Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU6536

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
503616 / KG ZA 11-1777 SR/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Twee van de ontvoerders van Heineken hebben in kort geding een uitbreiding gevorderd van de tekst die voorafgaand aan de bioscoopfilm “De Heinekenontvoering” is te zien. Drie met name genoemde passages willen zij expliciet als fictie bestempeld zien. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft de eis afgewezen. Uitgangspunt is dat een verfilming van een historische gebeurtenis op een mengeling van feiten en fictie mag berusten. Alleen indien de fictieve elementen ernstige reputatieschade opleveren, zou dit aanleiding kunnen zijn tot het treffen van maatregelen. Ten aanzien van twee van de drie scènes is overwogen dat de fictieve elementen niet zo ver van de werkelijkheid afstaan dat hierdoor de belangen van eisers zwaarder zouden moeten wegen dan die van de filmmaatschappij. Ten aanzien van de derde scène is overwogen dat de filmmaatschappij expliciet heeft erkend dat een van de eisers zijn vriendin niet heeft mishandeld en dat die scène dus op fictie berust. Door die erkenning is voldoende aan de belangen van de desbetreffende eiser tegemoet gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 503616 / KG ZA 11-1777 SR/MV

Vonnis in kort geding van 1 december 2011

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers bij dagvaarding van 11 november 2011,

advocaat mr. B.A.C. van Tuinen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDTV FILM B.V.,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1], [eiser 2] en IDTV worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 22 november 2011 hebben [eiser 1] en [eiser 2] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. IDTV heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.

Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig:

Aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2]: mr. Van Tuinen.

Aan de zijde van IDTV: [naam 1] en [naam 2] met mr. Van den Brink.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. IDTV is producent van de film “De Heineken ontvoering” (hierna: de film). Deze film heeft als onderwerp de ontvoering en vrijheidsberoving van A.H. Heineken en zijn chauffeur [naam 3] in de periode van 9 tot 30 november 1983. Op 27 oktober 2011 is de film in première gegaan.

2.2. De film is niet alleen gebaseerd op de feiten zoals die over de ontvoering bekend zijn geworden, maar bevat ook fictieve elementen. Op de titelrol die het publiek voorafgaand aan de vertoning van de film te zien krijgt is gedurende 4 à 5 seconden de volgende tekst (hierna de disclaimer) te lezen:

“Deze film is een filmische interpretatie van de Heineken Ontvoering in 1983 en beoogt geen waarheidsgetrouwe weergave te zijn. Feiten en fictie zijn vermengd. Ook de in de film voorkomende karakters zijn in belangrijke mate gebaseerd op fictie”.

2.3. [eiser 1] en [eiser 2] zijn wegens betrokkenheid bij de ontvoering veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar. De straf is volledig geëxecuteerd. Daarnaast is een aantal andere personen wegens betrokkenheid bij de ontvoering tot gevangenisstraffen veroordeeld.

2.4. De personages van [eiser 1] en [eiser 2] worden in de film gespeeld door de acteurs [naam 4] en [naam 5]. Deze personages dragen in de film de namen van [eiser 1] en [eiser 2] ([voornaam eiser 1] en [voornaam eiser2]).

2.5. De film wordt door IDTV onder meer gepromoot via de website www.heinekenontvoering.com (hierna: de website).

3. Het geschil

3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen – kort gezegd en op straffe van dwangsommen – het volgende:

I. IDTV te bevelen direct voor en na iedere vertoning van de film gedurende tenminste 20 seconden, “fullscreen” en duidelijk leesbaar de volgende tekst te tonen:

De film De Heineken Ontvoering is een filmische interpretatie van de ontvoering van de heer A.H. Heineken en [naam 3] in 1983 en beoogt geen waarheidsgetrouwe weergave te zijn. Feiten en fictie zijn vermengd. Ook de in de film voorkomende karakters zijn in belangrijke mate gebaseerd op fictie. In een aantal scènes wordt getoond, dat de ontvoerders geweld gebruiken. Het gaat dan om de scènes waarin te zien is dat de ontvoerders vuurwapens gebruiken, waarin wordt geschoten op een taxichauffeur, waarin de indruk wordt gewekt dat personage [voornaam eiser2] een vrouw heeft geslagen. Al deze scènes zijn verzinsels van de filmmakers.

II. IDTV te bevelen de onder I opgenomen tekst op de website te plaatsen.

III. IDTV te bevelen de onder I opgenomen tekst in een advertentie op te nemen en die advertentie te plaatsen in De Volkskrant, De Telegraaf en het Algemeen Dagblad.

Tot slot vorderen zij IDTV te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser 1] en [eiser 2] stellen hiertoe – samengevat weergegeven – dat zij geen bezwaar maken tegen het feit dat de ontvoering van Heineken wordt verfilmd. Evenmin maken zij er bezwaar tegen dat in de film feiten en fictie worden vermengd. Hun bezwaar richt zich op het volgende. De acteurs die hun rollen vertolken vertonen uiterlijke gelijkenis met hen, kleden en gedragen zich zoals [eiser 1] en [eiser 2] dit indertijd deden en worden aangeduid met zowel de voor- als achternamen van [eiser 1] en [eiser 2]. Zij zijn derhalve volledig te identificeren. Voor het publiek is echter niet duidelijk wat feit is en wat fictie. De film bevat een drietal passages die niet op de feiten zijn gebaseerd en die voor [eiser 1] en [eiser 2] een ernstige beschuldiging inhouden. Die passages zullen bijdragen aan een verdere negatieve beeldvorming. Het gaat met name om de drie volgende scènes waarin (a) de ontvoerders vuurwapens gebruiken bij de daadwerkelijke ontvoering; zo krijgt Heineken een machinegeweer van dichtbij op zich gericht, (b) één van de ontvoerders gericht schiet op een taxichauffeur, en (c) de indruk wordt gewekt dat het personage [eiser 2] zijn vriendin ernstig heeft mishandeld.

In dit geval zal een afweging moeten worden gemaakt tussen twee conflicterende grondrechten, te weten het recht op eerbiediging van het privéleven van [eiser 1] en [eiser 2] en het recht op vrijheid van meningsuiting van IDTV. Deze afweging dient onder meer om de volgende redenen in het voordeel van [eiser 1] en [eiser 2] uit te vallen. De verhouding tussen feit en fictie is volgens de filmmakers ongeveer 90/10. De fictieve elementen zullen daarom door het publiek gemakkelijk als feiten worden aangemerkt. [eiser 1] en [eiser 2] hebben nimmer de publiciteit gezocht. Zij hebben hun straf uitgezeten en hoeven zich thans niet alles te laten welgevallen. De disclaimer die voorafgaand aan de film is te zien (zie 2.2) is te algemeen van aard. Hiermee legt IDTV onvoldoende verantwoording af. Bovendien is de disclaimer te kort in beeld en door de wijze van verlichting niet of nauwelijks te lezen. Op de website is de disclaimer pas opgenomen nadat de dagvaarding in dit kort geding is uitgebracht. IDTV schuift [eiser 1] en [eiser 2] alleen uit commercieel oogpunt strafbare feiten in de schoenen. Al met al levert het handelen van IDTV strijd op met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

3.3. IDTV heeft verweer gevoerd. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Voorop wordt gesteld dat de tekst van de disclaimer zoals die is te zien voorafgaand aan de film en op de website in beginsel de lading dekt, te weten dat de film een mengeling van feiten en fictie bevat. [eiser 1] en [eiser 2] stellen echter dat de tekst van die disclaimer dient te worden uitgebreid met de door hen voorgestelde tekst. Toewijzing van deze vordering zou een inperking inhouden van het aan IDTV toekomende recht van vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 EVRM. Aan een dergelijke inperking dienen ingevolge lid 2 van dit artikel hoge eisen te worden gesteld. In dit geval weegt daarbij zwaar dat het een maker van een film over een historische gebeurtenis vrij staat – gezien de vrijheid van artistieke expressie – om gebruik te maken van fictieve elementen, ook indien die zouden zijn toegevoegd uit louter commercieel oogpunt. De vrijheid van de filmmaker kan echter worden beperkt indien sprake is van zwaarwegende belangen van diegenen die bij die historische gebeurtenis betrokken zijn geweest, met name het belang dat zij niet ten onrechte in verband wensen te worden gebracht met fictieve elementen die (reputatie)schade voor hen opleveren. De vraag die derhalve voorligt is of sprake is van dergelijke belangen aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] en of die in dit geval zwaarder wegen dan de vrijheid van meningsuiting van IDTV.

4.3. De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] die ziet op de tekst van de disclaimer komt er – kort gezegd – op neer dat in die disclaimer drie passages die voorkomen in de film expliciet als fictie moeten worden bestempeld. Die desbetreffende passages vinden naar de mening van [eiser 1] en [eiser 2] geen steun in de feiten. Indien het publiek hierover niet afdoende wordt geïnformeerd, handelt IDTV in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, aldus [eiser 1] en [eiser 2]. Het betreft de passages die hiervoor onder 3.2 zijn beschreven. De voorzieningenrechter is hierover allereerst van oordeel dat, zoals IDTV ook heeft aangevoerd, in dit geval geen sprake is van één waarheid. De film gaat over een gebeurtenis van bijna 30 jaar geleden, waarbij op verschillende momenten veel verschillende personen betrokken zijn geweest. Derhalve kan niet zonder meer worden uitgegaan van de door [eiser 1] en [eiser 2] aangebrachte scheiding tussen feiten en fictie. Ook op andere gronden dient de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] met de nodige terughoudendheid te worden beoordeeld. Toewijzing van de vordering zou immers kunnen leiden tot een te gedetailleerde en daarmee onleesbare en/of misleidende disclaimer. Bovendien zou dit kunnen leiden tot een “chilling effect”, in die zin dat meerdere betrokkenen hun “eigen” disclaimer eisen, ook bij eventuele toekomstige verfilmingen van andere historische gebeurtenissen. Op die wijze zouden betrokkenen bij een historische gebeurtenis een te grote grip kunnen krijgen op het maken en samenstellen van speelfilms.

4.4. Over de drie gewraakte passages (zie 3.2) is de voorzieningenrechter het volgende van oordeel:

het gebruik van vuurwapens bij de daadwerkelijke ontvoering

IDTV heeft onder meer aan de hand van het boek van [naam 6] (“De ontvoering van Alfred Heineken”, in het geding gebracht als productie 1) en aan de hand van een aantal processen-verbaal van politie (in het geding gebracht als producties 3 tot en met 7) voldoende aannemelijk gemaakt dat de ontvoerders beschikten over vuurwapens en dat die wapens veelvuldig zijn gebruikt, althans dat daarmee is gedreigd. Mocht juist zijn dat, zoals [eiser 1] en [eiser 2] stellen, bij de daadwerkelijke ontvoering van Heineken geen gebruik is gemaakt van vuurwapens, terwijl in de film is te zien dat Heineken op dat moment van nabij een machinegeweer op zich gericht krijgt, dan is hier sprake van een fictief element, maar dit rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het toewijzen van de vordering. Tegen de aanwezigheid van en de dreiging met vuurwapens in andere scènes van de film hebben [eiser 1] en [eiser 2] immers geen bezwaar gemaakt. Het gebruik van een wapen bij de daadwerkelijke ontvoering kan dan ook geacht worden te vallen onder de artistieke vrijheid van de filmmaker en staat niet zo ver af van de werkelijkheid dat de belangen van [eiser 1] en [eiser 2] hierdoor op een ernstige wijze worden aangetast, althans op een wijze dat dit expliciet in de disclaimer zou moeten worden opgenomen.

het schieten op de taxichauffeur

In de film wordt geschoten op een taxi die de ontvoerders achtervolgt. Allereerst kan niet worden vastgesteld dat ofwel [eiser 1] ofwel [eiser 2] degene is die in de film het schot lost, omdat de schutter onherkenbaar is. Evenmin kan worden gezegd of (in de film) het schot is gericht op de taxichauffeur of op de koplampen van de taxi. De kijker ziet alleen dat de koplamp wordt getroffen. Mocht juist zijn dat, zoals [eiser 1] en [eiser 2] stellen, in werkelijkheid ten tijde van de ontvoering niet op een taxi is geschoten, doch enkel is gedreigd met een vuurwapen in de richting van een taxi, dan geldt ook hier dat sprake is van een fictief element dat toewijzing van de vordering niet rechtvaardigt. Of nu gedreigd wordt met een vuurwapen of daadwerkelijk wordt geschoten, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de artistieke vrijheid van de filmmaker. Ook hier kan in het licht van alle feiten en omstandigheden worden gezegd dat het fictieve element niet zo ver van de werkelijkheid afstaat dat de belangen van [eiser 1] en [eiser 2] op een ernstige wijze worden aangetast.

de mishandeling van de vriendin van [eiser 2]

IDTV heeft erkend dat in de film de suggestie wordt gewekt dat de vriendin van [eiser 2] (die in de film is te zien met een opgezwollen oog) door [eiser 2] is mishandeld. Daarnaast heeft IDTV erkend dat dit een fictieve verhaallijn betreft. Voor zover IDTV weet is de vriendin van [eiser 2] in werkelijkheid niet door hem mishandeld. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat ook dit fictieve element toewijzing van de vordering niet rechtvaardigt. IDTV heeft in dit verband terecht aangevoerd dat een groot aantal publicaties in de media (mede naar aanleiding van een kort geding dat is aangespannen door een van de andere ontvoerders) het fictieve karakter van de film benadrukt. Met de erkenning die IDTV in dit kort geding heeft gedaan (te weten dat [eiser 2] zijn vriendin niet heeft mishandeld) wordt in het licht van alle feiten en omstandigheden voldoende aan de belangen van [eiser 2] tegemoetgekomen. Van belang is verder dat dit fictieve element, zonder afbreuk te doen aan de ernst ervan, gezien andere gewelddadigheden in de film die op het conto van de ontvoerders worden geschreven en waartegen [eiser 2] geen bezwaar heeft gemaakt, niet zo bijzonder is dat het een geheel ander licht op de persoon van [voornaam eiser2] werpt. Het fictieve element tast zijn reputatie niet verder aan.

4.5. De conclusie tot zover is dat de tekst van de disclaimer naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet behoeft te worden aangepast.

4.6. Vervolgens ligt de vraag voor of de wijze waarop die disclaimer wordt getoond voldoet. De voorzieningenrechter is hierover van oordeel dat de disclaimer redelijk kort in beeld is en dat ook de wijze waarop de tekst van het doek oplicht ertoe kan leiden dat het gemiddelde publiek de boodschap niet meteen oppikt. Desalniettemin zal IDTV er in dit kort geding niet toe worden veroordeeld de disclaimer langer of op een andere wijze te tonen. Bij dit oordeel is van belang dat een speelfilm die is gebaseerd op een historische gebeurtenis in zijn algemeenheid nimmer volledig op de werkelijkheid berust; een speelfilm is immers geen documentaire en het publiek zal dit ook zo begrijpen. Verder is van belang dat in de media reeds uitvoerig is belicht dat de film een mengeling van feiten en fictie bevat. Een groot deel van het publiek zal hiervan, althans in de periode dat de film in de bioscoop draait, op de hoogte zijn. IDTV heeft toegezegd dat op de dvd die van de film wordt uitgebracht (nadat de film niet meer in de bioscopen is te zien) de disclaimer langer (te weten 8 seconden) te zien zal zijn. Dit heeft voorshands tot gevolg dat ook in de toekomst op afdoende wijze gewaarborgd is dat het publiek kennis neemt van de disclaimer. Tot slot is in dit kader van belang dat IDTV ter zitting uitgebreid heeft betoogd dat het langer tonen van de disclaimer tot aanmerkelijke kosten zal leiden en ook praktisch gezien moeilijk uitvoerbaar is. Alle exemplaren van de film zouden moeten worden gewijzigd, hetgeen overigens niet in de macht ligt van IDTV, maar in die van de distributeur van de film. Toewijzing van de vordering zou daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter disproportioneel zijn. Op de website is de disclaimer net zo lang te zien als de bezoeker dat wil en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de disclaimer daar te zien blijft zolang de website in de lucht blijft.

4.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat ook de vordering tot het plaatsen van een advertentie in drie landelijke dagbladen niet zal worden toegewezen.

4.8. [eiser 1] en [eiser 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van IDTV.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van dit geding, aan de zijde van IDTV tot op heden begroot op € 560,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat,

5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Veraart op 1 december 2011.?