Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7761

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
parketnummer: 13/680006-11 en RK nummer: 11-3054
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In Finland is een gevangenisstraf opgelegd van 13 jaar. De rechtbank legt een straf van 4 jaar op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

parketnummer: 13/680006-11

RK nummer: 11-3054

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 april 2011 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van de rechtbank te Espoo (Finland) van 23 november 2010. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf van 13 (dertien) jaren van:

[veroordeelde],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

bij aanhouding opgegeven verblijfadres [adres] [verblijfplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring ‘De Weg’ te Amsterdam.

hierna te noemen: veroordeelde.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 mei 2011 waarna een tussenvonnis is gewezen op 31 mei 2011. Bij dit tussenvonnis is de officier van justitie in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de Finse justitiële autoriteiten. De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 20 september 2011. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman, mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie gehoord.

Met instemming van de officier van justitie en de verdachte hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing bij tussenvonnis van 31 mei 2011.

Na het tussenvonnis van 31 mei 2011 is aanvullende informatie ontvangen uit Finland, waarbij met name het vertaalde “detentiebesluit” van 16 juli 2010 van belang is. Ten aanzien van het specialteitsbeginsel staat hierin vermeld dat veroordeelde ter terechtzitting is bijgestaan door een Nederlandse tolk en dat het volgende aan de orde is geweest:

[veroordeelde], aan wie is uitgelegd dat een persoon die aan Finland is uitgeleverd niet mag worden vervolgd voor andere, vóór de uitlevering gepleegde feiten dan het feit waarop de uitlevering is gebaseerd, heeft meegedeeld dat hij ervan afziet zich op dit principe te beroepen en dat hij dus zijn toestemming geeft aan de strafrechtelijke vervolging.

De raadsman heeft zijn verweer – dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging voor de feiten die niet in het EAB zijn genoemd vanwege schending van het specialiteitsbeginsel – ter terechtzitting van 20 september 2011 niet gehandhaafd.

2. Identiteit veroordeelde

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Toelaatbaarheid

De Finse autoriteiten hebben de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van de rechtbank te Espoo (Finland) van 23 november 2010.

De veroordeelde is op 11 februari 2010 aangehouden in Nederland met als doel overlevering aan Finland. De inverzekeringstelling is op 12 februari 2010 geschorst. Veroordeelde heeft vanaf de datum van de uitspraak, 9 april 2010, tot aan zijn overlevering aan Finland op 27 april 2010 in Nederland in overleveringsdetentie verbleven.

Veroordeelde is vanaf die datum in Finland gedetineerd geweest, waarna hij in het kader van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen naar Nederland is overgebracht. Na aankomst in Nederland op 18 april 2011 is hij op 19 april 2011 door de rechter-commissaris in bewaring gesteld.

Veroordeelde heeft de Nederlandse nationaliteit.

De rechterlijke beslissing voornoemd is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van feiten die naar Fins recht strafbaar zijn. Deze feiten zijn naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar.

De feiten worden naar Nederlands recht gekwalificeerd als:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

Veroordeelde diende op het moment van ontvangst van het verzoek tot zijn overbrenging nog ten minste zes maanden van de hem opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.

Veroordeelde heeft verklaard mee te werken aan deze procedure en heeft op 1 februari 2011 ingestemd met zijn overbrenging naar Nederland.

De tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis dient toelaatbaar te worden verklaard nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde vereisten is voldaan. Het verlof tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

4. Motivering van de strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat in plaats van de buitenlandse sanctie dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar, met aftrek van de tijd die de veroordeelde in Nederland in uitleveringsdetentie en in Finland in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest.

De officier van justitie heeft bij de bepaling van de duur van de straf in Nederland rekening gehouden met het feit dat uit de omschreven feiten en omstandigheden blijkt dat het ging om grootschalige en georganiseerde handel in hasj en dat veroordeelde een belangrijke rol heeft gehad bij de transporten. Veroordeelde heeft het aanzien van Nederland in het buitenland geschaad. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de verzwaarde detentieomstandigheden in Finland. Gelet op het aantal transporten en de richtlijnen heeft de officier van justitie een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 4 jaar. Op basis van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling zal veroordeelde, rekening houdend met het aantal dagen dat de veroordeelde in voorarrest heeft gezeten, in december 2012 vrijkomen.

De raadsman heeft betoogd dat een gevangenisstraf van 4 jaar niet passend is en wijst op het feit dat veroordeelde een lange periode onder zware omstandigheden gedetineerd is geweest. Voorts dient de ontnemingsvordering te worden meegewogen bij het bepalen van de hoogte van de straf. De wijze waarop in Finland is aangenomen dat veroordeelde een leidinggevende rol zou hebben gehad bij de drugstransporten, is niet overtuigend en vindt geen steun in het bewijs. Hoewel de rechtbank dit thans niet kan vaststellen, kan er bij het bepalen van de strafmaat wel rekening mee worden gehouden. Ook het tijdsverloop moet in het voordeel van veroordeelde meegewogen worden. Het ligt immers aan de Nederlandse autoriteiten dat het zo lang heeft geduurd voordat veroordeelde teruggeleverd kon worden. Ook de tijd die na het tussenvonnis van 31 mei 2011 is verstreken, komt voor rekening van de officier van justitie en moet worden meegewogen in het voordeel van veroordeelde.

De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur, nu het, gezien de bewezenverklaring, gaat om het invoeren vanuit Nederland naar Finland, Engeland en Zweden van in totaal ongeveer 1500 kilogram hasjiesj.

Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van veroordeelde.

Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank het volgende in overweging. De Nederlandse overheid waarschuwt er regelmatig en nadrukkelijk voor dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland, met name op het gebied van verdovende middelen, grote risico's zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar voor dit soort feiten worden opgelegd.

Door zich in Finland aan voornoemd delict schuldig te maken heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland. Dit risico komt voor zijn rekening. Tevens wordt rekening gehouden met de Nederlandse belangen in de internationale betrekkingen en de in Finland heersende opvattingen omtrent bestraffing van dit soort misdrijven. Het internationale karakter van de onderhavige zaak weegt aldus mee bij de strafmaat, in het nadeel van de veroordeelde. Bovendien gaat het om meerdere transporten naar meerdere landen, waarbij veroordeelde een leidinggevende rol had. De rechtbank houdt er rekening mee dat veroordeelde in Finland een lange periode in zware detentieomstandigheden heeft doorgebracht. De overige verweren van de raadsman kunnen echter niet leiden tot een andere hoogte van de op te leggen straf.

Een en ander leidt ertoe dat de straf hoger zal zijn dan in Nederland in overeenkomstige gevallen gebruikelijk en lager dan de in Finland opgelegde straf.

Veroordeelde had, volgens de bij de stukken gevoegde verklaring, in Finland in het meest gunstige geval op 6 oktober 2016 in vrijheid kunnen worden gesteld.

5. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 3 en 11 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 29, 30, en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

de artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163).

artikel 3 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten Straatsburg op 18 december 1997 (Trb. 1998, 202).

6. Beslissing

VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij de rechterlijke beslissing van de rechtbank te Espoo (Finland) van 23 november 2010 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar.

BEVEELT dat de tijd die [veroordeelde] voornoemd in Nederland in overleveringsdetentie en in Finland in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gedaan door

mr. C.W. Bianchi, voorzitter,

mrs. J.W. Vriethoff en H.P.H.I. Cleerdin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 oktober 2011.

De voorzitter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen