Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU8322

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
(13-661234-10 (A) en 13-664140-11 (B))
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissingen naar aanleiding van de regiezitting van 25 november 2011 in zedenzaak rechtbank Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK

AMSTERDAM

Beslissingen van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaken tegen [verdachte] (13/661234-10 (A) en 13/664140-11 (B)) ambtshalve genomen en/of naar aanleiding van vorderingen van de officieren van justitie en/of verzoeken door de verdediging en de benadeelde partij, gedaan ter terechtzitting van 25 november 2011 en uitgesproken op de terechtzitting van 15 december 2011.

1. Verzoek horen getuige

De raadsman heeft verzocht om [getuige], thans gedetineerd in de Verenigde Staten van Amerika, als getuige door de rechter-commissaris te doen horen.

In zijn verklaring afgelegd op 24 augustus 2011 heeft [getuige] gesteld dat verdachte goed op de hoogte was van de seksuele handelingen van medeverdachte [medeverdachte]. De getuige heeft, zoals blijkt uit zijn verklaring, deze wetenschap uit mededelingen van de medeverdachte [medeverdachte]. Volgens de verdediging komt de betreffende belastende passage in de verklaring van de getuige niet overeen met de overige inhoud van zijn verklaringen. De verdediging wenst de getuige nader te horen over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de veronderstelde mededelingen van de medeverdachte [medeverdachte] aan de getuige [getuige] zouden zijn gedaan en wanneer deze mededelingen zouden hebben plaatsgevonden. In relatie daarmee wenst de verdediging de betrouwbaarheid van de getuige te toetsen.

De officieren van justitie hebben gesteld dat de door [getuige] afgelegde verklaring consistent is en dat zij geen verdedigingsbelang zien om hem door de rechter-commissaris te doen horen. De getuige heeft hetgeen hij over verdachte weet over de chat gehoord van de medeverdachte [medeverdachte]. Het ligt dan ook meer voor de hand om de getuige uit eerste hand, [medeverdachte], dan de getuige uit tweede hand, [getuige], te horen.

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de getuige [getuige] toe. De getuige heeft zich in zijn verklaring van 24 augustus 2011 tegenover de verhorende politieambtenaren belastend over verdachte uitgelaten. De verdediging was bij dit verhoor niet aanwezig en heeft niet de gelegenheid gekregen om vragen aan de getuige te stellen. De betreffende verklaring maakt thans deel uit van het strafdossier tegen verdachte. De rechtbank is van oordeel dat er in deze situatie een verdedigingsbelang bestaat om de getuige nader te ondervragen.

De rechtbank wijst de strafzaak daartoe terug naar de rechter-commissaris met de opdracht om door middel van een rogatoir verzoek aan de Amerikaanse autoriteiten een verhoor van de getuige [getuige] te arrangeren. Gezien de naderende datum van de inhoudelijke behandeling zal daarbij de nodige spoed moeten worden betracht en dient de mogelijkheid te worden onderzocht om het verhoor door middel van een videoverbinding te laten plaatsvinden.

2. Gelijktijdige (maar niet gevoegde) behandeling

De officieren van justitie hebben verzocht de zaak van verdachte in het vervolg gelijktijdig te behandelen met de zaak van zijn echtgenoot en medeverdachte [medeverdachte]. Er is een evident verband tussen beide zaken en een gelijktijdige behandeling voorkomt dat de concrete seksuele handelingen per kind vaker dan strikt noodzakelijk moeten worden besproken, dat benadeelde partijen hun vordering twee keer moeten toelichten en dat ouders hun eventueel door de rechtbank te verlenen spreekrecht twee keer moeten uitoefenen om te worden gehoord. Een gelijktijdige behandeling is niet alleen minder belastend voor de kinderen en hun ouders, maar heeft ook proces-economische voordelen.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte geen fysieke handelingen heeft gepleegd, zoals deze aan zijn echtgenoot ten laste zijn gelegd. Bovendien biedt het dossier te weinig of geen aanknopingspunten dat sprake is geweest van medeplegen. Het grote verschil tussen de beide zaken blijkt reeds uit de afwijkende manier waarop de beschuldigingen op de respectievelijke tenlasteleggingen zijn geredigeerd. Er is dan ook onvoldoende samenhang aanwezig tussen beiden zaken om tot een gelijktijdige behandeling te kunnen komen.

De rechtbank bepaalt dat de zaken tegen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (parketnummer 13/661226-10) vanaf de volgende zitting zo veel mogelijk gelijktijdig, doch niet gevoegd, zullen worden behandeld. Beide strafzaken betreffen in overwegende mate hetzelfde feitencomplex. Dat verdachte daarbij deels een andere rol wordt verweten dan zijn medeverdachte, doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank bevordert het gelijktijdig behandelen van de strafzaken de zorgvuldigheid en de doelmatigheid van de behandeling. Bovendien wordt daarmee een dubbele belasting van de ouders van de slachtoffers en/of benadeelde partijen vermeden.

3. Nadere vragen Pieter Baan Centrum (PBC)

De officieren van justitie hebben de wens geuit om naar aanleiding van het PBC-rapport en de daarin vervatte conclusies aan de deskundigen van het PBC ter verduidelijking nadere schriftelijke vragen te stellen.

Zij wensen in de eerste plaats te vernemen hoe het door verdachte gestelde lage libido zich verhoudt met het kijken naar de door zijn echtgenoot vervaardigde kinderporno gedurende ‘300 van de 365 dagen per jaar’. De officieren van justitie vragen zich af of door de rapporteurs niet te veel is geleund op de eigen verklaring van verdachte.

Voorts constateren zij dat in het rapport niet wordt ingegaan op de gewetensvorming van verdachte, terwijl verdachte niets heeft ondernomen ter voorkoming of beëindiging van het misbruik door de medeverdachte [medeverdachte], het misbruik op zijn minst gedeeltelijk heeft gefaciliteerd, hij geen blijk heeft gegeven van een worsteling met zijn geweten en ook achteraf geen empathie met de slachtoffers en hun ouders lijkt te hebben. De officieren van justitie wensen dat de deskundigen zich alsnog uitlaten over deze gewetensvorming bij verdachte.

Ten slotte wordt in het rapport op diverse plaatsen het gedrag van verdachte theatraal genoemd. Dit aspect komt echter in de forensische analyse niet terug.

De officieren van justitie willen bovengenoemde vraagpunten aan de deskundigen voorleggen en van hen vernemen of deze consequenties hebben voor de conclusies en het advies van het PBC.

De verdediging heeft bestreden dat verdachte gezegd heeft dat hij 300 van de 365 dagen per jaar naar door zijn echtgenoot vervaardigde beelden van seksueel misbruik keek.

Het rapport is voorts tot stand gekomen op basis van een divers aantal bronnen en niet enkel op basis van gesprekken met verdachte. Van een te veel leunen op de verklaring van verdachte is dan ook geen sprake. Het aspect van de gewetensfunctie is wel degelijk in het rapport betrokken. Het stellen van nadere vragen aan het PBC heeft aldus geen enkele meerwaarde en de verdediging verzet zich hier dan ook tegen.

De rechtbank wijst het verzoek tot het stellen van nadere vragen aan de deskundigen van het PBC toe. Het met betrekking tot verdachte uitgebrachte PBC-rapport heeft bij het Openbaar Ministerie enkele vragen opgeworpen die men aan de deskundigen wil voorleggen. Er is geen rechtsregel die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzet.

Openbaar Ministerie en verdediging verschillen van mening over de vraag welke afbeeldingen verdachte voor ogen stonden toen hij in zijn verhoor bij de politie verklaarde dat hij 300 van de 365 dagen per jaar daar naar keek.

De rechtbank is van oordeel dat in het kader van het door het Openbaar Ministerie naar voren gebrachte vraagpunt betreffende de libido van verdachte, niet relevant is of verdachte naar door zijn echtgenoot gemaakte afbeeldingen keek dan wel naar andere seksueel getinte afbeeldingen. In de vraagstelling aan de deskundigen hoeft dit aspect dan ook niet te worden betrokken.

De rechtbank bepaalt dat de volgende vragen aan de deskundigen van het Pieter Baan Centrum zullen worden gesteld:

1. Hoe verhoudt het door verdachte gestelde lage libido zich met het naar zijn eigen zeggen veelvuldig kijken naar seksueel getinte afbeeldingen?

2. Wat kunnen de rapporteurs zeggen met betrekking tot de gewetensvorming van verdachte?

3. Kunnen de rapporteurs aangeven waarom het door de onderzoekers diverse malen geconstateerde theatrale gedrag van verdachte niet terug lijkt te komen in de forensische analyse?

De rechtbank wijst de zaak ook voor dit aspect terug naar de rechter-commissaris, teneinde de hiervoor genoemde vragen aan de deskundigen van het PBC voor te leggen en hen te verzoeken schriftelijk daarop te reageren.

4. Tonen beeld- en geluidsregistraties misbruik

De officieren van justitie hebben aangekondigd bij de inhoudelijke behandeling een representatieve selectie van door de medeverdachte [medeverdachte] vervaardigde foto’s en films van het misbruik te zullen tonen. De beelden dienen buiten aanwezigheid van het publiek te worden getoond. Dit is zowel mogelijk in een zitting met gesloten deuren als ook in het kader van een schouw.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte geen toegang had tot de laptop van zijn echtgenoot en acht het schouwen van beelden en foto’s niet relevant voor de zaak van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het een zelfstandige beslissing is van het Openbaar Ministerie om een representatieve selectie van beelden aan de rechtbank te tonen.

Met de officieren van justitie is zij van oordeel dat het tonen van deze selectie slechts kan plaatsvinden in een situatie waarbij uitgesloten is dat derden op enigerlei wijze kennis kunnen nemen van het beeldmateriaal. Hoewel ook een zitting met gesloten deuren in beginsel deze derden buitensluit, acht de rechtbank een schouw - in aanwezigheid van de rechtbank, de griffier(s), de officieren van justitie, de raadslieden van verdachte en eventueel verdachte zelf (deze met name in verband met mogelijke vragen omtrent het bewijs) - op een andere plaats dan de zittingzaal, een betere garantie tegen kennisname van het beeldmateriaal door onbevoegden.

Desgewenst kan ook de advocaat van de slachtoffers aanwezig zijn, echter alleen voor zover deze optreedt namens de ouders van het desbetreffende kind dat op de beelden is te zien.

De rechtbank gelast derhalve het Openbaar Ministerie er zorg voor te dragen, dat op een nader te bepalen datum tijdens de inhoudelijke behandeling, een schouw wordt geëffectueerd.

5. Afschrift PBC-rapport en andere rapportages

Mr. Korver heeft, als raadsman van een aantal ouders van betrokken kinderen, een verzoek gedaan tot het verstrekken van afschriften van de psychologische en/of psychiatrische rapportages over verdachte, inclusief de PBC-rapportage en de milieurapportages. De ouders dienen de mogelijkheid te krijgen om inzicht te verkrijgen in de geestestoestand en het functioneren van verdachte. Dit kan hen helpen bij het verwerken en begrijpen van hetgeen hun kinderen is overkomen en hun trauma beter te accepteren, te begrijpen en te verwerken. Het verstrekken van de rapportages geeft tevens aan de directe slachtoffers zelf de mogelijkheid om op latere leeftijd deze te kunnen lezen en beter te kunnen begrijpen wat de verdachte heeft gedreven en om inzicht te krijgen in zijn daden. De rapportages kunnen ook dienen ter informatie van therapeuten van de slachtoffers teneinde een gerichte behandeling mogelijk te maken.

De belangen van verdachte dienen in deze ondergeschikt te zijn aan de belangen van de betrokkenen kinderen.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat integrale verstrekking van het PBC-rapport te ver voert. In dit rapport worden de volledige jeugd, achtergrond en medische geschiedenis van verdachte beschreven, terwijl ook informatie over familieleden en anderen is opgenomen. Het is niet verantwoord en ook niet nodig dat al deze informatie bij derden bekend wordt, anders dan via de openbare behandeling ter zitting. Er kan worden volstaan met een afschrift van de in het rapport opgenomen forensische analyse en de beantwoording van de vraagstelling van de rechter-commissaris.

De verdediging heeft zich tegen afgifte van de rapportages verzet. Het PBC-rapport is opgemaakt om de rechtbank voor te lichten en dient niet aan slachtoffers te worden verstrekt. Verstrekking van het rapport aan de slachtoffers levert een te grote aantasting op van de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Er is bovendien onvoldoende aangetoond dat de slachtoffers belang hebben bij het verstrekken van dergelijke specifieke informatie, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 51b Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het slachtoffer op verzoek kennis kan nemen van processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn. Dit recht op kennisneming is echter niet absoluut, maar is onderworpen aan een belangenafweging, waarbij onder andere de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachte betrokken dient te worden. Ook in de Memorie van Toelichting bij het ‘Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces’ is opgenomen dat het belang van het slachtoffer moet worden afgewogen tegen dat van de andere procesdeelnemers, waaronder verdachte, die gerechtvaardigde doch mogelijk tegenstrijdige belangen kunnen hebben.

De rechtbank stelt voorop dat het PBC-rapport is opgesteld ter voorlichting van de rechtbank, ten behoeve van door haar te nemen beslissingen in het kader van de in de artikelen 348 en 350 Sv geformuleerde vragen. Het is niet opgemaakt met het doel om de verwerking van het ondergane leed van de slachtoffers te ondersteunen, noch om de slachtoffers te laten begrijpen waarom verdachte tot zijn daden is gekomen. Dit neemt echter niet weg dat het rapport mogelijk informatie bevat, die daartoe wel een bijdrage kan leveren.

In het rapport wordt diepgaand ingegaan op een groot aantal aspecten van het leven, de persoonlijkheid en de seksualiteit van verdachte, terwijl ook contacten met familieleden en andere personen worden beschreven. Daarmee raakt het rapport in zeer sterke mate de privacy van verdachte en in geringere mate ook die van derden.

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het rapport van dien aard is dat verstrekking van het rapport, of delen daaruit, aan de ouders van de slachtoffers, dan wel hun advocaat, een te grote inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en de in het rapport genoemde derden.

Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat door de afgifte van het rapport het risico dat privacygevoelige informatie bedoeld of onbedoeld in handen komt van personen die niet als procesdeelnemers zijn aan te merken naar het oordeel van de rechtbank aanzienlijk is te achten, waardoor aldus de inbreuk op de privacy van verdachte nog wordt vergroot.

Indien de ouders van de slachtoffers dit wensen, kunnen zij op de openbare terechtzitting - hetzij door eigen aanwezigheid, hetzij via de raadsman – bij de behandeling van de rapportage de inhoud dan wel de strekking van het rapport vernemen.

De rechtbank wijst aldus het verzoek van de raadsman af.

6. Spreekrecht

De officieren van justitie hebben vastgesteld dat er op dit moment geen nationale of internationale bepalingen voorhanden zijn op grond waarvan kan worden aangenomen dat zeer jonge slachtoffers het recht hebben om zich bij de uitoefening van het spreekrecht door hun ouders te laten vertegenwoordigen. Er zijn evenmin bepalingen waaraan voor de ouders een vergelijkbaar recht tot het indienen van een schriftelijke slachtofferverklaring kan worden ontleend.

De officieren van justitie komen echter tot de conclusie, op grond van te verwachten toekomstig recht en als uitvloeisel van een moreel appel, dat in de onderhavige zaak aan de ouders wél de bevoegdheid moet worden verleend namens hun kinderen gebruik te maken van het spreekrecht dan wel van een schriftelijke slachtofferverklaring.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat, gezien de bestaande regelgeving, de ouders van de kinderen niet als slachtoffers kunnen worden aangemerkt. Ook voorziet de wet niet in de mogelijkheid dat de ouders namens de kinderen het spreekrecht uitoefenen. De wetgever heeft er, gezien de wetsgeschiedenis, uitdrukkelijk voor gekozen om de kring van spreekgerechtigden beperkt te houden. Het geven van spreekrecht aan ouders, in welke vorm ook, is dan ook in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever.

Dat wordt niet anders nu recent een voorstel van wet is ingediend dat erin voorziet om ingeval een slachtoffer beneden de twaalf jaar is en niet in staat is om gebruik te maken van het spreekrecht, dit te laten uitoefenen door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Reeds nu hierop anticiperen komt in strijd met onze rechtstatelijke beginselen.

Mr. Korver heeft het volgende bepleit.

De vordering benadeelde partij en het spreekrecht zijn, gezien de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis, een civiel gedeelte binnen de strafrechtelijke procedure. Gezien het burgerlijk wetboek wordt een minderjarige zowel in als buiten rechte vertegenwoordigd door een persoon onder wiens gezag hij staat. Aan de ouders dient dan ook, gezien hun positie van wettelijk vertegenwoordiger, het spreekrecht ex artikel 51e lid 1 Sv toe te komen.

Subsidiair kunnen in deze concrete zaak ook de ouders worden begrepen als slachtoffer binnen de definitie van art 51a lid 1 Sv. Het valt immers niet te ontkennen dat ook de ouders rechtstreeks nadeel hebben ondervonden van de telastegelegde strafbare feiten, zoals gevoelens van grote machteloosheid, depressie en stress. Zeker als wordt bedacht dat het gaat om feiten waarbij zeer jonge kinderen zijn betrokken. Daarmee hebben de ouders een zelfstandig spreekrecht, naast het spreekrecht van de kinderen.

Voorts wijst de raadsman op het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en de regelgeving van de artikelen 6 en 13 van het EVRM en EU-kaderbesluit van 15 maart 2001.

Mochten de ouders geen spreekrecht hebben dan kan de raadsman dit namens de slachtoffers uitoefenen op grond van art 51a lid 1 Sv.

De rechtbank overweegt als volgt.

Slachtoffer.

Op grond van art. 51a Sv wordt als slachtoffer aangemerkt degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. In de ten laste gelegde feiten figureren zeer jonge kinderen als slachtoffer. Daarnaast is uit de reeds aan het dossier gevoegde deskundigenberichten duidelijk geworden, dat, naast het nadeel voor de jonge kinderen. in algemene zin ook ouders aanzienlijk nadeel kunnen ondervinden van de weergegeven feiten. Er wordt gesproken over angst, posttraumatische stress, depressie en emotionele distress welke van langdurige aard kunnen zijn, en zich uiten in het disfunctioneren van de ouders op talloze terreinen. Hoewel derhalve aanzienlijk nadeel aan diverse ouders niet uitgesloten kan worden geacht, maakt dit de bewoordingen van de wet niet anders. De wet spreekt over “rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit”. Deze bewoordingen, alsmede de geschiedenis van de totstandkoming, zijn zo duidelijk, dat er geen ruimte bestaat om bedoelde ouders mede als slachtoffer aan te duiden. Het nadeel, hoe ernstig ook, blijft immers afgeleid van de positie van het kind.

Spreekrecht.

Op grond van artikel 51e Sv heeft het slachtoffer ter zitting spreekrecht. Dit spreekrecht bestaat ook voor minderjarigen, van welke leeftijd dan ook, als zij maar in staat geacht kunnen worden tot een redelijke waardering van hun belangen.

Dit spreekrecht staat niet in relatie tot de te onderzoeken vraag of het feit bewezen is. De doelstelling is, gezien de toelichting op de wet, om het slachtoffer ruimte te bieden voor het herstel van de emotionele schade. Voorts kan de rechter uit de eerste hand vernemen welke de gevolgen van het misdrijf zijn, en moet het vergroten van de zichtbaarheid van het slachtoffer in het algemeen een bijdrage leveren aan het herstel van het vertrouwen in de rechtsstaat. Tot slot kan van het spreekrecht een preventieve werking uitgaan, zowel in de concrete strafzaak voor verdachte als in algemene zin. Samengevat ligt de doelstelling in de mogelijke helende werking voor het slachtoffer en in de mogelijk gunstige effecten voor de rechtsorde.

Bij de totstandkoming van de wet is aan de orde gekomen of het slachtoffer zich kan laten vertegenwoordigen indien hij fysiek of emotioneel niet in staat is het woord te voeren. Daar is destijds afwijzend op gereageerd. Op dit moment is een wetsontwerp aanhangig om deze vertegenwoordiging toch mogelijk te maken.

Het is duidelijk dat, waar in de telastelegging sprake is van buitengewoon jonge slachtoffers, deze niet in staat zijn om ter zitting het woord te voeren. De rechtbank is echter van oordeel dat de aard en de omvang van de strafzaak zo buitengewoon zijn, alsmede de mogelijke impact op de direct betrokkenen, dat het ervoor mag worden gehouden dat de wetgever, destijds bij de totstandkoming van de wet, deze niet in al hun aspecten voor ogen heeft gehad. Dit betekent dat voor een juiste interpretatie mede de achterliggende gedachte om tot een regeling te komen van belang is.

Daarnaast is van betekenis dat de discussie bij de wetgever over bedoelde vertegenwoordiging recent weer is opgepakt, met het aannemen van de motie Gerkens in november 2009 en het daarop volgend voorstel van wet. Dit voorstel heeft de uitgesproken bedoeling om tot uitoefening van het spreekrecht te komen door een wettelijk vertegenwoordiger indien het slachtoffer niet in staat is om dit zelf te doen.

Waar de doelstelling van het spreekrecht mede gezocht dient te worden in de algemene en speciale preventie, alsmede in het voorlichten van de rechtbank, en waar aan de andere kant aanzienlijk nadeel voor de slachtoffers niet uitgesloten is, ligt het geheel binnen het leidend beginsel van de wet om in de onderhavige zaak de slachtoffers, voor zover zij fysiek niet in staat zijn te spreken, te laten vertegenwoordigen door één van de ouders.

Bij de uitoefening van het spreekrecht vat de rechtbank het te bespreken onderwerp, namelijk de gevolgen die het strafbare feit bij het slachtoffer teweeg heeft gebracht, ruim op. In strikte zin zou een beperking kunnen gelden tot de directe gevolgen voor het jonge slachtoffer, zoals lichamelijke en psychische schade. Dit is echter, gezien de intense afhankelijkheid van het kind van zijn omgeving, niet acceptabel. Niet is uit te sluiten dat schade aan de omgeving, waaronder begrepen de ouders en de overige gezinsleden, mede het welzijn van het slachtoffer rechtstreeks bepaalt. Dit betekent dat, indien een ouder namens zijn kind, gebruik maakt van het spreekrecht, hij daarbij, indien gewenst, mede kan betrekken de gevolgen voor hemzelf, de partner en de rest van het gezin.

Slachtofferverklaring.

Bovenstaande overwegingen gelden ook voor de slachtofferverklaring.

Op grond van artikel 51b lid 2 Sv kan het slachtoffer de officier van justitie verzoeken documenten, zoals een slachtofferverklaring, aan het dossier toe te voegen. Indien een ouder zijn kind hierbij wenst te vertegenwoordigen, dan is dat mogelijk waarbij dezelfde ruime opvatting over het onderwerp geldt als bij het spreekrecht.

7. Sluiting der deuren

Mr. Korver heeft namens de ouders van de kinderen die hij bijstaat verzocht om tijdens het behandelen van de feiten en op andere momenten tijdens de zitting waarbij het risico bestaat op herkenning van de kinderen en hun ouders, de deuren te sluiten. Op deze wijze wordt de anonimiteit van de betrokken gezinnen zo veel mogelijk gegarandeerd en wordt voorkomen dat de belangen van de kinderen ondergeschikt raken aan het juridische proces.

De raadsman heeft zijn verzoek onderbouwd met een beroep op artikel 8 EVRM, het Verdrag van de Raad van Europa (Lanzarote), het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en een rapportage opgesteld door Defence for Children.

De officieren van justitie hebben gesteld dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken slachtoffers in beginsel gewaarborgd is door de gekozen wijze van ten laste leggen, door de afzonderlijke zaaksdossiers en door de toezegging van de procespartijen om geen namen van de kinderen te noemen. Een volledig sluiten van de deuren bij de behandeling van de feiten achten zij dan ook niet nodig. Wel dient de behandeling tijdelijk met gesloten deuren plaats te vinden zodra dusdanige omstandigheden worden besproken dat voor derden herleidbaar zal zijn om welke kinderen of gezinnen het gaat.

De verdediging heeft op dit punt geen uitdrukkelijk standpunt naar voren gebracht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beantwoording van de in dit verband aan de rechtbank voorgelegde vragen heeft als uitgangspunt te gelden dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar geschiedt. Op deze wijze kan immers de samenleving controle uitoefenen op de werkzaamheden van de rechtbank. Ook heeft een openbare terechtzitting tot doel dat een verdachte zich in het openbaar dient te verantwoorden voor de hem door het Openbaar Ministerie verweten gedragingen.

Dit beginsel van openbaarheid is neergelegd in het bepaalde in artikel 269 Sv en vindt steun in artikel 6 lid 1 van het EVRM.

De wet geeft evenwel de rechtbank nadrukkelijk de mogelijkheid de gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren te bevelen. Dat bevel kan (ondermeer) worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, (...) alsmede indien de belangen van de minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers, of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond deze strafzaak in zijn geheel met gesloten deuren te behandelen.

De belangen van de in deze strafzaak betrokken geraakte kinderen en daarmee ook de belangen van hun ouders rechtvaardigen evenwel dat onderdelen van de behandeling ter terechtzitting niet in het openbaar te volgen zullen zijn. Met name is er een gerechtvaardigd belang dat de identiteit van de mogelijke slachtoffers niet publiekelijk bekend wordt om te voorkomen dat op hun persoonlijke levenssfeer en die van hun ouders op onaanvaardbare wijze een inbreuk kan worden gemaakt.

Dat betekent dat tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak de deuren gedeeltelijk zullen worden gesloten.

Het is thans nog niet mogelijk om al te beslissen in welke gevallen en op welke wijze de rechtbank invulling zal geven aan dit recht op bescherming van de identiteit van de betrokken personen.

Bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting zal de rechtbank tijdig en per onderdeel van de telastelegging aangeven welk onderdeel met gesloten deuren zal worden behandeld. Daaronder is begrepen het spreekrecht, zoals dat onder 6. aan de orde is geweest. De rechtbank zal daarbij steeds bezien of de anonimiteit van de kinderen niet reeds voldoende is gewaarborgd door het gebruik van nummers in plaats van namen.

Voor zover er - buiten de schouw - ter terechtzitting afbeeldingen moeten worden getoond zullen de deuren worden gesloten.

In elk geval zullen de onderdelen van het onderzoek ter terechtzitting die betrekking hebben op het verhoor van de verdachte, het requisitoir van het Openbaar Ministerie, de pleidooien van de raadslieden van verdachte en de raadsman van de benadeelde partij(en) in het openbaar plaatsvinden.

8. Horen deskundigen ter terechtzitting

Op de terechtzitting van 31 maart 2011 heeft de rechtbank aan de rechter-commissaris opgedragen een kinderarts, een kinderpsychiater en een kinderpsycholoog te benoemen, teneinde te rapporten over de eventuele fysieke en psychische gevolgen van seksueel misbruik van jonge en zeer jonge kinderen, daarbij betrokken de gevolgen voor de gezinnen. De - in samenspraak met de verdediging en het Openbaar Ministerie - door de rechter-commissaris benoemde deskundigen hebben hun rapporten inmiddels aan de rechtbank doen toekomen. De rechtbank acht het wenselijk dat deze rapporteurs ter zitting zullen worden gehoord, en bepaalt ambtshalve dat zij voor een nader te bepalen dag tijdens de inhoudelijke behandeling zullen worden opgeroepen.