, die door [medeverdachte] waren toegezonden, te wisselen en/of

-in de periode van 1 januari 2008 tot en met 14 maart 2008 die [medeverdachte] onder een andere naam in zijn verdachtes ([verdachte]) telefoon opgeslagen en/of

-op of omstreeks 5 maart 2008 die [medeverdachte] van (contante) financiële middelen voorzien en/of

nadat een of meer voornoemde misdrijven door [medeverdachte] waren gepleegd, met het oogmerk die misdrijven te bedekken en/of de nasporing en/of vervolging te beletten en/of bemoeilijken, voorwerpen waarop en/of waarmede die misdrijven zijn gepleegd en/of andere sporen van die misdrijven heeft vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie en/of politie heeft onttrokken, immers heeft verdachte

-op of omstreeks 19 februari 2008 tijdens een doorzoeking van het adres tijdens een doorzoeking op het adres [A-straat nr] te [woonplaats] (zijnde de woning van verdachte [verdachte]) door een of meer ambtenaren van de justitie

en/of politie actief sleutels van de postbus van die [medeverdachte] weggemaakt en/of verborgen en/of

-in de periode van 15 december 2007 tot en met 19 februari 2008 de bankpas (bankrekeningnummer [rek.nr. 3]) van die [medeverdachte] verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie en/of politie onttrokken;

artikel 189 van het Wetboek van Strafrecht

In zaak B:

(zaaksdossier J)

hij in of omstreeks de periode van 14 januari 2008 tot en met 18 september 2009 te [woonplaats] en/of 's-Gravenhage en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een geldbedrag van EUR 120.000,--, in elk geval een of meer geldbedrag(en) van EUR 50.000,-- en/of EUR 50.000,-- en/of EUR 20.000,--, in elk geval enig geldbedrag,

welk(e) geldbedrag(en) en/of goederen geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [tante van verdachte], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van curator van die [tante van verdachte], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 323 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 De feiten in zaak A

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uiti.

Ten aanzien van feit 1 zaak A

3.1.1 In april 2001 leren verdachte die afkomstig is uit een welgesteld milieu, en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) elkaar kennen. Tussen hen ontstaat een relatie. [medeverdachte] trekt in bij verdachte die op dat moment in Den Haag woont. In oktober 2005 verhuizen zij naar een woning aan de [B-straat] te Amsterdam. Daar wonen zij samen tot en met december 2007, in welke maand verdachte verhuist naar een woning in [woonplaats]. Zij zijn niet met elkaar getrouwd.

3.1.2 Verdachte is opgeleid tot en werkzaam geweest als neonatoloog. Daarna was hij lid van de raad van bestuur van een ziekenhuis. Vanaf 2001 vervolgt hij zijn carrière in een ander dienstverband. Medio 2003 eindigt dat. Het duurt tot 1 mei 2007 voor hij opnieuw een vast dienstverband aangaat, dan als directeur van een ziekenhuis te Heerenveen. Het inkomen van verdachte uit zijn dienstverbanden is telkens bovengemiddeld.

3.1.3 In de jaren vóór de ten laste gelegde periode is [medeverdachte] als freelance secretaris werkzaam bij het Koninklijk Nederlands Instituut voor de Tropen (KIT) en daarna bij het Bouwfonds.

3.1.4 [medeverdachte] en verdachte houden hun financiën strikt gescheiden. Wel voeren zij een gezamenlijke huishouding en neemt [medeverdachte] in de periode dat verdachte werkloos is, vrijwel alle financiële lasten van hun gezamenlijke huishouding op zich.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

3.1.5 Eind 2003 ontmoet [medeverdachte] [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]). Zij stelt hem na het overlijden van haar partner [partner slachtoffer 1] in mei 2004 aan als haar juridisch adviseur onder meer inzake de afwikkeling van de nalatenschap van [partner slachtoffer 1]. Geleidelijk aan vertegenwoordigt [medeverdachte] haar in de contacten met de erven [partner slachtoffer 1] en bij andere zakelijke bijeenkomsten. Hun zakelijke besprekingen houden zij vooral in de woning van [medeverdachte] en verdachte aan de [B-straat]. Verdachte is tijdens deze besprekingen vaak aanwezig in de woning. Geleidelijk aan neemt [medeverdachte] ook taken in de winkel van [slachtoffer 1] over. Zo verricht [medeverdachte] namens haar huurbetalingen. Gelijktijdig met het zakelijke contact ontstaat ook een vriendschappelijk contact tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte] en tussen [slachtoffer 1] en verdachte. [slachtoffer 1] en verdachte zien elkaar bijna dagelijks.

3.1.6 Begin 2007 komt [medeverdachte] in contact met [slachtoffer 2]. [medeverdachte] gaat ook hem adviseren en ook met [slachtoffer 2] bouwt hij naast de zakelijke verhouding als juridisch adviseur een vriendschappelijk contact op. Net als [slachtoffer 1] houdt [slachtoffer 2] meermalen per week besprekingen met [medeverdachte] in de woning aan de [B-straat] en ook tijdens die besprekingen is verdachte vaak in de woning aanwezig.

3.1.7 [slachtoffer 1] krijgt een maand voor de hierna te noemen bespreking op 13 december 2007 voor het eerst argwaan over de wijze waarop [medeverdachte] voor haar werkzaam is geweest. Zij begint te vermoeden dat hij haar heeft opgelicht en aan haar of haar dochter toebehorend geld heeft verduisterd.

3.1.8 Op 13 december 2007 komen onder anderen [medeverdachte], [slachtoffer 1] en verdachte bijeen. Tijdens deze bijeenkomst wordt [medeverdachte] geconfronteerd met de vermoedens dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Ten overstaan van de aanwezigen bekent [medeverdachte] de oplichting en erkent hij van de daarmee verkregen gelden in luxe te hebben geleefd. Verdachte concludeert naar aanleiding van de bijeenkomst dat zijn hele leven met [medeverdachte] op luchtkastelen en verkeerde voorstellingen is gebaseerd.

Ten aanzien van feit 2 zaak A

3.1.9 Op 17 december 2007 doet [slachtoffer 1] aangifte tegen [medeverdachte] van oplichting , verduistering en valsheid in geschrift. ii

3.1.10 Op 19 december 2007 krijgt verdachte van de politie te horen dat [medeverdachte] zich ten spoedigste dient te melden op het hoofdbureau van de politie te Amsterdam.iii Daarnaast nodigt de verbalisant verdachte uit voor een verhoor als getuige in het onderzoek dat inmiddels tegen [medeverdachte] is ingesteld.iv

3.1.11 Op 20 december 2007 vindt het verhoor van verdachte als getuige plaats. Aan verdachte worden vragen gesteld over de bijeenkomst van 13 december 2007 en over [medeverdachte] en diens werkzaamheden, inkomsten en uitgaven.v

Vakantieappartement te Makkum

3.1.12 Via internet wordt bij het Beach Resort Makkum een boeking gedaan voor een vakantieappartement voor de periode van 14 januari 2008 tot en met 28 januari 2008. Op 14 januari 2008 wordt de sleutel van het appartement bij de receptie van het resort opgehaald en de rekening contant voldaan door een man die zich daarbij legitimeert met een Nederlandse identiteitskaart op naam van verdachte.vi

Op 28 januari 2008 en opnieuw op 18 februari 2008 verlengt [medeverdachte] de boeking mondeling bij de receptievii. [medeverdachte] heeft in de huurperiode in de woning verbleven.viii Op 8 maart 2008 levert verdachte de sleutel van het appartement bij de receptie van het resort in.ix

Wisselen simkaarten en opslaan telefoonnummer onder andere naam

3.1.13 In januari 2008 hebben verdachte en [medeverdachte] een paar keer telefonisch contact via een telefoonnummer dat behoort bij een simkaartje dat verdachte per post door [medeverdachte] is toegezonden. Verdachte heeft het nummer van verdachte onder de naam [naam] in zijn telefoon opgeslagenx. [medeverdachte] legt het contact met verdachte, nadat deze het simkaartje in zijn telefoon heeft gedaan.

3.1.14 Na een verblijf in Zuid-Afrika ontvangt verdachte op 13 februari 2008 opnieuw een simkaartje in de brievenbus. Met behulp daarvan heeft verdachte in de dagen daarna telefonisch contact met [medeverdachte].xi Het eerdere van [medeverdachte] ontvangen simkaartje gooit verdachte dan weg.xii

3.1.15 Deze werkwijze herhaalt zich in de dagen voorafgaand aan de aanhouding van [medeverdachte] op 14 maart 2008.xiii Het nummer dat [medeverdachte] dan gebruikt is slechts bij verdachte bekend.xiv

Voorzien van contante financiële middelen

3.1.16 Op 14 maart 2008 tijdens de doorzoeking in de vakantiebungalow te Earnewoude waar [medeverdachte] wordt aangehouden, wordt in een envelop een bedrag van € 1.700,- aangetroffen.xv Verdachte is ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte] in de vakantiebungalow aanwezig.xvi

3.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich in zijn requisitoir op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het (een gewoonte maken van) opzetwitwassen (zaak A, feit 1 primair), nu niet kan worden bewezen dat verdachte van de criminele herkomst van de goederen heeft geweten. Het gaat daarbij volgens de officier van justitie niet om de datum 13 december 2007 maar juist de tijd daarvoor, namelijk het tijdstip van verwerving van de goederen. Wel dient verdachte te worden veroordeeld voor schuldwitwassen (zaak A, feit 1 subsidiair) en de begunstiging (zaak A, feit 2).

Ten aanzien van het schuldwitwassen geldt daarbij dat de officier van justitie aannemelijk acht dat verdachte weliswaar enigszins door zijn liefde voor [medeverdachte] verblind is geweest maar dat verdachte desondanks, op basis van de in het requisitoir opgesomde feiten en omstandigheden, redelijkerwijs had behoren te vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren, waarbij de officier van justitie de maatschappelijke positie van verdachte als directeur van een ziekenhuis meeweegt. Verdachte had behoren te vermoeden dat een thuiswerkende eenpitter met juridisch advieswerk niet een inkomen zou kunnen verdienen als dat van [medeverdachte]. Verdachte heeft zijn ogen volslagen dicht gehouden en op het moment dat deze voor hem werden geopend, keek hij de andere kant op, aldus de officier van justitie.

Vervolgens heeft verdachte net als en in navolging van [medeverdachte] de verkeerde keuzes gemaakt, hetgeen heeft geresulteerd in het plegen van de begunstiging, een feit dat zich doorgaans bij geharde criminelen en niet bij ziekenhuisdirecteuren voordoet. De bedoelde verkeerde keuzes hebben er daarna toe geleid dat de persoonlijke en financiële situatie van verdachte is verslechterd en het strafrechtelijke onderzoek tegen hem is verdiept.

3.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens verdachte ter zake van het witwassen (zaak A, feit 1) op het standpunt gesteld dat verdachte vóór de periode van 13 december 2007, op basis van hetgeen hij in zijn pleidooi heeft aangevoerd, niet wist van de werkelijke herkomst van het geld noch deze herkomst behoefde te vermoeden.

Het voorgaande kan anders zijn voor de periode ná 13 december 2007, omdat verdachte tijdens de bijeenkomst van 13 december 2007 iets ter ore kwam van bedrijfsmatig onjuist handelen van [medeverdachte].

Van de ten laste gelegde goederen kan slechts van de auto (A) worden gesteld dat verdachte deze in de periode na 13 december 2007 nog gebruikte of voorhanden had. Het voorgaande geldt evident niet voor de horloges (B) en de geldbedragen (C) en evenmin voor de bedragen onder D en E, nu die zich niet met het vermogen van verdachte hebben vermengd en het vermogen van verdachte hierdoor niet is toegenomen.

Ten aanzien van de auto geldt dat verdachte door de bespreking op 13 december 2007 een begin van wetenschap heeft verkregen over het feit dat in de periode voordien door [medeverdachte] op onrechtmatige wijze vermogen was vergaard, maar deze enkele wetenschap had verdachte niet tot de conclusie moeten brengen dat dit vermogen deels in relatie stond tot zijn auto.

Op basis van het voorgaande bepleit de raadsman algehele vrijspraak van feit 1.

Ten aanzien van de ten laste gelegde begunstiging (zaak A, feit 2) dient verdachte van het onder gedachtestreepjes 1, 2, 5, 6 en 7 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, bij gebrek aan voldoende bewijs.

Hetzelfde geldt voor het derde gedachtestreepje aangezien het wisselen van simkaartjes niet het tegenwerken van justitie oplevert.

3.4 Oordeel van de rechtbank

3.4.1 Vrijspraak van witwassen (zaak A, feit 1 primair en subsidiair)

Voor een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde witwassen is vereist dat komt vast te staan dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen en geldbedragen 1) een criminele herkomst hebben, 2) verdachte dit wist of moest vermoeden en 3) verdachte deze met die wetenschap of dat vermoeden verwierf of voorhanden had of daarvan gebruik maakte. De rechtbank zal deze bestanddelen in deze volgorde bespreken.

3.4.1.1 Criminele herkomst

[medeverdachte] is in zijn strafzaak door deze rechtbank bij vonnis d.d. 23 juni 2009, welk vonnis in de appèlprocedure in stand is geblevenxvii, veroordeeld voor een negental strafbare feiten, alle gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 maart 2008. Onder meer is bewezen verklaard dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft opgelicht voor een bedrag van ruim € 700.000,-. Het totaalbedrag dat met de strafbare feiten is gemoeid is nog tienduizenden euro's hoger.

Dat [medeverdachte] in de genoemde periode daarnaast substantiële bedragen uit andere bron heeft verkregen is niet gebleken. Wellicht kon [medeverdachte] aanspraak maken op enige vergoeding voor de door hem aan onder anderen [slachtoffer 1] verleende diensten (daarover wordt nog geprocedeerd) maar in deze strafzaak gaat de rechtbank ervan uit dat het overgrote deel van zijn inkomen de vrucht was van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld.

Al de in feit 1 onder A tot en met F ten laste gelegde voorwerpen en geldbedragen zijn, zo is door de officier van justitie aangevoerd en door de verdachte erkend, afkomstig van of gefinancierd door [medeverdachte]. Uit het voorgaande vloeit voort dat al de in de tenlastelegging genoemde bedragen en voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

3.4.1.2 Wetenschap

Vervolgens ligt de vraag voor of verdachte van deze althans enige criminele herkomst heeft geweten dan wel dat hij die herkomst redelijkerwijs had behoren te vermoeden.

Bij de beoordeling van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat er geen aanwijzingen zijn, laat staan bewijs, dat [medeverdachte] verdachte deelgenoot heeft gemaakt van de wijze waarop hij de aanzienlijke inkomsten waarvan zij beide hun luxueuze bestaan hebben gefinancierd, heeft verdiend. Evenals tegenover zijn klanten heeft [medeverdachte] het tegenover verdachte doen voorkomen alsof hij dat inkomen verwierf als een met die klanten overeengekomen beloning voor bonafide juridische advisering aan die klanten. Eerst in de bijeenkomst van 13 december 2007 heeft [medeverdachte] (mede) aan verdachte opening van zaken gegeven.

Met dit als uitgangspunt en voor de periode tot 13 december 2007 acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

3.4.1.2.1 Relevante feiten en omstandigheden

In het begin van hun relatie gebruikt [medeverdachte] jegens verdachte korte tijd een valse naam. Langduriger spiegelt [medeverdachte] verdachte ten onrechte voor dat hij uit een welgesteld milieu komt. Begin 2002 komt verdachte erachter dat [medeverdachte] zonder zijn toestemming voor een bedrag van ruim € 100.000 gebruik heeft gemaakt van zijn creditcard. Als verdachte [medeverdachte] daarmee confronteert bekent [medeverdachte], na aanvankelijk ontkennen, voor het misbruik verantwoordelijk te zijn. Verdachte begrijpt van [medeverdachte] dat deze al eerder "soortgelijke problemen" heeft gehad. Verdachte en [medeverdachte] komen overeen dat [medeverdachte] de schade terug zal betalen, waarna verdachte en [medeverdachte] hun relatie voort laten duren.

Er bevinden zich aanwijzingen in het dossier dat verdachte ook in de jaren na het hiervoor besproken misbruik met voor hem onbekende (creditcard)afschrijvingen wordt geconfronteerd.xviii Het ging toen blijkens de hierover door verdachte tegenover de politie afgelegde verklaring ("Of wat kleine dingetjes. Hij [[medeverdachte]] was wel een aparte jongen natuurlijk") om geringere bedragen.

Verdachte ontmoet, vermoedelijk in 2005, [persoon 1]. [persoon 1] blijkt [medeverdachte] uit het verleden te kennen en waarschuwt verdachte voor [medeverdachte]. [persoon 1] weet over [medeverdachte] te vertellen dat een eerdere relatie van [medeverdachte] door hem stelt te zijn opgelicht en dat [medeverdachte] in een eerdere functie een greep uit de kas heeft gedaan en ongeautoriseerd dure auto's huurde.

Verdachte confronteert [medeverdachte] met deze waarschuwing. [medeverdachte] ontkent de aantijgingen van [persoon 1] en stelt zelf vervelende ervaringen met [persoon 1] te hebben gehad.

Op 19 mei 2007 wordt [medeverdachte] aangehouden en verblijft hij een aantal dagen in voorarrest in verband met een strafrechtelijke verdenking. Over deze aanhouding vertelt [medeverdachte] later aan verdachte dat hij wordt beschuldigd van het indienen van declaraties bij het Bouwfonds, waar hij werkzaam was, in verband met bestellingen die hij niet had mogen doen.

Daar staat tegenover dat verdachte met eigen ogen zag dat [medeverdachte] zeer veelvuldig met of voor zijn klanten in de weer was, hij zijn klanten naar alle tevredenheid leek te bedienen en die klanten zeer goed bemiddeld waren.

3.4.1.3 Tussenconclusie rechtbank

Hoewel uit de hiervoor genoemde omstandigheden volgt dat verdachte grote vraagtekens moet hebben gehad over de betrouwbaarheid van [medeverdachte] en het niet anders kan dan dat hij moet hebben beseft dat waakzaamheid was geboden over [medeverdachte]s financiële handel en wandel, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat voor verdachte zonder meer waakzaamheid in strafrechtelijke zin was geboden hoe [medeverdachte] aan de aanzienlijke geldmiddelen kwam waarover [medeverdachte] en verdachte konden beschikken.

De hiervoor onder 3.4.1.2 vermelde feiten en omstandigheden betroffen immers voornamelijk feiten en omstandigheden uit het verleden en de omstandigheid dat verdachte zelf het slachtoffer van [medeverdachte]s misdragingen was geworden, behoefde nog niet te betekenen dat [medeverdachte] zich ook jegens zijn klanten op soortgelijke wijze misdroeg en uit die bron over de aanzienlijke geldmiddelen kon beschikken die ogenschijnlijk voortvloeiden uit zijn werkzaamheden als bonafide juridisch adviseur. Bijkomende signalen, zoals dat gegeven in de bijeenkomst van 13 december 2007, ontbraken.

Weliswaar maakt de officier van justitie er een punt van dat [medeverdachte] zich afficheerde als advocaat, terwijl hij niet eens de rechtenstudie had voltooid, maar de rechtbank acht voldoende aannemelijk dat deze door [medeverdachte] gegeven valse voorstelling van zaken voor verdachte geen rol heeft gespeeld in zijn beoordeling of verdachte wel eerlijk aan zijn geld kwam. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank aan die valse voorstelling van zaken ook geen betekenis behoeven toe te kennen.

Daarvoor is redengevend de laatste hiervoor onder 3.4.1.2 vermelde omstandigheid: voor wantrouwen - tot de bijeenkomst van 13 december 2007 - was geen reden omdat verdachte met eigen ogen zag dat [medeverdachte] zeer veelvuldig met of voor zijn klanten in de weer was, hij zijn klanten naar alle tevredenheid leek te bedienen en die klanten zeer goed bemiddeld waren.

Verdachte heeft, zo heeft hij ter terechtzitting verklaard, op basis van deze waarnemingen aangenomen - en naar het oordeel van de rechtbank ook mogen aannemen - dat [medeverdachte] een succesvol jurist was die lucratieve advieswerkzaamheden voor welgestelde cliënten verrichtte.

Weliswaar heeft de officier van justitie nog tegengeworpen dat verdachte zich bewust moest zijn geweest van een duidelijke, niet tot de reële mogelijkheden behorende carrièreswitch van [medeverdachte], maar dat acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft immers verklaard dat [medeverdachte] als ZZP-er de functie van secretaris uitoefende en juridische werkzaamheden deed voor het Koninklijk Institutuut voor de Tropen en dat [medeverdachte] daarna juridisch advieswerk deed voor onder meer [slachtoffer 1]. Dit lijkt in elkaars verlengde te liggen.

De slotsom is dan ook dat het eerste signaal dat [medeverdachte] zijn inkomsten door middel van frauduleuze handelingen had verkregen, verdachte pas heeft bereikt tijdens de bijeenkomst van 13 december 2007 en dat verdachte tot dat moment niet mag worden verweten te weinig onderzoek te hebben gedaan naar de wijze, waarop [medeverdachte] zijn geld verdiende. Verdachte heeft tot dat moment in redelijkheid mogen denken dat de bovengemiddelde financiële middelen waarover hij en [medeverdachte] konden beschikken, hun herkomst vonden in een bonafide inkomen van [medeverdachte] uit een bonafide adviespraktijk.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, in geval verdachte wel het bedoelde nadere onderzoek naar de herkomst van de geldbedragen zou hebben verricht, hem naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde lot als de cliënten van [medeverdachte] had gewacht, namelijk dat hem door [medeverdachte], al dan niet met behulp van valse documenten, een valse werkelijkheid zou zijn voorgespiegeld.

3.4.1.4 Periode ná 13 december 2007

Uit het voorgaande vloeit voort, zoals ook de raadsman heeft betoogd, dat de bijeenkomst van 13 december 2007 in de ten laste gelegde periode een cesuur aanbrengt. Immers, op basis van die bijeenkomst moest verdachte, zeker in samenhang met de andere hiervoor opgesomde omstandigheden, op zijn minst vermoeden dat de adviespraktijk van [medeverdachte] géén zuivere koffie was. Anders gezegd, door de bijeenkomst op 13 december 2007 moesten bij verdachte de seinen in verband met [medeverdachte] op rood springen, hetgeen blijkens zijn eigen verklaring ook is gebeurd.

De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van die periode slechts over de auto (onderdeel A van feit 1 van de tenlastelegging) kan worden gesteld dat verdachte deze voorhanden heeft gehad. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat hij bij het stellen van het strafrechtelijk verwijt in de tenlastelegging het oog heeft gehad op het moment van verkrijgen van de verschillende goederen en geldbedragen, welke momenten in zijn visie alle in de periode vóór 13 december 2007 gelegen zijn. Bij repliek heeft de officier van justitie daaraan toegevoegd dat verdachte de goederen en geldbedragen ook ná 13 december 2007 voorhanden heeft gehad door de substantiële vermogensvermeerdering die hij met de ontvangst daarvan had opgebouwd.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat te weinig gegevens (in het bijzonder een vermogensvergelijking) voorhanden zijn om te concluderen dat verdachte in de periode ná 13 december 2007 de goederen en geldbedragen (nog) voorhanden heeft gehad, met uitzondering van de auto (A).

Ten aanzien van de wetenschap bij verdachte over de herkomst van de auto overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, onder de gegeven omstandigheden, zich na de bijeenkomst van 13 december 2007 bewust moest zijn dat [medeverdachte] op illegale wijze vermogen had verkregen maar verdachte behoefde daarbij niet een relatie te leggen tussen dat vermogen en zijn auto, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat verdachte deze een jaar voor de bijeenkomst had verkregen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in ogenschouw dat aannemelijk is dat de periode ná 13 december 2007 voor verdachte zeer hectisch is geweest aangezien het strafrechtelijk onderzoek vrijwel direct daarna zijn aanvang nam. Ook voor die periode ontbreekt dan ook het bewijs van wetenschap van de illegale herkomst in zowel de opzet- als schuldvariant.

3.4.1.5 Gelet op al het voorgaande kan niet worden bewezen verklaard dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen afkomstig waren van enig misdrijf, wat ertoe leidt dat verdachte integraal van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

3.4.2 Gedeeltelijke vrijspraak zaak A feit 2

De rechtbank zal verdachte van het onder gedachtestreepjes twee, zes en zeven van feit 2 ten laste gelegde vrijspreken. Daartoe overweegt zij het volgende

3.4.2.1 Vakantiehuisje te Earnewoude (2e)

De rechtbank is van oordeel dat voldoende bewijs voor de stelling dat verdachte het vakantiehuisje te Earnewoude heeft gehuurd ontbreekt.

3.4.2.2 Wegmaken/ verbergen sleutel (6e)

De rechtbank heeft op basis van het daaromtrent opgemaakte proces-verbaal (5054 e.v.) de overtuiging bekomen dat verdachte toen en aldaar doende was de sleutel van de postbus weg te maken of te verbergen, maar de rechtbank stelt tevens vast dat verdachte daar niet in is geslaagd. Gelet daarop is slechts sprake van een poging en kan het ten laste gelegde voltooide delict niet bewezen worden verklaard.

3.4.2.3 Verbergen/ aan het onderzoek onttrekken van bankpasje (7e)

Niet is gebleken dat verdachte zich van de aanwezigheid van het bankpasje in zijn woning in [woonplaats] bewust is geweest. Gelet daarop kan de ten laste gelegde opzet niet bewezen worden verklaard.

3.4.3 Ten aanzien van zaak A feit 2

De rechtbank acht op basis van de in rubriek 3.1 aangehaalde feiten en omstandigheden hetgeen onder gedachtestreepjes 1, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd bewezen. Door aldus te handelen heeft verdachte [medeverdachte] verborgen en is hij hem behulpzaam geweest in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door ambtenaren van justitie en politie. Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende.

3.4.3.1 Vakantieappartement Makkum (1e)

De rechtbank heeft, ondanks de ontkenning van verdachte, de overtuiging bekomen dat verdachte dit appartement heeft gehuurd. Daarbij weegt zij mee dat verdachte en [medeverdachte] qua uiterlijk van het gezicht, zoals blijkt uit hun beider foto's in het dossierxix, geen enkele gelijkenis vertonen. Dat [medeverdachte], zoals de raadsman suggereert, zich door middel van de identiteitskaart van verdachte, welke is voorzien van een foto van verdachte, succesvol voor verdachte zou kunnen hebben uitgegeven acht de rechtbank gelet daarop niet aannemelijk. Voorts geldt dat de locatie van het vakantiepark te Makkum niet ver is gelegen van de woning van verdachte te [woonplaats], waar hij enkele weken daarvoor was ingetrokken. Tot slot weegt de rechtbank mee dat, zoals verdachte zelf ook heeft verklaard, verdachte ook degene is geweest die na het verlengde verblijf de sleutel bij de receptie van het park heeft ingeleverdxx. Dat de dienstdoende receptioniste verdachte, bij het tonen van zijn foto, niet heeft herkend, maakt het voorgaande oordeel niet anders.

3.4.3.2 Wisselen simkaarten (3e)

De rechtbank is van oordeel is dat verdachte, door meermalen van simkaarten te wisselen, de telefonische traceerbaarheid van [medeverdachte] heeft bemoeilijkt.

3.4.3.3 Voorzien van contante financiële middelen (5e)

Dat verdachte het in de vakantiebungalow aangetroffen contante geldbedrag aan [medeverdachte] heeft verstrekt acht de rechtbank, anders dan de raadsman, bewezen op grond van de verklaring van [medeverdachte], inhoudende dat verdachte het geldbedrag van de moeder van [medeverdachte] had meegekregenxxi.

3.5 Ten aanzien van zaak Bxxii

3.5.1 De feiten

3.5.1.1 Verdachte verkeerde vanaf eind 2007 in financiële problemen. xxiii Met zijn e-mail van 20 december 2007 heeft verdachte zijn broer [broer van verdachte 1] om hulp gevraagd. Hierop heeft [broer van verdachte 1] op 24 december 2007 € 30.000,- overgemaakt aan verdachte.xxiv Op 11 januari 2008 vraagt verdachte nog eens om € 15.000,- en dit wordt op diezelfde dag door zijn broer overgemaakt.xxv Uit een specificatie van 27 februari 2008xxvi blijkt dat [moeder van verdachte], de moeder van verdachte, zich ten behoeve van verdachte garant heeft gesteld voor € 70.000,-xxvii.

3.5.1.2 Bij beschikking van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 14 januari 2008 is verdachte als curator benoemd van [tante van verdachte], geboren [1927] (hierna: [tante van verdachte]). [tante van verdachte] verblijft in een zorginstelling en functioneert op kleuterleeftijd.xxviii Zij is een tante van verdachte.xxix Verdachte had de zeggenschap over de door zijn curanda aangehouden bankrekeningen.xxx

3.5.1.3 Verdachte heeft op 1, 3 en 4 juli 2008, door drie afzonderlijke stortingen in totaal een bedrag van € 120.000,- op zijn bankrekening doen overboeken, afkomstig van twee rekeningen van [tante van verdachte] onder vermelding: "inzake opening 5% flexdeposito".xxxi xxxii Direct daarna heeft verdachte € 100.000,- overgeboekt naar een rekeningnummer t.n.v. Lapidus Holding onder vermelding van: "inzake nadere overeenkomst [verdachte] [medeverdachte] en Lapidus".xxxiii Daarna wordt maandelijks € 500,- aan rente gestort op de bankrekening van [tante van verdachte]. In eerste instantie betreft het een rente van 5% en later van 4%.xxxiv Volgens een overeenkomst van lening gaat het om een lening van [tante van verdachte] aan verdachte van € 120.000,-. Verdachte heeft zelf de overeenkomst getekend, eenmaal als curator van [tante van verdachte] en eenmaal voor zichzelf.xxxv

3.5.1.4 Bij brief van 22 februari 2009 vraagt verdachte aan zijn belastingadviseur om voor de kantonrechter een overzicht te maken van de ontwikkeling van de vermogenspositie van [tante van verdachte] in 2007 en 2008.xxxvi In genoemde brief schrijft verdachte dat hij in het vermogensoverzicht de lening het liefst neutraal verantwoord wil zien en vermeldt verdachte tussen haakjes: "dus niet als lening [verdachte]." In de stukken die dienen ter rekening en verantwoording aan de kantonrechter aangaande het vermogen van [tante van verdachte] is vervolgens vermeld dat sprake is van een lening van € 120.000, ug (uitstaande gelden) tegen 5%.xxxvii

3.5.1.5 Op 28 augustus 2009 spreekt [broer van verdachte 1] (broer verdachte) tegen verbalisant het vermoeden uit dat verdachte zich als curator geld toe-eigent van [tante van verdachte].xxxviii Vervolgens is de verdenking ontstaan dat verdachte geld van [tante van verdachte] heeft verduisterd.xxxix Op 2 november 2009 heeft verdachte, na daartoe een lening van € 50.000 ,- te hebben afgesloten, € 60.000,- teruggestort op rekening van [tante van verdachte]xl. Op 9 november 2009 zou in zijn zaak een zitting plaatsvinden. Op 21 december 2009 is het curatorschap van verdachte beëindigd en overgenomen door zijn broer [broer van verdachte 2].xli

3.5.2 Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat sprake is van verduistering aangezien verdachte zich het geld wederrechtelijk heeft toegeëigend door geen machtiging te vragen aan de kantonrechter zoals bedoeld in artikel 1:345 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op verschillende wijzen is sprake van wederrechtelijkheid, onder meer omdat verdachte dit puur en alleen voor zichzelf heeft gedaan zonder iemand daarover te raadplegen.

3.5.3 Standpunt van de verdediging

Verdachte zegt geen geld te hebben willen verduisteren maar dat hij gezien zijn financiële situatie op dat moment geen andere oplossing zag. Wegens de verschillende beslagen die er nog steeds liggen op zijn vermogen, kon hij niet op een andere manier aan geld komen. Geld was onder meer nodig met het oog op het voorkomen van een boete in verband met een overeenkomst over de aankoop van een pand aan De Lairessestraat. Verdachte wilde de door hem met zijn curanda afgesloten lening zo snel als mogelijk aflossen en heeft de helft afgelost, maar nu ontbreekt het hem aan mogelijkheden voor verdere aflossing. Verder is namens verdachte aangevoerd dat geen sprake kan zijn van toe-eigening wegens het ontbreken van de intentie daartoe en het tijdelijke karakter van de lening.

3.5.4 Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat verdachte € 120.000,- van de bankrekeningen van [tante van verdachte] naar zijn bankrekening heeft overgemaakt op basis van een door verdachte opgestelde overeenkomst van lening. Verdachte heeft dit gedaan zonder de ingevolge artikel 1:345 BW vereiste machtiging te vragen aan de kantonrechter, terwijl verdachte van deze wettelijke eis als curator op de hoogte behoort te zijn.

Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte voorafgaand aan zijn handelen niemand heeft geraadpleegd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij binnen enkele dagen moest beslissen. Ook zijn familie heeft hij hierover niet geïnformeerd. [financieel adviseur van verdachte], financieel adviseur van verdachte, verklaart ook dat hij van verdachte hoorde dat hij een lening was aangegaan, dus achteraf.xlii

Verder blijkt uit de brief van verdachte van 22 februari 2009, dat verdachte in de verantwoording aan de kantonrechter zijn naam niet bij deze lening genoemd wilde hebben. Ter terechtzitting heeft verdachte daarover verklaard dat hij enkel zijn familie in het ongewisse wilde laten over deze lening van zijn tante [tante van verdachte]. Hoe dit ook zij, de kantonrechter heeft door deze handelwijze gedurende het jaar 2008 en tot aan het strafrechtelijk onderzoek in augustus 2009 geen kennis kunnen nemen van het feit dat het verdachte is geweest, die geld van [tante van verdachte] had geleend.xliii

Nu het vermogen van [tante van verdachte] op haar bankrekeningen ongeveer een bedrag betreft van

€ 350.000,-, ziet de lening bovendien op een aanzienlijk deel van haar liquide middelen.xliv

Uit het verhandelde ter terechtzitting is voorts gebleken dat verdachte, die als curator ingevolge 1:337 BW gehouden was om als goed curator voor het vermogen van [tante van verdachte] te zorgen, enkel en alleen heeft gedacht aan zijn eigen financieel moeilijke situatie van dat moment. Hij heeft op geen enkele wijze gezorgd voor zekerheden met het oog op de terugbetaling van de lening aan [tante van verdachte]. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij daartoe niet in staat was, maar dat betekent nu juist dat hij de transactie niet had mogen aangaan. Dat klemt temeer nu de helft van de lening nog steeds niet is afgelost en onzeker is of dat ooit zal gebeuren. Verdachte voert aan dat hij, gehinderd door allerlei beslagen, thans geen liquide middelen tot zijn beschikking heeft. Als goed curator had verdachte zich daar rekenschap van moeten geven voordat hij tot de transactie besloot. [tante van verdachte] is immers met betrekking tot haar vermogenspositie volledig afhankelijk van verdachte als curator.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van wederrechtelijke toe-eigening indien de verdachte als heer en meester over een goed beschikt zonder daartoe gerechtigd te zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2006, LJN AV4091). Dat de lening naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft, staat niet in de weg aan het oordeel dat in dit geval sprake is van toe-eigening door verdachte. [tante van verdachte] heeft immers vanaf begin juli 2008 tot november 2009 niet kunnen beschikken over het bedrag van € 120.000,-, zijnde een aanzienlijk deel van haar vermogen. Verdachte heeft het bedrag, nadat hij het geld op zijn bankrekening had gestort, grotendeels overgemaakt naar Lapidus Holding, zoals hiervoor al is gebleken. Sinds november 2009 kan [tante van verdachte] niet beschikken over het nog niet afgeloste deel van de lening van

€ 60.000,-. Gelet op de financiële situatie van verdachte bij het aangaan van de lening en ook thans, is nog steeds volkomen onduidelijk of en wanneer het tot een verdere aflossing van de lening zal komen. De situatie van tijdelijkheid in die zin dat van toe-eigening geen sprake is, doet zich in dit geval dan ook niet voor. Gezien alle omstandigheden waaronder de lening is aangegaan, zoals het ontbreken van enig overleg vooraf, het ontbreken van een machtiging van de kantonrechter, het nalaten zich als lener bekend te maken bij de kantonrechter en het doel van de lening, namelijk een oplossing vinden voor de eigen financiële problemen, blijkt duidelijk van de intentie van toe-eigening van verdachte. Het verweer dat geen sprake is geweest van toe-eigening slaagt dan ook niet.

Conclusie rechtbank

Hoewel verdachte zegt geen geld te hebben willen wegnemen van zijn tante en curanda [tante van verdachte], heeft verdachte een bedrag van € 120.000,- waar hij rechtmatig over kon beschikken, naar zijn bankrekening overgemaakt en is hij de lening aangegaan onder alle voornoemde omstandigheden. Daarmee is sprake van het wederrechtelijk als heer en meester over het bedrag van € 120.000,- beschikken en derhalve van verduistering als bedoeld in artikel 321 en 323 van het wetboek van Strafrecht.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A, feit 2.

in de periode van 1 december 2007 tot en met 14 maart 2008 te [woonplaats] en Makkum en/of elders in Nederland, opzettelijk een persoon, te weten [medeverdachte], die verdachte was van misdrijven, te weten: oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en verduistering (artikel 321 Wetboek van Strafrecht) en valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht), heeft verborgen en behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door ambtenaren van justitie en politie, immers heeft verdachte

- in de periode van 14 januari 2008 tot en met 8 maart 2008 voor die [medeverdachte] onderdak geregeld door op verdachtes naam een verblijfsadres te huren te Makkum en

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 14 maart 2008 de telefonische traceerbaarheid van die [medeverdachte] bemoeilijkt door meermalen van simkaarten, die door [medeverdachte] waren toegezonden, te wisselen en

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 14 maart 2008 die [medeverdachte] onder een andere naam in zijn telefoon opgeslagen en

- in die periode die [medeverdachte] van contante financiële middelen voorzien;

Zaak B.

in juni 2008 in Nederland opzettelijk een geldbedrag van EUR 120.000,-, welk geldbedrag toebehoorde aan [tante van verdachte] en welk geldbedrag verdachte onder zich had in zijn hoedanigheid van curator van die [tante van verdachte], zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

6.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens verdachte op het standpunt gesteld dat, indien de ten laste gelegde begunstiging bewezen wordt verklaard, de gedragingen van verdachte ook kunnen worden aangemerkt als te zijn gericht op het ontgaan aan het gevaar op vervolging of aanhouding van zichzelf als verdachte van het witwassen van gelden. Nu dergelijk handelen volgens de Hoge Raad niet strafbaar is, moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.2 Oordeel van de rechtbank

Dat verdachte bij de bewezen verklaarde gedragingen mede zou hebben gehandeld met het doel zelf aan politie of justitie te ontkomen betreft een stellingname die de verdediging eerst bij pleidooi heeft betrokken en vindt geen steun in enige verklaring die verdachte heeft afgelegd noch in enig bewijsmiddel in het dossier. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten 1 subsidiair en 2 in zaak A en zaak B zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Voorts kan de vordering van de benadeelde partij integraal worden toegewezen.

7.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank anders dan door hem bepleit aan het opleggen van een straf toe zou komen, erop gewezen dat verdachte ten gevolge van deze zaak zijn partner, zijn gezin, zijn baan, zijn reputatie van kundig bestuurder en zijn toekomst, kortweg alles kwijt is geraakt.

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, nu gebleken is dat zij zich ook al tot de civiele rechter heeft gewend en deze civiele procedure inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze van de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan begunstiging. Aan dit bewezen verklaarde feit komt naar het oordeel van de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat weinig tot geen gewicht toe, nu verdachte het feit heeft gepleegd met betrekking tot zijn partner met wie hij toentertijd reeds langdurig een liefdesrelatie onderhield en met wie hij lange tijd een gemeenschappelijke huishouding had gevoerd, hetgeen niet af doet aan de strafbaarheid van het feit maar wel, mede bezien naar analogie met de strafuitsluitingsgrond van lid 3 van artikel 189 Sr (de strafbepaling is niet van toepassing op onder meer degeen die zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot wil helpen), aan de strafwaardigheid daarvan.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering in zijn hoedanigheid van curator van zijn tante. Hij heeft in het kader van een leningsovereenkomst een bedrag van in totaal € 120.000 van de rekening van zijn tante overgemaakt naar zijn eigen rekening, waarna hij het bedrag heeft aangewend om zijn eigen schuldeisers te voldoen. Evident was daarbij dat de gekozen leningsconstructie, waarbij verdachte zowel de leningverstrekkende als leningnemende partij betrof, niet op het dienen van het belang van de curanda was gericht maar op het financiële belang van verdachte zelf. Door zo te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn positie als curator en heeft hij het vertrouwen dat de samenleving in het algemeen en de - in dit geval weerloze - curanda en familie van verdachte in het bijzonder in een dergelijke positie moeten kunnen stellen, schromelijk beschaamd. Het voorgaande rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Daaraan doet de omstandigheid dat verdachte tot het plegen van het feit is gekomen om een verdere ineenstorting van zijn financiële situatie tegen te gaan, niet af. In het voordeel van verdachte zal de rechtbank laten wegen dat een deel van de lening inmiddels is afgelost.

Voorts geldt in het voordeel van verdachte dat de onderhavige zaak grote en bepalende gevolgen heeft gehad en in de toekomst zal hebben voor zijn persoonlijke leven. De beroepsreputatie die verdachte genoot, is mede door de publiciteit die deze strafzaak en de strafzaak tegen [medeverdachte] heeft omgeven, in belangrijke mate tenietgedaan, zijn dienstverband is beëindigd en zijn kansen op het vinden van werk van vergelijkbaar niveau moeten als minimaal worden beschouwd; zijn kansen op überhaupt een vervolg van zijn carrière in de medische wereld lijken gering.

Voorts weegt de rechtbank mee dat sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop in de zaak.

Gelet op al het voorgaande en in aanmerking genomen dat zij verdachte van de hoofdverdenking vrijspreekt, ziet de rechtbank anders dan de officier van justitie geen aanleiding meer voor een onvoorwaardelijke straf. Wel acht zij, met het oog op de generale preventie, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op zijn plaats, om de ernst van het in zaak B bewezen verklaarde tot uiting te brengen.

Benadeelde partij

Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd ter zake van het feit waar de vordering van de benadeelde partij betrekking op heeft, zal de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 189 en 323 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze artikelen zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

In zaak A, feit 2.

opzettelijk iemand die verdachte is van enig misdrijf, verbergen en hem behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door ambtenaren van justitie en politie, meermalen gepleegd

In zaak B:

verduistering gepleegd door curator

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. F.M.S. Requisizione en A.C. Schaafsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 december 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii 1009.

iii H 5006.

iv Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

v 3046 e.v.

vi H 5066 en H 5071.

vii H 5066.

viii Verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, van [medeverdachte] d.d. 20 juni 2011 en H 5062 e.v.

ix Verklaring verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

x 3068 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

xi 3097 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

xii 3097.

xiii 3129 en verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, van [medeverdachte] d.d. 20 juni 2011.

xiv 3002.

xv 5013.

xvi 5007.

xvii [medeverdachte] is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 15 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

xviii Zie de brief van verdachte aan Staalbankiers Leiden d.d. 28 januari 2003 (G 5075), de brief van verdachte aan Diners Club International d.d. 20 februari 2004 (G 5093), en de aantekeningen bij kopie-rekeningoverzichten van verdachte (G 5068) en de verklaring van verdachte ter zake van die aantekeningen (3102).

xix Foto verdachte H 5067, foto [medeverdachte] H 5068.

xx H 5077 en verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

xxi 3016.

xxii Voor zaak B wordt verwezen naar het proces-verbaal verduistering curator [verdachte], zoals vervat in de derde nazending Broadway, tenzij anders vermeld.

xxiii Verklaring verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

xxiv Geschriften, zijnde e-mails en bankafschriften, pag. 19, 21 en 23.

xxv Geschriften, zijnde e-mails en bankafschriften, pag. 27 en 29.

xxvi Geschrift, zijnde een garantiespecificatie, pag. 000129.

xxvii Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

xxviii Pag. 7, 56 en 57.

xxix Beschikking kantonrechter , pag. 138 e.v.

xxx Verklaring verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011.

xxxi Verklaring verdachte ter terechtzitting van 29 november 2011, pag. 51 en een geschrift, zijnde mutatieafschrift op naam van [tante van verdachte], pag. 53.

xxxii Pag. 50 en pag. 74 en 75.

xxxiii Pag. 74-75 en geschriften zijnde bankafschriften pag 78-79

xxxiv Verklaring ter terechtzitting van 29 november 2011.

xxxv Pag. 110.

xxxvi Geschrift, de brief op pag 99.

xxxvii Geschrift zijnde een brief aan kanton pag. 34 met bijlagen i.h.b. pag 39.

xxxviii Pag. 16.

xxxix Verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, van [getuige 1] van 15 februari 2010.

xl Pv van 4 november 2009 en de geschriften pag. 4, 5 en 6 en pag. 22, vervat in de vierde nazending Broadway.

xli Verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken van [financieel adviseur van verdachte] d.d. 15 februari 2010.

xlii Verklaring bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken van [financieel adviseur van verdachte] d.d. 15 februari 2010.

xliii Pag 71.

xliv Een geschrift zijnde een rekening en verantwoording periode 1 januari 2008 t/m 31 december 2008, pag. 100.