Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7617

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/1746 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen invoering betaald parkeren gegrond. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure én bezwaarprocedure gevolgd. Gebreken aan uniforme openbare voorbereidingsprocedure door niet alle stukken ter inzage te leggen en niet alle belanghebbenden deugdelijk uit te nodigen. Geen volledige heroverweging in bezwaar. Daarnaast is besluit inhoudelijk onvoldoende gemotiveerd. Niet duidelijk waarom noodzaak tot betaald parkeren, nu merendeel bewoners tegen. Stukken met betrekking tot onderzoek naar gestelde parkeerdruk niet in procedure bekend gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1746 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde mr. O.W. Wagenaar,

en

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Amsterdam Nieuw-West,

verweerder,

gemachtigde mr. G. de Josselin.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om betaald parkeren in te voeren in het vergunninggebied 2 in Slotervaart en voorbereidingen te treffen voor de uitvoering hiervan.

Bij besluit van 16 februari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011.

De zaak is tegelijkertijd, doch niet gevoegd, behandeld met de soortgelijke zaken met dossiernummers 11/1747 GEMWT en 11/1743 GEMWT.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [vertegenwoordiger 1].

In de zaak met dossiernummer 11/1747 GEMWT is de heer [mede-eiser 2] (hierna: [mede-eiser 2]) verschenen. In de zaak met dossiernummer 11/1743 GEMWT is [mede-eiseres] (hierna: [mede-eiseres]), met kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. In een besluit van 18 april 2007 van verweerder is, voor zover hier van belang, vermeld:

“(…)

De stadsdeelraad van Slotervaart,

(…)

BESLUIT:

I. vast te stellen de nota van beantwoording “Inspraak betaald parkeren Slotervaart”;

II. in te stemmen met het invoeren van betaald parkeren per 01-01-2008 in de gebieden ten oosten van de A10, de omgeving van het WFC en de drie grote stedelijke vernieuwingsgebieden: Overtoomse Veld, Delflandplein- en Staalmanpleinbuurt en Lelylaan; (vergunninggebied 1, rechtbank)

III. in te stemmen met het: “Uitwerkingsbesluit parkeerverordening 2007 stadsdeel Amsterdam Slotervaart”, met als belangrijkste regels:

- het aanwijzen van geheel Slotervaart als drie vergunninggebieden waarvan het onder besluit II genoemde gebied als één vergunninggebied wordt aangewezen;

- betaald parkeren van maandag t/m zaterdag van 9:00 tot 19:00 uur;

- de mogelijkheid tot uitgifte van twee bewonersvergunningen per huishouden;

(…)”

1.2. Op 19 november 2008 is door de deelraad Slotervaart (de rechtsvoorganger van verweerder) een motie met als onderwerp: “Uitbreiding betaald parkeren”, aangenomen, waarin het dagelijks bestuur van dat stadsdeel is opgedragen om alle voorbereidingen te treffen om op zo kort mogelijke termijn betaald parkeren in te voeren in het op 18 april 2007 aangewezen vergunninggebied Slotervaart 2, om dit ter inspraak voor te leggen aan belanghebbenden en om na afronding van die inspraak een besluit tot invoering aan de deelraad voor te leggen.

1.3. Op 9 december 2008 heeft verweerder besloten om het invoeren van betaald parkeren in vergunninggebied 2 voor inspraak vrij te geven. Bij brief van 11 december 2008 is de bewoners meegedeeld dat sinds de invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 1 meerdere handtekeningenlijsten bij verweerder zijn binnengekomen waarin werd gepleit voor invoering van betaald parkeren in het aangrenzende gebied. Hierop is besloten de invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 2 in de inspraak te brengen. Na de inspraak zal er een definitief besluit worden genomen.

1.4. Op 10 maart 2009 heeft verweerder besloten de Nota van beantwoording “Invoering betaald parkeren vergunninggebied 2” vast te stellen en aan de deelraad voor te stellen om, conform de motie van 19 november 2008, betaald parkeren in te voeren in vergunninggebied 2 en voorbereidingen te treffen om op zo kort mogelijke termijn tot uitvoering over te gaan.

1.5. In de Nota van Beantwoording “Invoering betaald parkeren vergunninggebied 2” is vermeld, voor zover hier van belang:

- dat in het gebied tussen de spoorlijn en de Johan Huizingalaan een groot aantal straten op verschillende meetmomenten een parkeerdruk heeft van boven de 90%;

- dat in de rest van het gebied het aantal straten met een parkeerdruk boven de 90% aanzienlijk lager ligt;

- dat er 407 reacties tijdens de inspraakbijeenkomst zijn gegeven. Daarvan waren 79 voor invoering van betaald parkeren (19%) en 328 waren tegen invoering van betaald parkeren (81%);

- dat er 501 schriftelijke reacties zijn gegeven. Daarvan waren 90 voor invoering van betaald parkeren (18%) en 411 waren tegen invoering van betaald parkeren (82%);

- dat er tijdens de inspraakprocedure 3.614 handtekeningen zijn ingediend tegen de invoering van betaald parkeren. Daarvan was 70% afkomstig uit het gebied waar voorgesteld wordt om betaald parkeren in te voeren.

1.6. Vervolgens is het primaire besluit genomen.

2. Wettelijk kader

2.1. In artikel 2 van de Inspraakverordening Slotervaart 2008 (hierna: de Inspraakverordening) is vermeld, voor zover hier van belang:

1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van beleid van het stadsdeel.

2. Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.

2.2. In artikel 4 van de Inspraakverordening is bepaald:

1. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, rechtbank) van toepassing.

2. Het bestuursorgaan kan in uitzonderlijke gevallen voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen.

2.3. Artikel 3:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2.4. Artikel 3:11 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage legt.

2.5. Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is er op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt.

2.6. In artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, is bepaald, voor zover hier van belang:

De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting het volgende voorop. In 2007 heeft verweerder ingestemd met de invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 1. Nog voor de invoering van betaald parkeren in dit gebied is door een groep bewoners verzocht om ook in vergunninggebied 2 betaald parkeren in te voeren. Omdat tijdens de inspraakprocedure bleek dat hiervoor geen draagvlak was, heeft verweerder besloten van de invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 2 af te zien en betaald parkeren enkel in vergunninggebied 1 in te voeren. Nadat in 2008 aan verweerder verschillende handtekeningenlijsten zijn overhandigd voor de invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 2 is vervolgens de motie aangenomen zoals opgenomen onder rechtsoverweging 1.2. Vervolgens heeft verweerder een inspraakprocedure gestart. Uit deze inspraakprocedure is (wederom) gebleken dat het merendeel van de bewoners tegen de invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 2 was. Na de beëindiging van de inspraakprocedure heeft verweerder besloten toch over te gaan tot invoering van betaald parkeren. Tegen dit besluit heeft, onder andere, eiser bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit tot invoering gehandhaafd.

3.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet heeft onderbouwd waarom betaald parkeren in heel vergunninggebied 2 ingevoerd moest worden terwijl de parkeerdruk slechts in een paar straten hoog was en het merendeel van de bewoners tegen de invoering was.

Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat goed is gekeken naar de concrete situatie en dat is geconstateerd dat door invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 1 een grote parkeerdruk is ontstaan in vergunninggebied 2. Het belang van regulering van de parkeerdruk prevaleert boven de individuele belangen van de bewoners

3.3. Uit de Awb, zoals opgenomen onder 2.3 en 2.6, volgt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering die ook in het besluit dient te worden vermeld en dat een bestuursorgaan alle bij het besluit betrokken belangen dient af te wegen.

3.4. De rechtbank is van oordeel dat de gedachtegang omtrent de noodzaak tot de invoering van het betaald parkeren weinig inzichtelijk is en overweegt daartoe als volgt. In het bestreden besluit is opgenomen dat de motie was ingegeven door klachten over parkeerproblemen en door de ontvangst van handtekeningenlijsten voor de invoering van betaald parkeren. Uit de inspraakreacties bleek echter dat het merendeel van de bewoners tegen de invoering was. Uit het bestreden besluit volgt vervolgens niet waarom toch is besloten over te gaan tot invoering van betaald parkeren in vergunninggebied 2. Onduidelijk is wat het algemene belang van verweerder is om de parkeerdruk in een paar straten omlaag te krijgen boven het belang van de bewoners die geen hinder ondervinden van de (kennelijke) parkeerdruk. Het had op de weg van verweerder gelegen inzichtelijk te maken waarom alsnog werd overgegaan tot invoering van betaald parkeren.

De rechtbank overweegt voorts dat door het ontbreken van een feitelijke onderbouwing de noodzaak tot invoering van betaald parkeren ook weinig inzichtelijk is gemaakt. Verweerder verwijst wel naar een parkeerdrukmeting en een kentekenonderzoek, maar heeft deze stukken niet ter inzage gelegd. Het had op de weg van verweerder gelegen om deze gegevens, met het oog op een zorgvuldige besluitvorming, wel ter inzage te leggen zodat het voor de belanghebbenden voldoende duidelijk is waarom verweerder van oordeel is dat betaald parkeren ingevoerd dient te worden.

Voorts stelt de rechtbank vast dat in het bestreden besluit alleen een herhaling van de algemene standpunten van verweerder voor de invoering van betaald parkeren is opgenomen. De rechtbank constateert dat verweerder zich naar aanleiding van de bezwaarschriften van eiser, [mede-eiser 2] en [mede-eiseres] heeft laten adviseren door de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) en dat deze commissie in haar advies stelt dat zij slechts kan beoordelen of het bestreden besluit rechtmatig tot stand is gekomen en dat het aan verweerder is om de politieke keuzes toe te lichten. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat uit het bestreden besluit echter niet volgt dat verweerder deze politieke keuzes toelicht in het kader van de volledige heroverweging die dient te volgen op het bezwaar. Noch uit het advies van de commissie noch uit het bestreden besluit volgt waarom verweerder voorbij gaat aan de bezwaren van de belanghebbenden en het algemeen belang van verweerder zwaarder laat wegen.

3.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het bestreden besluit niet volgt waarom verweerder heeft besloten over te gaan tot invoering van betaald parkeren ondanks de bezwaren van eiser, [mede-eiser 2] en [mede-eiseres]. Voorts blijkt niet dat verweerder alle bij het besluit betrokken belangen heeft afgewogen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:4, eerste lid, en 7:12 van de Awb is genomen.

3.6. Uit het voorgaande volgt volgens de rechtbank voorts dat de inspraakprocedure, waarop volgens de Inspraakverordening afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, niet juist is toegepast nu verweerder niet alle stukken ter inzage heeft gelegd. Het feit dat verweerder ter zitting alsnog heeft aangeboden de stukken te overleggen, doet niet af aan het feit dat deze tijdens de inspraakprocedure ter inzage hadden moeten worden gelegd. Ook heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat alle belanghebbenden voor de inspraakprocedure zijn uitgenodigd.

3.7. Eiser heeft zich voorts nog op het standpunt gesteld dat geen volledige heroverweging op bezwaar heeft plaatsgevonden. Verweerder betwist dit en stelt dat het besluit extra zorgvuldig tot stand is gekomen omdat naast de inspraakprocedure ook de bezwaarschriftprocedure is gevolgd. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.4 is overwogen, volgt dat uit het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag gelegde advies van de commissie niet blijkt dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden nu het bestreden besluit enkel een herhaling van de algemene standpunten voor invoering van betaald parkeren bevat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:11 van de Awb is genomen.

3.8. Uit hetgeen onder 3.4, 3.6 en 3.7 is overwogen volgt dat verweerder de uniforme openbare voorbereidingsprocedure op onjuiste wijze heeft toegepast, dat er geen volledige heroverweging op bezwaar heeft plaatsgevonden en dat het besluit tot het invoeren van betaald parkeren in vergunninggebied 2 onzorgvuldig is voorbereid en dat geen kenbare belangenafweging heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het besluit in strijd is met afdeling 3.4 van de Awb en de artikelen 3:4, eerste lid, 7:11 en 7:12 van de Awb is genomen. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

3.9. De rechtbank ziet geen ruimte voor finale geschillenbeslechting, omdat de belangen vooral aan de zijde van verweerder nog niet voldoende duidelijk zijn.

3.10. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank ziet geen reden voor een veroordeling in de proceskosten nu eiser en [mede-eiser 2] gebruik hebben gemaakt van dezelfde gemachtigde en deze één beroepschrift heeft opgesteld. De rechtbank zal verweerder in de zaak tegen [mede-eiser 2] veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, waardoor daar in deze zaak geen plaats meer voor is.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. Rombouts, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.N. van den Broek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D:

SB