Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7260

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
10/464 Alkmaar
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag van brigadier van politie. Het geheel van feiten en omstandigheden overziend kan de rechtbank niet anders dan concluderen dan dat eiser zich bij herhaling is blijven bezondigen aan ernstig en toerekenbaar plichtsverzuim. Dit geldt niet alleen voor het hem verweten zakelijk privé-gebruik van zijn email, doch juist ook voor wat betreft de wijze waarop hij zich jegens en over collega’s heeft uitgelaten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: 10/464 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2011 in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: drs. G.N.R. Priem),

en

De korpsbeheerder van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Burghout).

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2007 is aan eiser de straf van ontslag, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, opgelegd.

Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft de korpschef van het regionaal politiekorps eiser met onmiddellijke ingang in zijn ambt geschorst. Tegen dat besluit is namens eiser bij brief van 14 augustus 2008, door verweerder ontvangen op 15 augustus 2008, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 maart 2009 heeft de korpsbeheerder eiser alsnog en onmiddellijk de straf van ontslag verleend door tenuitvoerlegging van het bij het besluit van 29 augustus 2007 opgelegde strafontslag. Subsidiair is eiser ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt. Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 13 april 2009, door verweerder ontvangen op 16 april 2009, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 januari 2010, het bestreden besluit, heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 14 (naar de rechtbank begrijpt: 13) augustus 2008 en 13 april 2009 (naar de rechtbank begrijpt 27 maart 2009) ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is namens eiser bij brief van 5 maart 2010, door de rechtbank ontvangen op 9 maart 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift gedateerd 6 mei 2010 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

De rechtbank gaat uit van het volgende.

1.1. Eiser is sinds 1 oktober 1993 in dienst van de Politieregio Amsterdam-Amstelland, laatstelijk in vaste dienst als professional in de rang van [naam functie] van politie aan het bureau Meer en Vaart. Aan eiser is op 12 oktober 2004 een formele waarschuwing uitgereikt wegens ongewenst gedrag, met name ten aanzien van omgangsvormen en taalgebruik, waardoor aan collega’s schade is berokkend. In dat verband is eiser tijdelijk voor maximaal drie maanden bij een ander wijkteam geplaatst.

1.2. Bij besluit van 29 augustus 2007 is aan eiser de straf van ontslag, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Aan eiser werd - onder meer- verweten dat hij anders dan ten behoeve van de politietaak de politiële systemen heeft geraadpleegd en daarbij een medewerker van de AWV (Woningbouwvereniging) op het hebben van antecedenten heeft nagetrokken. Bovendien had eiser – zo bleek uit het strafrechtelijk/disciplinair onderzoek – laakbaar gehandeld door omwille van privé-zaken tijdens diensttijd en in uniform een bezoek te brengen aan het kantoor van de AWV ten einde zich daar op indringende wijze met de desbetreffende medewerker te verstaan.

1.3. Bij besluit van 17 april 2008 is eiser hangende een onderzoek naar ongewenste omgangsvormen, waaronder begrepen seksuele intimidatie per die datum buitengewoon verlof verleend met behoud van zijn bezoldiging, alsmede de toegang tot dienstgebouwen en dienstterreinen ontzegd. Eiser is in het kader van het onderzoek gehoord op 3 juli 2008 en 13 augustus 2008.

1.4. Bij besluit van 13 augustus 2008 is eiser - gelet op de onderzoeksbevindingen - met onmiddellijke ingang geschorst uit zijn ambt. Tegen dit besluit is op 14 augustus bezwaar gemaakt.

1.5. Op 4 december 2008 is aan eiser het voornemen tot tenuitvoerlegging van disciplinair strafontslag, subsidiair ongeschiktheidsontslag bekendgemaakt. Bij besluit van 27 maart 2009 heeft verweerder eiser primair op grond van artikel 77, eerste lid, onder j, in samenhang met artikel 82 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) alsnog en met onmiddellijke ingang ontslag verleend door middel van de tenuitvoerlegging van het hem bij besluit van 29 augustus 2007 opgelegde strafontslag; subsidiair is hem op grond van artikel 94, eerste lid, onder g, van het Barp met inachtneming van een opzegtermijn van vier weken ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt.

Het bestreden besluit en de standpunten van partijen.

2.1. Na de behandeling van het bezwaar heeft verweerder het besluit tot tenuitvoerlegging van het strafontslag, gebaseerd op de volgende als plichtsverzuim geduide verwijten:

- het door eiser niet betwiste e-mailverkeer voor privé doeleinden; van de 3100 berichten van augustus 2006 tot en met april 2008 is een groot deel niet werk gerelateerd, deels hebben deze ook een seksuele lading;

- de opmerking tegenover collega [naam collega 1] over diens vriendin [naam];

- seksueel beladen bejegening en seksuele intimidatie;

- de suggestieve opmerking tegen een vrouwelijke collega over het (niet) veilig zijn van haar dochters voor haar jongere echtgenoot;

- het bij voortduring maken van opmerkingen tegenover een vrouwelijk collega over haar seksuele geaardheid en leeftijd, waardoor zij het bezwarend vond met eiser te werken;

- ten aanzien van de relatie van eiser met zijn collega/student [naam collega 2] wordt eiser aangerekend dat het korps ongewild is betrokken bij de onprettige afloop van deze relatie, terwijl eiser met het dreigement aan [naam collega 2] haar te doen overplaatsen zijn boekje ver te buiten is gegaan en dat hem daarvan een verwijt gemaakt moet worden;

- het tijdens pauzes bezoeken van [naam collega 2] in uniform en met gebruikmaking van een politiemotor; privé-bezoeken in uniform zijn onwenselijk;

2.2. Verweerder acht dit plichtsverzuim verwijtbaar en vindt daarin ook voldoende aanleiding om tenuitvoerlegging van het eerdere voorwaarderijk opgelegde strafontslag te rechtvaardigen. Daarbij is geen aanleiding voor een verdere belangenafweging.

Subsidiair blijkt daaruit dat eiser ongeschikt is voor zijn ambt, aldus verweerder.

3.1. Eiser stelt in beroep dat:

- hij ruim 16 jaar in dienst van verweerder is en een voortreffelijk staat van dienst heeft;

- hij niet in de gelegenheid is geweest voorafgaand aan het nemen van het ontslagbesluit zijn zienswijze kenbaar te maken en zijn standpunt naar voren te brengen;

- ondanks zijn eerdere verzoeken eerst na de hoorzitting alle stukken aan zijn gemachtigde zijn gezonden. Om die reden heeft hij af moeten zien van het indienen van een zienswijze tegen het ontslag en heeft hij zijn verdediging niet adequaat kunnen voeren;

- de uitkomst van het interne onderzoek in niet geringe mate bepaald is door het onvolledig- en het selectief gebruik van verklaringen van getuigen á charge, terwijl aan enkele getuigen á décharge op geen enkele wijze de gelegenheid is geboden zich over de gedragingen van eiser, in relatie tot de verweten gedragingen, te uiten. Eiser voelt zich hierdoor in zijn rechtspositie ernstig benadeeld, temeer omdat getuigenverklaringen een belangrijke bron vormen van ontlastend en belastend bewijs;

- een deel van de getuigenverklaringen, met name dat deel waarvan de verklaring zou hebben kunnen dienen als ontlastend voor eiser, ontbreekt. Daarom wordt niet voldaan aan de eis dat voor een disciplinaire bestraffing op grond van het geheel aan ter beschikking staande gegevens tot de overtuiging moet zijn gekomen dat de ambtenaar de (strafbare) gedraging heeft verricht;

- naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geldt dat op basis van deugdelijke vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. In de verklaringen van getuigen en betrokkenen worden echter waardeoordelen en interpretaties van het gedrag van eiser naar voren gebracht, maar in de verklaringen worden niet of nauwelijks gedragingen van eiser geschetst dan wel concrete voorbeelden gegeven van het gestelde verbaal intimiderende gedrag van eiser. Hierdoor kunnen deze verklaringen niet ten grondslag worden gelegd aan het verweten plichtsverzuim inzake de “onveilige werksituatie” en de “seksuele intimidatie”;

- hij door leidinggevenden noch collega’s op zijn gedrag is aangesproken;

- verweerder ook acht moet slaan op de bij de dienst heersende cultuur;

- niet alle gepleegde feiten plichtsverzuim opleveren en een deel daarvan dateert van voor de oplegging van voorwaardelijk ontslag.

3.2. Eiser heeft ook kanttekeningen geplaatst bij de extreem lange termijn welke is gebruikt voor het onderzoek. De onzekerheid waarin verweerder eiser heeft gelaten is als onmenselijk te kwalificeren. Dit kan niet als goed werkgeverschap worden gezien. Eiser ontkent dat door zijn uitspraken bij collega’s gevoelens van onveiligheid en een onveilige werksfeer is ontstaan, integendeel, hij heeft altijd als chef van dienst bijgedragen aan de doelstellingen van het wijkteam. Verweerder heeft nagelaten zijn belangen te wegen, terwijl de gevolgen van het ontslag voor eiser onevenredig zijn. Verweerder heeft aldus in redelijkheid niet tot dit ontslag kunnen besluiten, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1. De rechtbank acht onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat eiser niet in staat is geweest zijn verdediging adequaat te voeren. Eiser is in de eerste plaats in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan het ontslagbesluit een zienswijze in te dienen. Eiser heeft hiervan evenwel om hem moverende redenen geen gebruik gemaakt hetgeen voor zijn rekening en risico dient te worden gelaten. Eiser is voorts ook in het kader van de behandeling van het bezwaar gehoord. Eiser heeft weliswaar gesteld dat het dossier onvolledig is omdat delen van getuigenverklaringen ontbreken of omdat getuigen die een ontlastende verklaring zouden kunnen afleggen niet zijn gehoord, doch door of namens eiser is de juistheid van dit betoog niet met concrete gegevens onderbouwd.

4.2. Eiser heeft tegen het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit tot schorsing geen zelfstandige beroepsgronden ingebracht zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat dit onderdeel geen onderwerp van geschil is.

4.3. De rechtbank stelt dan ook vast dat het beroep van eiser zich nog uitsluitend richt tegen het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslag, en wel in de eerste plaats tegen de tenuitvoerlegging van de aan eiser opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 april 2006, LJN AW4578 en TAR 2006, 132) dient bij de toetsing van een dergelijk besluit beoordeeld te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt en bestaat er naast die beoordeling geen plaats meer voor een onevenredigheidstoetsing. Aan de orde is dus de vraag of verweerder de voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij dusdoende in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

4.4. De rechtbank stelt voorts vast dat tegen het besluit van 29 augustus 2007, waarbij aan eiser de straf van ontslag voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar is opgelegd, geen rechtsmiddelen zijn aangewend, zodat dit ontslag in rechte vaststaat. Het voorwaardelijk strafontslag is eiser destijds opgelegd onder de bepaling dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, indien eiser zich gedurende twee jaar niet schuldig heeft gemaakt aan soortgelijk plichtsverzuim of enig ander (ernstig) plichtsverzuim.

4.5. Het geheel van feiten en omstandigheden overziend kan de rechtbank niet anders dan concluderen dan dat eiser zich bij herhaling is blijven bezondigen aan ernstig en toerekenbaar plichtsverzuim. Dit geldt niet alleen voor het hem verweten zakelijk privé-gebruik van zijn email, doch juist ook voor wat betreft de wijze waarop hij zich jegens en over collega’s heeft uitgelaten.

4.5. Ten aanzien van dit laatste is uit de verklaringen van de verschillende collega’s gebleken dat eiser daarbij de grenzen van het betamelijke meermalen heeft overschreden. Enkele collega’s hebben zich daarbij gedwongen gevoeld zich tot de vertrouwenspersoon te wenden. Dat eiser, zoals hij stelt, nimmer is aangesproken op zijn onheuse en intimiderende gedrag kan de rechtbank niet volgen, aangezien eiser immers al met de waarschuwing in 2004 is gemaand om op zijn woorden te letten. Daarbij komt dat eiser in verband met het voordien gegeven voorwaardelijk ontslag een gewaarschuwd man was.

4.6. Gelet op het vorenstaande was verweerder bevoegd tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke ontslag. Van omstandigheden die maken dat de gedragingen eiser niet of in een verminderde mate moeten worden toegerekend, is niet gebleken. Dat een en ander – gelijk eiser heeft gesteld – zou passen binnen de cultuur van de politieorganisatie acht de rechtbank niet aangetoond en ook overigens niet aannemelijk. De rechtbank acht hierin dan ook geen grond gelegen voor de conclusie dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid.

5.1. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank aan een bespreking van de subsidiaire ontslaggrond niet toe.

5.2 Het beroep is ongegrond.

5.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. van Montfrans-Wolters, voorzitter, mr. M. Zijp en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, leden, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2011.

griffier voorzitter

De voorzitter is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.