Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7740

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
13/661035-10 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OVAR. Beroep op art. 46b Sr gehonoreerd. Vrijwillige terugtred bij voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/661035-10 (Promis)

Datum uitspraak: 1 december 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] [plaats], doch thans verblijvende op het adres [adres] [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.A. Zijlstra en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Jeltes, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 08 oktober 2010 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf diefstal met geweldpleging (artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of afpersing met geweld (artikel 317 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk

- een of meer mes(sen) en/of

- een paar handschoenen en/of

- een of meer sjaal(s)

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

(Artikel 46 / 312 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft zich bij het bepalen van haar standpunt gebaseerd op de processen-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2010, op het verhoor van getuige [getuige] en op de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van ‘heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd’. De raadsvrouw heeft verder geen bewijsverweren gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Voor het bewijs gebruikt de rechtbank de inhoud van de hieronder vermelde processen-verbaal, evenals de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Nu hij daarbij het ten laste gelegde heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien van het feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359 lid 3 Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de hieronder genoemde opgave van de gebruikte bewijsmiddelen:

- Een proces-verbaal met nummer 2010110359-4 d.d. 8 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende hun bevindingen;

- Een ambtsedig proces-verbaal met nummer 2010110359-34 d.d. 15 oktober 2011, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inhoudende het verhoor van getuige [getuige];

- Een proces-verbaal met nummer 2010110359-11 d.d. 8 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], inhoudende de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen;

- Een proces-verbaal met nummer 2010110359-12 d.d. 8 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de onder de medeverdachte [medeverdachte 1] in beslag genomen voorwerpen;

- Een proces-verbaal met nummer 2010110359-3 d.d. 8 oktober 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], inhoudende de onder de medeverdachte [medeverdachte 2] in beslag genomen voorwerpen;

- De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, inhoudende dat hij zich op 8 oktober 2010 aan de ten laste gelegde voorbereiding van het in vereniging plegen van een overval schuldig heeft gemaakt.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 8 oktober 2010 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, ter voorbereiding van het met anderen te plegen misdrijf diefstal met geweldpleging (artikel 312 Wetboek van Strafrecht) of afpersing (artikel 317 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk

- messen en

- handschoenen en

- sjaals

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

7.1 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat vrijwillige terugtred, ex artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: art. 46b Sr), niet aan de orde is. Volgens de officier van justitie is de voorbereiding als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: art. 46 Sr) het gronddelict en is in onderhavige zaak dit delict voltooid, aangezien verdachte samen met de medeverdachten en in het bezit van messen, sjaals en handschoenen naar het tankstation is gelopen. De officier van justitie is gelet hierop van mening dat de voorbereiding van de overval dermate vergevorderd was dat van vrijwillige terugtred geen sprake meer kon zijn. Bovendien hebben verdachte en de medeverdachten zich niet ontdaan van de voor de overval bedoelde voorwerpen. Zij hebben die voorwerpen in de tas gedaan of gehouden en één van hen heeft een mes in zijn broeksband gestopt en gehouden. Hierdoor is de mogelijkheid blijven bestaan dat zij met behulp van die voorwerpen een (andere) winkel of een persoon konden overvallen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat sprake is van vrijwillige terugtred, ex art. 46b Sr, en zij heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij en de medeverdachten gezamenlijk hadden bedacht een overval te plegen. Verdachte heeft de voorwerpen hiertoe meegebracht. Echter, zij hebben vervolgens om intrinsieke reden, namelijk uit angst, besloten te stoppen. Zij durfden de overval niet te plegen. Dat sprake is geweest van angst bij verdachte wordt gesteund door de verklaring van de getuige [getuige], zijnde de medewerkster van het tankstation. De getuige heeft immers verklaard dat zij zag dat de jongen met de krulletjes, zijnde verdachte, duidelijk zenuwachtig was. Verdachte en de medeverdachten zijn teruggelopen naar Amsterdam en zij zijn pas geruime tijd na de melding en op geruime afstand van het tankstation door de politie aangehouden. Volgens de raadsvrouw is dan ook geen sprake van een onder invloed van uitwendige prikkels genomen besluit.

Voorts heeft de raadsvrouw gesteld dat niet de voorbereiding ex art. 46 Sr, maar de diefstal met geweld en/of de afpersing het gronddelict is, zoals wordt bedoeld in de toelichting in Tekst en Commentaar bij art. 46b Sr. Op grond hiervan komt de raadsvrouw dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van een voltooid gronddelict, waardoor vrijwillige terugtred wel degelijk mogelijk is.

De raadvrouw heeft met betrekking tot het zich ontdoen van de meegebrachte voorwerpen naar voren gebracht dat verdachte en de medeverdachten dit deels hebben gedaan door de spullen op te bergen. De raadsvrouw heeft beaamd dat verdachte en de medeverdachten in theorie de messen hadden kunnen weggooien, maar zij vindt dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de messen de keukenmessen van de moeder van verdachte waren en dat verdachte de messen terug wilde leggen in de keuken.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Art. 46b Sr luidt:

“Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.”

De in het standpunt van de officier van justitie besloten liggende opvatting dat een beroep op art. 46b Sr moet worden afgewezen, omdat de voorbereidingshandelingen reeds zijn voltooid, vindt geen steun in het recht. Art. 46b Sr komt er immers op neer dat tot straffeloosheid leidende vrijwillige terugtred nog mogelijk is zolang het voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het gaat er dus niet om of verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare voorbereiding, maar of hij vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In onderhavige zaak is het voorgenomen misdrijf het in vereniging plegen van diefstal met geweld of afpersing. Nu beide misdrijven niet zijn voltooid, is het derhalve niet op voorhand uitgesloten dat verdachte vrijwillig is teruggetreden (vgl. HR 27 november 2001, LJN AD4484 en HR 19 december 2006, LJN AZ2169).

Aan de hand van de volgende concrete omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte voldoende toereikend zijn geweest om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn:

- verdachte en de medeverdachten zijn rustig bij het tankstation in Badhoevedorp weggelopen en op grond van de inhoud van het dossier kan niet worden vastgesteld dat een uitwendige prikkel hen hiertoe heeft bewogen;

- verdachte en de medeverdachten waren op het moment van hun aanhouding inmiddels in Amsterdam;

- tussen de melding van de medewerkster van het tankstation en de aanhouding van verdachte en de medeverdachten is geruime tijd verstreken, te weten ongeveer 27 minuten;

- verdachte en de medeverdachten hadden ten tijde van hun aanhouding de meegebrachte voorwerpen opgeborgen;

- verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij bang was om de overval te plegen, dat hij door die angst hier van heeft afgezien en dat hij eigenlijk de messen had willen weggooien;

- verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de messen niet heeft weggegooid, omdat hij bang was dat zijn moeder zou merken dat hij deze messen, haar keukenmessen, had meegenomen.

Op grond van het voorgaande is aannemelijk geworden dat het niet plegen van de overval het gevolg is geweest van een spontaan, uit de eigen wil van verdachte voortvloeiend besluit. De rechtbank honoreert het beroep op vrijwillige terugtred ex art. 46b Sr. Verdachte is niet strafbaar voor het bewezen geachte feit. Verdachte dient dan ook voor het bewezen geachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8. Motivering van de maatregel

8.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen, met aftrek van voorarrest.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken, met een proeftijd van 2 jaren. Hierbij dient de Maatregel Hulp en Steun, ook als die inhoudt het volgen van Functional Family Therapy, als bijzondere voorwaarde te worden opgelegd.

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd te gelasten dat de messen worden onttrekken aan het verkeer en dat de overige voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft primair verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft zij verzocht dat alle voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Zoals reeds in rubriek 7 is weergegeven, zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het beslag

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage met de nummers 1, 2, 5 en 6 dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten verdachte.

Nu met behulp van de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage met de nummers 3 en 4 het bewezen geachte is voorbereid en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang worden die voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

voorbereiding van diefstal met geweldpleging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage met de nummers 3 en 4.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage met de nummers 1, 2, 5 en 6.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. J. Graafland-Verhaegen en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Huls, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2011.