Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7149

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
463942 / HA ZA 10-2196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst, Haviltex

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummers / rolnummers: 463942 / HA ZA 10-2196 en

463350 / HA ZA 10-2103

Vonnis van 19 oktober 2011

in de zaak van

de stichting

STICHTING VERVROEGDE UITTREDING ZEEHAVENS 42-49,

gevestigd te Bunnik,

eiseres,

advocaat mr. F.J. Hommersom te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] STUWADOORS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.R. Hendriksen te Amsterdam,

en in de zaak van

de stichting

STICHTING VERVROEGDE UITTREDING ZEEHAVENS 42-49,

gevestigd te Bunnik,

eiseres,

advocaat mr. F.J. Hommersom te Utrecht,

tegen

1. de vennootschap onder firma

UNITED STEVEDORES AMSTERDAM V.O.F.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSIT TERMINAL AMSTERDAM B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] STUWADOORS B.V.,

alle gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. S.R. Hendriksen te Amsterdam.

Partijen worden hierna STIVU, [A], USA en TTA genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedures blijkt uit:

- de dagvaardingen van 15 juni 2010 (in de zaak 10-2103) en 22 juni 2010 (in de zaak 10-2196), met producties,

- de aktes houdende wijziging van eis, met producties,

- de conclusies van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 3 november 2010 waarbij een comparitie van partijen in beide zaken is gelast,

- het proces-verbaal van 24 maart 2011 van de (gelijktijdige) comparitie in beide zaken,

- de antwoordaktes na comparitie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten in beide zaken

2.1. STIVU heeft ten doel voor werknemers, geboren in de jaren 1942 tot en met 1949, van havenbedrijven (opererend in de havens van Rotterdam en/of Amsterdam) die zich hebben aangesloten bij STIVU, de mogelijkheid te openen vrijwillig vervroegd uit het arbeidsproces te treden op basis van de in de toepasselijke Collectieve Arbeidsovereenkomst (hierna: cao) getroffen regeling en aan die werknemers uitkeringen te doen op basis van een door het bestuur van STIVU vastgesteld reglement. In artikel 4 van de statuten van STIVU is bepaald dat haar financiële middelen bestaan uit de door de werkgevers van bedoelde werknemers te storten bijdragen (hierna ook: de premies) als vastgelegd in de cao, bijdragen van de overheid en andere baten.

2.2. In het reglement van STIVU is, voor zover hier van belang, opgenomen:

AANMELDING BEDRIJF

Artikel 3

A

3.1.A. Het aangesloten bedrijf kan slechts deelnemers aanmelden nadat zij zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de statuten en het reglement van de Stichting [STIVU, rechtbank] en

3.2.A. zich daartoe bij CAO verbonden heeft en

(…)

3.4.A. zich contractueel aan de Stichting heeft verbonden de betalingen conform artikel 18 tot en met het jaar 2014 te voldoen en

3.5.A. met ingang van 01-01-1997 alle heffingen verbonden aan deelname aan de Stichting conform het bepaalde in artikel 18 heeft betaald.

(…)

UITKERING

Artikel 9

Maandelijkse uitkering

9.1. Grondslag voor de uitkering van de deelnemer is het inkomen op de laatste dag van het dienstverband als werknemer. (…)

(…)

9.3. Indien het inkomen, als bedoeld in lid 1, op de laatste dag van het dienstverband hoger is dan het inkomen per 1-1-1996 verhoogd met de in de tussenliggende periode CAO-matig gegeven verhoging, wordt voor de berekening van de uitkering uitgegaan van het inkomen per 1-1-1996 verhoogd met in de tussenliggende periode CAO-matig gegeven verhogingen. Onder CAO-matig gegeven verhoging wordt (…) verstaan, verhogingen ter compensatie van inflatie, alsmede bij CAO toegekende initiële loonsverhogingen voor zover deze voortvloeien uit extra loonruimte (…).

KORTING OP DE UITKERING

Artikel 10

(…)

10.4 Indien op enig moment tijdens de uitvoering van de regeling voor het bestuur van de Stichting voorzienbaar wordt dat de voor de Stichting beschikbare middelen onvoldoende zijn om volledig aan de verplichtingen uit dit reglement te voldoen, is het bestuur van de Stichting bevoegd alsdan de uitkeringen aan te passen.

(…)

BETALINGSVERPLICHTINGEN

Artikel 18

18.1. Het premiepercentage welke afgedragen moet worden door het aangesloten bedrijf over het totale jaarinkomen (…) bedraagt:

- aandeel bedrijf vanaf 1-1-1997 2% van het gegarandeerd jaarinkomen van de werknemers en in aanvulling daarop vanaf 1-1-1999 1% van het gegarandeerd jaarinkomen van de werknemers

- aandeel werknemers: vanaf 1-1-1997 1% van het gegarandeerd jaarinkomen.

(…)

18.4. Binnen vijftien kalenderdagen na afloop van iedere kalendermaand dienen de verschuldigde heffingen (bedrijf en werknemer) te zijn afgedragen aan de Stichting. Bij niet betaling voor genoemd tijdstip is het aangesloten bedrijf door het enkele tijdsverloop van de termijn in verzuim, zonder dat hiervoor een nadere ingebrekestelling is vereist. Tevens is het aangesloten bedrijf vanaf het moment dat zij in verzuim is, zonder nadere aanzegging, aan de Stichting rente verschuldigd gelijk aan de door de Europese Centrale Bank vastgestelde depositorente verhoogd met 5 %punten (…), alsmede de door de te late betaling ontstane gerechtelijke en buitengerechtelijke incassokosten, deze laatste met een minimum van 10% van het verschuldigde bedrag.

18.5. Na afloop van het kalenderjaar, doch uiterlijk op 28 februari van het daaropvolgende kalenderjaar, overlegt het aangesloten bedrijf een door een (register)accountant gecontroleerde opgave waaruit het (…) vastgestelde gegarandeerde jaarinkomen blijkt. (…)

18.6. De in artikel 18.1 bedoelde heffing is gebaseerd op de loonsom van 1 januari 1996 met een ingecalculeerde reële daling van deze loonsom met 1,5% per jaar vanaf het jaar 2002. Indien de werkelijke loonsom van een aangesloten bedrijf gedurende de looptijd van de regeling op enig moment meer dan 10% onder het niveau van 1 januari 1996 (vermeerderd met de in de haven gebruikelijke index) daalt kan het bestuur het bedrijf verplichten een aanvullende heffing te betalen ter grootte van de heffingen over het verschil tussen de geïndexeerde loonsom van 1 januari 1996 en

de werkelijke loonsom. (…)

2.3. In november 1999 heeft (de rechtsvoorgangster van) [A] zich (met terugwerkende kracht) per 1 januari 1997 aangesloten bij STIVU, nadat zij op 14 april 1998 een cao daartoe met FNV Bondgenoten en de CNV Bedrijvenbond was aangegaan. In de overeenkomst tussen [A] en STIVU is, voor zover hier van belang, bepaald:

Statuten, reglementen en CAO.

Artikel

1. Het bedrijf verklaart de statuten en reglementen van de Stichting te hebben ontvangen, en zich aan de inhoud hiervan te conformeren (…).

2.Het bedrijf verklaart een CAO als bedoeld in artikel 3.2.A van het reglement te hebben gesloten, en te zullen nakomen. (…)

(…)

Financiële verplichtingen.

10. Het bedrijf verplicht zich jegens de Stichting de betalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 18 van het reglement stipt na te komen.

2.4. TTA en [A] zijn dochtermaatschappijen van [A] Beheer B.V. TTA en Westport Terminals B.V., gevestigd te Amsterdam (verder: Westport), hebben in 2001 gezamenlijk USA opgericht. Direct na de oprichting zijn de onder de haven-cao vallende werknemers van Westport overgegaan naar USA.

2.5. TTA, Westport en [A] hebben in het kader van de oprichting van USA met STIVU overlegd over de deelname van de werknemers van USA aan de uittredingsregeling van STIVU. Bij brief van 18 juli 2002 heeft STIVU aan USA bericht, voor zover hier van belang:

Het bestuur heeft besloten dat USA onder de volgende voorwaarden kan meedoen aan de STIVU:

1. USA, [A] (…) en Westport (…) worden beschouwd als één bedrijf waarbij ieder bedrijf hoofdelijk aansprakelijk is voor het geheel van de verplichtingen jegens de STIVU.

2. De in rekening te brengen premiebijdragen worden per bedrijf in rekening gebracht.

3. Het premie bijdragepercentage bedraagt voor alle bedrijven 4,6% vanaf 1 januari 2001.

(…)

2.6. TTA en Westport hebben de voorwaarden als opgenomen in de brief van 18 juli 2002 aanvaard en hebben USA laten aansluiten bij STIVU.

2.7. In 2004 heeft [A] de deelneming in USA van Westport (en daarmee de betalingsverplichting jegens STIVU) overgenomen (USA, TTA en [A] gezamenlijk worden verder USA c.s. genoemd).

2.8. Bij brief van 7 juli 2009 heeft STIVU aan [A] geschreven:

Het bestuur van STIVU heeft besloten om het percentage STIVU premie per 1 januari 2009 te wijzigen in 5,6%. (…)

2.9. Bij brief van 27 augustus 2009 heeft STIVU aan [A] bericht:

In antwoord op uw schrijven van 17 augustus jl. informeren wij u als volgt.

In juli 2002 heeft de STIVU op verzoek van [A], Westport (…) en USA de mogelijkheid gebogen dat USA ook volwaardig aan de STIVU. (…) Het bijdrage percentage is per 1 januari 2001 gesteld op 4,6%.

Ieder jaar wordt gecontroleerd of dit percentage moet worden bijgesteld. Bij de vaststelling in december 2007 heeft het bestuur op basis van berekeningen het bijdragepercentage volgens artikel 18.6 van het reglement gewijzigd in 5,6%. (…)

2.10. [A] en USA hebben op 15 september 2009 aan STIVU geschreven:

In antwoord op uw schrijven van 27 augustus, willen wij gaarne reageren, daar wij de verhoging met beroep op art. 18.6 niet begrijpen en wel op basis van navolgende argumenten:

1. In art. 18.6, wordt n.l. expliciet aangegeven dat “Indien de werkelijke loonsom van een aangesloten bedrijf gedurende de looptijd van de regeling op enig moment meer dan 10% onder het niveau van 1 jan. 1996 daalt kan het bestuur het bedrijf verplichten een aanvullende heffing te betalen.”

2. (…)

3. Zoals uit bijgaand overzicht blijkt is de gezamelijke verplichting van [A] (…) en United Stevedores Amsterdam vof, nimmer onder de 10% gekomen waardoor uw beroep op art. 18.6. ongegrond is.

(…)

Bijlage: overzicht 2001-2008

Loonsommen Stivu vanaf 2001 voor USA en Stuwadoors. Gezamenlijk onder de StiVu regeling:

USA STW [[A], rechtbank]

2001

(…) 992.299 737.504 254.795

2008 1.157.204 657.152 500.052

2.11. STIVU heeft bij brief van 28 september 2009 aan [A] bericht:

In onze brief van 18 juli 2002 staan uitdrukkelijk de voorwaarden genoemd waaronder [A], USA en Westport (…) aan de STIVU kunnen meedoen. Één voorwaarde is dat de bedrijven gezamenlijk worden gezien als één bedrijf. (…) Op de bijlage kunt u zien hoe de gezamenlijk loonsom zich vanaf 1996 heeft ontwikkeld. De afname van de loonsom is ca 50%.

(…)

Bijlage: Loonsomontwikkeling 1996 t/m 2008

Jaar [A] USA Westport Terminals Totaal

1996 638.718 0 1.673.028 2.311.747

1997 662.977 0 1.725.841 2.388.817

1998 674.851 0 987.137 1.661.988

1999 629.742 0 431.091 1.060.833

2000 629.317 0 249.579 878.896

2001 254.795 737.504 111.483 1.103.782

2002 254.368 766.016 0 1.020.384

2003 297.082 744.612 0 1.041.694

2004 236.844 760.006 0 996.850

2005 225.362 748.228 0 973.590

2006 229.616 784.239 0 1.013.855

2007 236.486 649.507 0 885.993

2008 500.052 657.152 0 1.157.204

2.12. Bij aangetekende brieven van 9 april 2010 heeft STIVU aan USA en [A] bericht dat er (inclusief rente) een betalingsachterstand van respectievelijk € 22.367,60 en € 42.636,66 is ontstaan ter zake de premies als bedoeld in artikel 18 van het reglement. Uit bij die brieven toegevoegde overzichten van openstaande facturen blijkt - onder andere - dat vanaf januari 2009 de maandelijkse bijdragen niet volledig zijn voldaan.

2.13. Na te zijn gedagvaard hebben USA c.s. en [A] betalingen ter zake de achterstallige facturen verricht. De betalingsachterstand is daarmee nog niet geheel voldaan.

3. Het geschil

in de zaak 10-2103

3.1. STIVU vordert, na wijzigingen van eis, USA c.s. bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan STIVU van € 20.884,94, vermeerderd met rente (tot 1 juni 2010 een bedrag van € 1.915,74) en (na)kosten, waaronder de overeengekomen buitengerechtelijke kosten (per 1 juni 2010 een bedrag van € 3.084,53).

in de zaak 10-2196

3.2. STIVU vordert, na vermindering van eis, [A] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling aan STIVU van € 13.183,73, vermeerderd met rente (tot 1 juli 2010 een bedrag van € 1.566,63) en (na)kosten, waaronder de overeengekomen buitengerechtelijke kosten (per 1 juli 2010 een bedrag van € 4.879,93).

in beide zaken

3.3. STIVU legt - samengevat - aan haar vorderingen ten grondslag dat USA c.s. vanaf februari 2008 niet (volledig) aan haar financiële verplichtingen jegens STIVU heeft voldaan en daarmee de in hoofdsom gevorderde bedragen verschuldigd is geworden. Voor zover de niet betaling door USA c.s. voortvloeit uit haar bezwaar tegen het per 1 januari 2009 vastgestelde premiepercentage van 5,6 % voert STIVU het volgende aan.

[A] heeft zich in 1999 aangesloten bij STIVU en heeft zich dus verplicht de premies aan STIVU te voldoen. USA c.s. heeft zich in 2002 hoofdelijk verbonden aan de betaling van de premies voor deelname aan STIVU door USA. Het premiepercentage van 4,6% per 1 januari 2001 is vastgesteld op basis van de gecombineerde loonsomopgaves van TTA, Westport en USA zoals die golden op 1 januari 1996. Dit bedrag is in 2002 vergeleken met de gezamenlijke loonsom van de drie bedrijven op 1 januari 2001 om het premiepercentage te bepalen. Daarbij is de methode toegepast die is ontwikkeld bij de oprichting van STIVU en indertijd is goedgekeurd door alle bij de oprichting van STIVU betrokken partijen. Aangesloten bedrijven hebben deze methodiek (en het reglement) aanvaard door ondertekening van de overeenkomst en de cao. Het toegepaste model berekent de ontwikkeling van de inkomsten en uitgaven van STIVU vanaf 1996 tot 2014. Een deelnemend bedrijf dient een dusdanige premie te betalen dat alle betalingsverplichtingen van STIVU aan de vervroegd uitgetreden werknemers van dat bedrijf zijn gedekt.

Jaarlijks wordt bekeken of de eerder vastgestelde premie voor een bedrijf voldoende dekkingsgraad oplevert. Daarbij worden dan ook betrokken de daadwerkelijk betaalde premies en uitgekeerde uitkeringen tot dat lopende jaar. Het bestuur kan ingevolge artikel 18.6 van het reglement bij te grote afwijking tussen de in 1996 begrote benodigde gelden en de in het lopende jaar uitgerekende beschikbare (en voor de toekomst begrote) gelden het premiepercentage naar boven aanpassen, maar alleen als de werkelijke loonsom van een aangesloten bedrijf gedurende de looptijd van de regeling op enig moment meer dan 10% onder het niveau van de (geïndexeerde) loonsom van dat bedrijf op 1 januari 1996 daalt.

Aanpassing van het premiepercentage omdat de laatste loonsom meer dan 10% afwijkt van de peildatum van 1 januari 1996, is echter geen verplichting voor het bestuur. Daartoe weegt ook mee of er sprake is van een dalende trend in de jaarlijkse begrotingen van de voor STIVU beschikbare gelden op basis van de werkelijke loonsommen (in vergelijking met de geïndexeerde loonsom uit 1996). In 2009 was hiervan, gezien het verloop van de loonsommen vanaf 1 januari 1996 tot 1 januari 2009, sprake voor USA c.s. en [A] zodat toen de verhoging van het premiepercentage is doorgevoerd.

3.4. USA c.s. voert tot verweer - kort gezegd - aan dat de door STIVU doorgevoerde premieverhoging per 1 januari 2009 geen grondslag vindt in de tussen partijen gemaakte afspraken. STIVU baseert zich daarbij immers op een verkeerde lezing van artikel 18.6 van het reglement. Wanneer in een bepaald jaar (jaar X) het premiepercentage is aangepast omdat de werkelijke loonsom tot meer dan 10% onder het niveau van 1 januari 1996 is gedaald, is in opvolgende jaren geen verdere aanpassing van het premiepercentage mogelijk, tenzij in een opvolgend jaar de loonsom meer dan 10% is gedaald ten opzichte van jaar X. Een andere uitleg zou leiden tot een jaarlijkse aanpassing van het premiepercentage nadat in een bepaald jaar de werkelijke loonsom meer dan 10% lager was dan op 1 januari 1996.

In 2002 was de gezamenlijke loonsom van USA c.s. al meer dan 10% lager dan in 1996. Daarom is toen het premiepercentage voor USA c.s. verhoogd naar 4,6%. Ieder jaar na 2002 heeft USA c.s. een meer dan 10% lagere loonsom gekend dan in 1996.

Als er al een tweede aanpassing van het premiepercentage mogelijk zou zijn geweest, dan dient STIVU beter te motiveren waarom zij dit pas in 2009 heeft gedaan. Omdat dit ieder jaar had gekund lijkt de verhoging in 2009 arbitrair; in ieder geval heeft STIVU haar recht op heffing van de verhoogde premie verwerkt. Daarnaast zijn de loonsommen van USA c.s. in 2006 en in 2008 gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor, er is dus geen sprake van een dalende trend. Bovendien heeft STIVU in 2010 een premie-holiday ingelast zodat zij blijkbaar over voldoende financiële beschikt om te voldoen aan haar betalingsverplichtingen. De handelwijze van STIVU bij de bepaling van het premiepercentage in 2009 is ondoorzichtig en willekeurig en zij dient te bewijzen dat de uitkomst van de berekeningen in 2009 een tweede verhoging (als dat al zou kunnen volgens artikel 18.6 van het reglement) van het premiepercentage rechtvaardigden. Tot slot heeft USA c.s. redelijkerwijs mogen verwachten dat na de eerste aanpassing voor haar een nieuwe peildatum is gaan gelden voor de jaarlijkse berekening van het premiepercentage, te weten 1 januari 2001 omdat toen dat percentage is verhoogd naar 4,6%. De loonsom van USA is sinds 2002 gestegen van € 1.020.384 tot € 1.157.204. Er was dus geen rechtvaardiging voor de verhoging van het premiepercentage, aldus steeds USA c.s.

4. De beoordeling

in beide zaken

4.1. STIVU heeft - voor het eerst in haar ter comparitie overgelegde schriftelijke opmerkingen - aangevoerd dat USA c.s. niet ontvankelijk moet worden geacht in haar verweer, omdat zij zich, indien zij het niet eens was met het vastgestelde premiepercentage, volgens artikel 19 van het reglement had moeten wenden tot de paritaire begeleidingscommissie.

4.2. Aan dit betoog wordt voorbijgegaan. Zoals USA c.s. terecht opmerkt heeft STIVU, terwijl USA c.s. al sinds 17 augustus 2009 bij herhaling vragen over het vastgestelde premiepercentage heeft gesteld en bezwaren daartegen heeft geuit, haar nooit op het bestaan van de klachtenregeling gewezen. Hieruit wordt afgeleid dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht als STIVU nu, met een beroep op dit artikel, de inhoudelijke discussie over de hoogte van het vastgestelde premiepercentage uit de weg zou kunnen gaan.

toegepaste methodiek voor berekenen van het premiepercentage

4.3. Met STIVU is de rechtbank van oordeel dat de methodiek - of de aanvaarding daarvan - voor het berekenen van het premiepercentage thans niet ter discussie kan worden gesteld. [A] heeft zich in 1998 bij cao verbonden om zich bij STIVU aan te sluiten. Daartoe heeft zij in 1999 een overeenkomst met STIVU gesloten. Met het sluiten van deze overeenkomst heeft zij ook de methodiek voor de berekening van het premiepercentage aanvaard. USA c.s. (dus ook [A]) heeft in 2002 met de overeenkomst waarmee USA zich heeft aangesloten bij STIVU de reglementen en ontwikkelde methodiek voor het berekenen van het premiepercentage aanvaard. Niet is gesteld of gebleken dat [A] in 1999, of USA c.s. in 2002, de toegepaste methodiek of het door haar verschuldigde premiepercentage ter discussie heeft gesteld.

4.4. Daarnaast heeft USA c.s. onvoldoende onderbouwd betwist dat STIVU, zoals STIVU stelt, in 2009 dezelfde berekening heeft uitgevoerd als bij de twee eerdere vaststellingen van het premiepercentage. Evenmin heeft USA c.s. de uitleg van STIVU van de systematiek en de grondslag voor berekening van het premiepercentage, waarbij zij heeft uiteengezet met welke parameters zij rekening houdt bij het berekenen daarvan, voldoende gemotiveerd weersproken.

4.5. Het betoog van USA c.s. dat zij de methodiek nimmer heeft aanvaard, dan wel dat de methodiek ondoorzichtig is, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Aan het verzoek van USA c.s. om bewijs van de uitkomsten van de berekeningen in 2009 van het verschuldigde premiepercentage zal dan ook geen gehoor worden gegeven.

uitleg van artikel 18.6 van het reglement

4.6. Ter beoordeling resteert of artikel 18.6 van het reglement per 1 januari 2009 ruimte bood voor een aanpassing van het premiepercentage. Het verweer van USA c.s. noopt tot uitlegging van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Daarbij dient de rechtbank acht te slaan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.7. Bij de beoordeling van de standpunten van partijen is van belang dat STIVU in overleg met de vakbonden is opgericht met een doelstelling vergelijkbaar met die van een pensioenfonds. De bij STIVU aangesloten bedrijven en voor deze regeling in aanmerking komende werknemers betalen een premie zodat die werknemers op zestigjarige leeftijd vervroegd kunnen uittreden en tot hun pensionering een uitkering van STIVU zullen ontvangen in plaats van salaris van het havenbedrijf. Van groot belang is dus dat STIVU haar betalingsverplichtingen aan de vervroegd uitgetreden werknemers van de aangesloten bedrijven kan (blijven) nakomen. Dit houdt in dat zij dient te zorgen voor voldoende dekking van haar begrote uitgaven. Verder is van belang dat de uitkeringen van STIVU aan de vervroegd uitgetreden werknemers van de aangesloten bedrijven zijn gebaseerd op de jaarlijks naar cao-normen geïndexeerde inkomens van 1 januari 1996 (zie artikel 9 van het reglement). Uit artikel 4 van de statuten volgt dat STIVU haar inkomsten zelf voornamelijk kan beïnvloeden met de premieheffing.

4.8. In de visie van USA c.s. kan en mag STIVU het verschuldigde premiepercentage slechts één keer aanpassen als de loonsom van het aangesloten bedrijf meer dan 10% afwijkt van de loonsom van 1 januari 1996, met andere woorden als het aangesloten bedrijf minder premie gaat betalen en de inkomstenkant van STIVU negatief beïnvloedt. Daarna gaat volgens USA c.s. de datum waarop het premiepercentage is verhoogd als nieuwe peildatum voor toepassing van artikel 18.6 gelden.

4.9. De uitleg van USA c.s. aan het in artikel 18.6 bepaalde gaat voorbij aan de noodzaak voor STIVU om te zorgen dat zij met de gelden waarover zij beschikt - en zal beschikken - voldoende dekkingsgraad heeft voor het nakomen van haar betalingsverplichtingen. Anders dan USA c.s. heeft betoogd worden de (begrote) uitgaven van STIVU voor de berekening van die dekkingsgraad wel van belang geacht. De uitgavenkant kan dus niet worden genegeerd bij de berekening van het verschuldigde premiepercentage, zoals STIVU ook heeft gesteld.

4.10. STIVU heeft verder - onweersproken - gesteld dat de begroting van haar uitgavenkant is gegrond op de individuele, geïndexeerde, inkomens van 1 januari 1996 van de vervroegd uitgetreden werknemers. Volgens STIVU volgt daaruit dat voor de juistheid van de berekening van het benodigde premiepercentage de werkelijke loonsom van het afgelopen jaar dient te worden vergeleken met de geïndexeerde loonsom van 1 januari 1996. Gelet op het voorgaande en de niet voor andere uitleg vatbare letterlijke tekst over de peildatum in artikel 18.6 van het reglement kan het verweer van USA c.s. tegen de herhaaldelijke toepassing van 1 januari 1996 als peildatum zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd. Het betoog van USA c.s. dat na een aanpassing van het premiepercentage het jaar van die wijziging als nieuwe peildatum dient te worden genomen ziet immers de wijze waarop de toekomstige uitgaven van STIVU zijn en worden begroot over het hoofd.

4.11. Hieruit volgt ook dat de werkelijke loonsommen van USA c.s. in 2006 en 2008 niet met de (geïndexeerde) loonsom van 2001 moeten worden vergeleken - in dat geval is er sprake van een stijging van de werkelijke loonsom bij USA c.s. - maar met de geïndexeerde loonsom van 1 januari 1996 - in dat geval is er een daling van meer dan 50% van de loonsom voor beide jaren. Daarnaast zijn de werkelijke loonsommen in de jaren 2002, 2004, 2005 en 2007 steeds lager dan het voorafgaande jaar. Het betoog van USA c.s. dat geen sprake is van een dalende trend wordt dan ook niet zonder meer gevolgd.

4.12. Naast dit alles zou, indien de uitleg van USA c.s. wordt gevolgd, STIVU in de situatie kunnen komen dat zij onvoldoende dekking heeft van haar betalingsverplichtingen, en op basis van artikel 10 van het reglement kunnen besluiten de vervroegd uitgetreden voormalige werknemers van USA c.s. een lagere uitkering te betalen dan waar zij op hadden mogen rekenen. Mede gelet op de doelstelling en achtergrond van STIVU, heeft USA c.s. er ook daarom redelijkerwijs niet van mogen uitgaan dat haar uitleg van artikel 18.6 van het reglement de juiste was.

4.13. De slotsom is dat de uitleg van STIVU van artikel 18.6 van het reglement de enige zin is die partijen in de gegeven omstandigheden aan dat beding redelijkerwijs kunnen toekennen. Gelet op de tekst van het bedoelde beding kan het bestuur van STIVU de premieheffing aanpassen gedurende de looptijd van de regeling (tot en met 2014). Er is dus sprake van een discretionaire bevoegdheid en niet van een verplichting van STIVU om, indien de mogelijkheid zich op grond van artikel 18.6 van het reglement voordoet, het premiepercentage aan te passen. Het betoog van USA c.s. dat STIVU haar rechten heeft verwerkt door pas in 2009 het premiepercentage te verhogen, terwijl dat in bijna ieder jaar na 2003 had gekund, houdt dan ook reeds om die reden geen stand. Daarbij komt dat door USA onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat STIVU, zoals zij stelt, pas nadat de uitkomsten van het door haar toegepaste rekenmodel daadwerkelijk uit de pas gingen lopen op een wijze dat STIVU dit niet meer kon accepteren, (in 2009) tot aanpassing van het premiepercentage is overgegaan.

4.14. Uit het voorgaande volgt dat het verweer van USA c.s. tegen de vorderingen van STIVU wordt verworpen, zodat de vordering tot betaling van de verschuldigde premies (tot 31 maart 2010) toewijsbaar in beide zaken is als na te melden. Dat STIVU in de loop van het jaar 2010, dus na de laatste verhoging van het premiepercentage voor USA c.s. en [A], is overgegaan tot een premie-holiday is bij dit alles niet van belang.

gevorderde buitengerechtelijke kosten en nakosten

4.15. STIVU vordert (in beide zaken) een bedrag aan buitengerechtelijke (in¬casso)kosten van 10% van de uitstaande geldsom op basis van het reglement. USA c.s. heeft betwist dat STIVU buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat moet worden gesteld dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, ook in het geval dat in de overeenkomst een afspraak is gemaakt over de hoogte van de te vergoeden buitengerechtelijke kosten. Bovendien moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. STIVU heeft haar stelling dat partijen uitgebreid hebben gecorrespondeerd op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast is de door USA c.s. overgelegde correspondentie tussen haar en STIVU onvoldoende om te concluderen dat STIVU de gevorderde kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De vorderingen tot vergoeding van de gestelde buitengerechtelijke kosten worden daarom in beide zaken niet toegewezen.

4.16. De gevorderde nakosten zal in beide zaken worden toegewezen als na te melden.

in de zaak 10-2103 voorts

4.17. STIVU heeft de gevorderde rente tot 1 juni 2010 berekend over haar initiële totale geldvordering. Ter comparitie heeft zij haar vordering echter verminderd. Het gevorderde bedrag aan rente tot 1 juni 2010 is daarom niet toewijsbaar. De rente over het verschuldigde zal worden toegewezen als na te melden.

4.18. USA c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van STIVU worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- griffierecht 615,00

- salaris advocaat 868,50 (1½ punt × tarief III € 579,00)

Totaal € 1.571,43

in de zaak 10-2196 voorts

4.19. [A] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van STIVU worden begroot op:

- dagvaarding € 73,89

- griffierecht 430,00

- salaris advocaat 678,00 (1½ punt × tarief II € 452,00)

Totaal € 1.181,89

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 463350 / HA ZA 10-2103

5.1. veroordeelt USA c.s. hoofdelijk om aan STIVU te betalen een bedrag van € 20.884,94 (twintigduizend achthonderdvierentachtig euro en vierennegentig cent) aan hoofdsom, te vermeerderen met de rente als omschreven in artikel 18.4 van de tussen partijen geldende reglementen vanaf de vervaldatum van de onderliggende facturen tot de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt USA c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van STIVU tot op heden begroot op € 1.571,43,

5.3. veroordeelt USA c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak 463942 / HA ZA 10-2196

5.6. veroordeelt [A] om aan STIVU te betalen een bedrag van € 13.183,73 (dertienduizend éénhonderddrieëntachtig euro en drieënzeventig cent) aan hoofdsom, te vermeerderen met de rente als omschreven in artikel 18.4 van de tussen partijen geldende reglementen vanaf 2 juli 2010 tot de dag der algehele voldoening,

5.7. veroordeelt [A] om aan STIVU te betalen een bedrag van € 1.566,63 ten titel van rente - als omschreven in artikel 18.4 van de tussen partijen geldende reglementen - tot 1 juli 2010,

5.8. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van STIVU tot op heden begroot op € 1.181,89,

5.9. veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.11. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2011.(