Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7139

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
436892 - HA ZA 09-2782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kredietverzekering, schenden informatieplicht verzekerde in verband met niet afgegeven wissel door klant?, verzekeraar in redelijk belang geschaad?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2012/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 436892 / HA ZA 09-2782

Vonnis van 19 oktober 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VDL OPTICAL DISC MANUFACTURING SYSTEMS B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

tegen

naamloze vennootschap

ATRADIUS CREDIT INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna VDL en Atradius genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 juli 2009,

- de akte houdende producties,

- de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met één bewijsstuk,

- het tussenvonnis van 23 december 2009 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie van 21 april 2010 met de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende akte wijziging van eis, tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met bewijsstukken,

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende antwoordakte tot wijziging van eis, tevens houdende conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie waarbij de reconventionele vordering is ingetrokken,

- de akte van Atradius van 23 maart 2011,

- de nadere akte van VDL van 20 april 2011,

- de akte van Atradius van 18 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. VDL Groep B.V. heeft per 1 mei 1998, mede ten behoeve van enkele andere vennootschappen, waaronder VDL, via assurantiebedrijf ING Bank N.V. een kredietverzekering (hierna: de kredietverzekering) afgesloten bij Atradius onder polisnummer 425219.

Op de kredietverzekering zijn de algemene voorwaarden 434/02 van toepassing. Deze algemene polisvoorwaarden luiden, voor zover hier relevant:

“ Artikel 5

voorwaarden Als Verzekerde Vorderingen worden alleen aangemerkt vorderingen:

verzekerde

vorderingen […]

c. die verband houden met de in het Overzicht onder Beschrijving

overeenkomst genoemde bedrijfsactiviteiten;

d. die verband houden met tijdens een verzekeringsjaar verzonden

goederen, uitgevoerde werkzaamheden, verleende diensten of

verstreken verhuurtermijnen; […]

Artikel 14

U dient: […]

signaleren d. het ons onmiddellijk te melden, indien Debiteur een voor u ongunstige

wijziging van de betalingsvoorwaarden of uitstel van betaling vraagt of

zich onregelmatigheden voordoen bij de afwikkeling van een transactie;

[…]

Artikel 15

gevolgen van Indien u enige verplichting of bepaling onder deze verzekeringsovereenkomst

niet-nakoming niet nakomt, vervalt uw recht op schadevergoeding. Tevens hebben wij in dat geval het recht om de polis met onmiddellijke ingang te beëindigen.[…]”

2.2. Op 1 februari 2006 heeft VDL met betrekking tot New Medium Enterprises UK Ltd. (hierna: NME) een kredietlimiet bij Atradius aangevraagd ter hoogte van

EUR 100.000,-. Deze kredietlimiet is door Atradius verleend.

2.3. Op 12 maart 2007 heeft Atradius voor NME een kredietlimiet aangevraagd ter hoogte van EUR 1.000.000,-. Deze kredietlimiet is door Atradius verleend nadat op haar verzoek recente cijfers van NME per 31 december 2006 waren verstrekt.

2.4. Op 14 juni 2007 heeft VDL ten behoeve van NME wederom een wijziging van de kredietlimiet aangevraagd, ditmaal tot een hoogte van EUR 1.600.000,-. Atradius heeft de aanvraag in eerste instantie geweigerd, maar de gevraagde kredietlimiet op 21 juni 2007 alsnog verleend nadat VDL op 15 juni 2007 de meest recente cijfers van NME aan Atradius had verstrekt.

2.5. Op 12 juli 2007 heeft VDL een “contract of sale” (hierna: de overeenkomst) gesloten met NME in verband met de ontwikkeling en levering door VDL van een HD DVD machine tegen betaling door NME van EUR 1.555.000,-. Onderdeel van de overeengekomen contractsvoorwaarden vormde een door NME aan VDL binnen één week na het sluiten van de overeenkomst af te geven wissel ten bedrage van EUR 1.000.000,-. De overeenkomst luidt op dit punt:

“Article 3 Payment and Terms of Payment

[…]

3.1.1 EURO 240,000 payable upon signing of the Agreement, VDL ODMS should receive the payment not later than 13-07-07;

3.1.2 EURO 1,000,000 payable upon completion of the assembly of the Equipment. Buyer will provide VDL ODMS one week after signing of the Contract with a signed Bill of Exchange which is payable week 41 2007; […]”

2.6. Conform hetgeen was overeengekomen heeft NME aan VDL tijdig een aanbetaling gedaan ten bedrage van EUR 240.000,-. De wissel is door NME niet gesteld. Ook het restant van de koopsom heeft NME tot op heden niet aan VDL voldaan. VDL heeft de machine niet aan NME geleverd.

2.7. Bij brief van 30 januari 2009 heeft Atradius aan VDL medegedeeld dat zij geen dekking verleent onder de kredietverzekering voor de schade die VDL lijdt ten gevolge van het niet nakomen door NME van haar verplichtingen jegens VDL op grond van de overeenkomst.

3. Het geschil

3.1. VDL vordert na wijziging van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, voor recht te verklaren dat de polis dekking biedt voor de in de dagvaarding genoemde schade, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gedeelte van die schade, dat de dekking niet is komen te vervallen als gevolg van het beroep op artikel 14 sub d juncto artikel 15 van de polisvoorwaarden en dat Atradius mitsdien is gehouden de schade onder de polis te vergoeden.

3.2. VDL stelt hiertoe onder meer, kort samengevat, dat Atradius op grond van de polis voor het onderhavige schadegeval dekking dient te verlenen. Van een schending van artikel 14 sub d van de polisvoorwaarden is volgens VDL geen sprake. Voor zover zij het niet stellen van de wissel aan Atradius had moeten melden, is een beroep op het verval van ieder recht op uitkering onder de polis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus VDL.

3.3. Atradius voert verweer. Primair voert Atradius aan dat het recht op schadevergoeding onder de polis voor VDL is vervallen. Het niet door NME afgeven van een wissel is aan te merken als een onregelmatigheid bij de afwikkeling van een transactie die ingevolge artikel 14 lid d aan Atradius gemeld had moeten worden door VDL. Dit is niet gebeurd. Op grond van artikel 15 van de polisvoorwaarden is het recht op uitkering onder de polis volgens Atradius komen te vervallen.

Subsidiair voert Atradius aan dat het recht op schadevergoeding op grond van de polis is beperkt tot het contractrisico, dat wil zeggen tot de door VDL tevergeefs gemaakte vervaardigingkosten. Het kredietrisico is in dit geval niet verzekerd, althans het kredietrisico is nog niet ingegaan. De machine is nooit geleverd en bij VDL achtergebleven, aldus Atradius.

Het aanvankelijk gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer is door Atradius ingetrokken bij conclusie van dupliek in conventie. Ook van de aanvankelijk ingestelde voorwaardelijke reconventionele vordering heeft Atradius afstand gedaan.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of op VDL ingevolge artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden de verplichting rustte bij Atradius melding ervan te maken dat NME niet had voldaan aan haar met VDL overeengekomen verplichting voor een bedrag van EUR 1.000.000,- een wissel te stellen. Volgens Atradius had VDL het niet tijdig stellen van de wissel door NME moeten opvatten als een onregelmatigheid bij de afwikkeling van een transactie zoals bedoeld in artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden. VDL daarentegen betwist dat op haar ingevolge artikel 14 lid d de verplichting rustte hiervan melding te maken.

4.2. De rechtbank constateert dat partijen artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden ieder op verschillende wijze interpreteren. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan VDL betoogt, aan het afgeven van een wissel niet slechts de betekenis van een getekende schuldbekentenis kan worden gehecht. Een wissel is een onvoorwaardelijke schriftelijke betalingsopdracht om een bepaalde geldsom op een bepaalde datum te betalen aan de begunstigde (zie artikel 100 en verder Wetboek van Koophandel). Het afgeven van een wissel geeft de begunstigde in zoverre meer zekerheid dan een loutere schuldbekentenis. Zo kan bijvoorbeeld, anders dan in het geval van enkel een schuldbekentenis, ook zonder tussenkomst van een rechter aanspraak worden gemaakt op het bedrag ter hoogte waarvan de wissel is afgegeven. Ook zou NME na het afgeven van de wissel op het tijdstip van betaling niet meer de keuze hebben gehad in plaats van VDL een andere schuldenaar eerst te betalen en NME (nog) niet. Verder is van belang dat de wissel hier als concrete betaalvoorwaarde tussen VDL en NME is overeengekomen, nu de voorwaarde is opgenomen in de overeenkomst onder het kopje “Payment and Terms of Payment”. In artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden wordt voorts geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten van betalingsvoorwaarden.

4.4. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden volgt dat VDL het uitblijven van de wissel als een relevante afwijking van afgesproken (betalings)voorwaarden aan Atradius had moeten melden als onregelmatigheid bij de afwikkeling van een transactie. De rechtbank volgt VDL dus niet in haar opvatting dat in artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden slechts gedoeld zou worden op afwijkingen bij de eindafwikkeling van de transactie, of dat dit artikel niet zou zien op het niet afgeven van een wissel. Voor een dergelijk uitleg heeft VDL ook onvoldoende voor bewijs vatbare feiten en omstandigheden gesteld, zodat er geen aanleiding is haar op dit punt toe te laten tot bewijslevering.

Ook de door VDL voorgestane uitleg dat deze bepaling slechts beperkt zou zijn tot onregelmatigheden waarbij duidelijk kenbaar is geworden dat er zich een risicoverzwaring ten aanzien van de debiteur voordoet en waarbij sprake is van de kenbaar verminderde kredietwaardigheid van een debiteur wordt niet gevolgd. Dit volgt niet uit de tekst van artikel 14 lid d en op grond waarvan dit de voor partijen kenbare bedoeling van artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden zou zijn, is onvoldoende feitelijk door VDL toegelicht.

Dat Atradius voorts ingevolge haar polisvoorwaarden geen bijzondere eisen, zoals het verlangen van aanvullende zekerheden, aan de met NME te sluiten overeenkomst heeft gesteld, doet aan het vorenstaande evenmin af. Ook indien VDL eigener beweging, of op aangeven van NME, aanvullende (betalings)voorwaarden aan NME stelt, is onder voormelde omstandigheden het vervolgens niet nakomen van deze voorwaarden te beschouwen als een onregelmatigheid in de afwikkeling van transactie.

4.5. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat VDL jegens Atradius niet heeft voldaan aan haar in artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden genoemde verplichting door niet aan Atradius mede te delen dat NME de wissel niet tijdig had gesteld.

4.6. Ter beantwoording staat vervolgens welke consequentie hieraan dient te worden verbonden.

4.7. Volgens Atradius is hierdoor ieder recht op uitkering onder de polis komen te vervallen, een en ander conform het bepaalde in artikel 15 van de polisvoorwaarden.

VDL is daarentegen van mening dat een beroep op artikel 14 sub d (juncto artikel 15) van de polisvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Atradius is volgens haar niet in haar belangen geschaad door het niet melden. De kredietwaardigheid van NME was twee weken voordat de wissel moest worden afgegeven als goed beoordeeld door Atradius en het is niet aannemelijk dat Atradius maatregelen zou hebben genomen indien VDL wel had gemeld dat de wissel niet was gesteld. Ook meent VDL dat een beroep op artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien Atradius een causaal verband tussen schending van die bepaling en de schade niet aannemelijk kan maken. Voorts merkt VDL op dat een groot deel van het door NME te betalen bedrag onder het eigen risico van EUR 450.000,- valt dat VDL bij Atradius heeft. Tenslotte betoogt VDL dat zij meer heeft gedaan dan Atradius bij het sluiten van de kredietverzekering van haar heeft verlangd. VDL had ingevolge de kredietverzekering kunnen volstaan met het zenden van een factuur na levering van de gefabriceerde machine, waarna zij gedurende de vervaltermijn van de factuur rustig had kunnen afwachten alvorens incassomaatregelen te treffen en alvorens de vordering bij Atradius te melden. Onder deze omstandigheden is een beroep op artikel 14 sub d juncto artikel 15 van de polisvoorwaarden met zulk vergaand gevolg in strijd met het doel en de aard van de onderhavige verzekering, aldus VDL.

4.8. De rechtbank overweegt als volgt. De omstandigheid dat VDL uit hoofde van de kredietovereenkomst met Atradius niet verplicht was het stellen van een wissel met NME overeen te komen, is een omstandigheid die in de relatie tussen VDL en Atradius in de risicosfeer van VDL ligt. Het is haar keuze geweest deze aanvullende transactievoorwaarde overeen te komen die vervolgens, bij het niet nakomen van deze voorwaarde, een meldplicht ten opzichte van Atradius uit hoofde van de kredietverzekering met zich bracht. De enkele omstandigheid dat de keuzes van VDL in haar contractuele relatie met NME doorwerken in de contractuele relatie tussen VDL en Atradius, brengt niet mee dat een beroep op artikel 15 van de polisvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.9. Dat VDL verder een eigen risico ten bedrage van EUR 450.000,- heeft in geval van uitkering onder de kredietverzekering, is evenmin voldoende om een beroep op verval van recht op uitkering onder de polis onaanvaardbaar te achten.

4.10. Wel is de rechtbank met VDL van oordeel dat een beroep op artikel 15 van de polisvoorwaarden, vanwege het ingrijpende karakter van de daarin opgenomen sanctie, te weten verval van ieder recht op uitkering, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn indien Atradius niet of onvoldoende in haar belangen is geschaad door het niet voldoen van VDL aan haar verplichting zoals opgenomen in artikel 14 lid d van de polisvoorwaarden.

Atradius heeft in dit verband echter bij conclusie van antwoord gesteld dat zij wel degelijk in haar belangen is geschaad door het niet melden door VDL van het niet door NME stellen van de wissel. Ook heeft zij toen toegelicht dat zij, indien zij wel op de hoogte zou zijn geweest van het niet stellen van de wissel, nader onderzoek zou hebben gedaan naar de kredietwaardigheid van NME. Zij zou om opheldering hebben gevraagd en indien NME geen goede verklaring zou hebben gegeven over het niet afgeven van de wissel zou Atradius extra maatregelen hebben genomen, zoals het verlangen van een bankgarantie. Gedurende dit onderzoek zou zij de uitvoering van het contract (de bouw van de machine) hebben stopgezet, zo licht Atradius toe bij conclusie van antwoord.

VDL heeft vervolgens bij conclusie van repliek gesteld dat Atradius precies dient aan te tonen wat zij in geval van een melding zou hebben gedaan en dat zij het onwaarschijnlijk acht dat Atradius, drie weken nadat zij reeds actuele cijfers van NME had beoordeeld, een nader onderzoek naar de kredietwaardigheid van VDL zou hebben ingesteld en/of dat Atradius nadere maatregelen zou hebben getroffen, te meer nu een wissel volgens VDL toch geen betalingszekerheid geeft en feitelijk niet meer is dan een schuldbekentenis.

Bij conclusie van dupliek heeft Atradius vervolgens andermaal toegelicht dat haar door het niet melden van de onregelmatigheid een keuzemoment is ontnomen en dat zij wel degelijk de reeds hiervoor genoemde maatregelen zou hebben getroffen ter verdere beperking en voorkoming van schade. Zij heeft haar standpunt gehandhaafd dat zij in haar belangen is geschaad door het niet melden.

Vervolgens hebben partijen afgesproken nog een akte te zullen nemen ten einde enkele aspecten van de zaak nader toe te lichten. Als onderwerp komt daarbij in de akte van VDL aan de orde haar stelling dat zij meent dat het beroep van Atradius op artikel 15 van de polisvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.11. De rechtbank constateert dat VDL in haar hiervoor genoemde nadere akte, met als onderwerp volgens VDL de kern van de zaak, niet meer is ingegaan op het door Atradius ingenomen standpunt dat zij wel degelijk in haar belangen is geschaad door het niet doorgeven van het niet stellen van de wissel. Evenmin heeft VDL in genoemde nadere akte de maatregelen betwist die Atradius naar haar zeggen bij melding van het niet stellen van de wissel had willen treffen. De rechtbank constateert dan ook dat VDL, in het licht van het op dit punt gemotiveerd gevoerde verweer van Atradius en het processuele debat van partijen dienaangaande, haar stelling dat Atradius niet in haar belangen is geschaad onvoldoende feitelijk heeft toegelicht. De enkele stelling van VDL, dat zij het onwaarschijnlijk acht dat Atradius daadwerkelijk maatregelen zou hebben getroffen indien zij direct al zou hebben geweten van het niet stellen van de wissel door NME, is hiertoe in het licht van dit processuele debat onvoldoende. Zoals hiervoor reeds is overwogen wordt de stelling van VDL, dat een wissel feitelijk niets meer is dan een schuldbekentenis, niet gevolgd. Aldus neemt de rechtbank als vaststaand aan dat het niet stellen van de wissel voor Atradius wel degelijk redengevend zou zijn geweest tot het heroverwegen van de financiële positie van NME zoals Atradius heeft toegelicht, ook al had NME kort daarvoor nog een aanbetaling gedaan. Aan Atradius is dit moment van heroverweging, en daarmee het keuzemoment om al dan niet nadere maatregelen te treffen, onthouden. Aannemelijk is dat de schade beperkter had kunnen zijn indien bij het uitblijven van een goede verklaring van de zijde van NME de bouw van de machine op last van Atradius zou zijn stopgezet. VDL heeft weliswaar betwist dat Atradius daartoe bevoegd was, maar Atradius heeft erop gewezen dat het aan VDL was geweest om aan de aanwijzing van Atradius tot het stopzetten van het contract al dan niet gehoor te geven. Indien VDL echter ervoor zou hebben gekozen om toch door te gaan met de uitvoering van het contract, dan zouden de daarmee gepaard gaande kosten niet gedekt zijn onder de kredietverzekering.

Nu VDL gelet op het hiervoor overwogene, tegenover het gemotiveerde verweer van Atradius niet aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Aangenomen moet worden dat Atradius door het niet melden van het niet stellen van de wissel door NME in haar redelijke belangen is geschaad. Daarmee komt Atradius een beroep op artikel 14 sub d juncto artikel 15 van de polisvoorwaarden toe, hetgeen tot gevolg heeft dat het recht van VDL op schadevergoeding is komen te vervallen. Het gevorderde ligt daarmee voor afwijzing gereed.

4.12. VDL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Atradius begroot op EUR 262,- aan vastrecht en EUR 1.356,- (3 punten x tarief EUR 452,-) aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het gevorderde af;

5.2. veroordeelt VDL in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Atradius begroot op EUR 1.618,-;

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. de Groot en in het openbaar uitgesproken op

19 oktober 2011.?