Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU6263

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
13-666692-11 en 13-660416-10 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere (pogingen tot) diefstal met braak; overweging ISD/gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/666692-11 en 13/660416-10 (TUL)

Datum uitspraak: 21 november 2011 (PROMIS)

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "Zwaag" te Zwaag.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.F.E. den Hartog en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Hees, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 augustus 2011 tot en met 13 augustus 2011 te [plaats] tussen (ongeveer) 23.00 uur (12 augustus) en 06.08 uur (13 augustus), in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 1] weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming, naar voornoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, een fiets onder een (openstaand) raam van voornoemde woning heeft gezet en/of (vervolgens) op voornoemde fiets onder voornoemd raam van voornoemde woning is gaan staan en/of (vervolgens) voornoemd raam van voornoemde woning (naar buiten) heeft geopend en/of (vervolgens) door voornoemd geopend raam voornoemde woning binnen is geklommen;

(artikel 310 jo 311 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 augustus 2011 tot en met 13 augustus 2011 te [plaats] tussen (ongeveer) 23.00 uur (12 augustus) en 07.00 uur (13 augustus), in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een rijbewijs op naam van [slachtoffer 2] en/of een Nederlands paspoort op naam van [slachtoffer 2] en/of een Amerikaans paspoort op naam van [slachtoffer 2] en/of een ING bankpas op naam van [slachtoffer 2] en/of een Apple iPod en/of een Sony Cybershot fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door op een balkon van voornoemde woning te klimmen en/of (vervolgens) door een geopende balkondeur voornoemde woning binnen te klimmen en/of binnen te gaan, in elk geval door middel van inklimming;

(artikel 310 jo 311 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 augustus 2011 tot en met 13 augustus 2011 te [plaats] opzettelijk een rijbewijs op naam van [slachtoffer 2] en/of een Nederlands paspoort op naam van [slachtoffer 2] en/of een Amerikaans paspoort op naam van [slachtoffer 2] en/of een ING bankpas op naam van [slachtoffer 2] en/of een Apple iPod en/of een Sony Cybershot fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te [plaats] tussen (ongeveer) 04.55 uur en 05.02 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een bruine leren portemonnee met daarin twee pinpassen van de Rabobank en/of een rijbewijs op naam van [slachtoffer 3] en/of EUR 20,- contant geld en/of een vaarbewijs op naam van [slachtoffer 3] en/of diverse pasjes (waaronder een pasje van een zonnebankstudio) en/of een autosleutel en/of een Persol zonnebril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door via een prullenbak omhoog/op een zonnescherm en/of richel onder twee ramen van voornoemde woning te klimmen en/of (vervolgens) voornoemde twee ramen van voornoemde woning te openen en/of (vervolgens) door voornoemde geopende ramen voornoemde woning binnen te klimmen en/of binnen te gaan, in elk geval door middel van inklimming;

(artikel 310 jo 311 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te [plaats], in elk geval in Nederland, een Persol zonnebril en/of een spelcomputer heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 en/of 417bis Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 28 juli 2011 te [plaats] tussen (ongeveer) 04.30 uur en 04.40 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen een zwarte Toshiba laptop (15,6 inch scherm) en/of een beige/bruine damestas (met een kort handvat en ritsen op de buitenzijde en een afmeting van ongeveer 40 x 30 cm) en/of een witte/lichtgrijze Xbox spelcomputer (Sony) met bedrading en/of een Sony E-reader, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door via de erker van voornoemde woning omhoog te klimmen op/naar/richting de dakgoot en/of (vervolgens) via de dakgoot het (reeds op een kier geopende) raam van voornoemde woning (verder) te openen en/of (vervolgens) door voornoemd geopend raam voornoemde woning binnen te klimmen en/of binnen te gaan, in elk geval door middel van inklimming;

(artikel 310 jo 311 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 2 augustus 2011 te [plaats] tussen (ongeveer) 04.40 uur en 04.50 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 5] weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming, naar voornoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, omhoog is geklommen naar het Franse balkon van voornoemde woning en/of (vervolgens) via de geopende balkondeur voornoemde woning binnen is geklommen en/of binnen is gegaan;

(artikel 310 jo 311 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

6.

hij op of omstreeks 2 augustus 2011 te [plaats] tussen (ongeveer) 04.10 uur en 04.15 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 6] weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming, naar voornoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, via een regenpijp aan de voorzijde van voornoemde woning op het balkon van voornoemde woning is geklommen en/of (vervolgens) via de geopende balkondeuren voornoemde woning binnen is geklommen en/of binnen is gegaan;

(artikel 310 jo 311 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

7.

hij op of omstreeks 5 augustus 2011 te [plaats] tussen (ongeveer) 01.30 uur en 08.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen een HTC Wildfire S telefoon en/of een bruine leren rugtas met daarin meerdere kentekenpapieren (kentekenbewijs deel 1 en 2 van kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] en [kenteken 3]) en/of een rijbewijs (met nummer [rijbewijsnr]) en/of twee paspoorten (met nummers [paspoortnr 1] en [paspoortnr 2]) en/of waardebonnen (boekenbon van EUR 30,- en dinerbon van EUR 50,-) en/of verschillende passen en/of een agenda en/of diverse sleutels en/of een telefoonlader en/of een converter voor opladers en/of een usb-stick en/of een TROS toegangspas en/of diverse medicijnen en/of diverse doktersrecepten en/of een mapje met adressen en visitekaartjes en/of twee bankpassen van de rekeningen [rekeningnr 1] en [rekeningnr 2] en/of een donorcodicil en/of een zorgpas en/of een Nokia telefoon en/of een geldbedrag en/of een Garmin Zymo 660 navigatiesysteem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door op een of meer containers te klimmen en/of (vervolgens) op het/de dak/richel van de fietsenwinkel onder voornoemde woning te klimmen en/of (vervolgens) het/de (geopend(e)) schuifra(a)m(en) van voornoemde woning (verder) te openen en/of (vervolgens) door voornoemd(e) geopend(e) ra(a)m(en) voornoemde woning binnen te klimmen en/of binnen te gaan, in elk geval door middel van inklimming;

(artikel 310 jo 311 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7

3.1. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft - samengevat - aangevoerd dat verdachte met betrekking tot voornoemde feiten bij de politie - en thans ter terechtzitting - een bekennende verklaring heeft afgelegd. Verdachte wil schoon schip maken.

3.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 primair, 3 primair, 5, 6 en 7 kunnen worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten bij de politie en thans ter zitting bekend. Gevoegd bij de aangiftes en de getuigenverklaringen levert dit wettig en overtuigend bewijs van deze feiten op.

3.3. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte onder 1, 2 primair, 3 primair, 5, 6 en 7 heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor het bewijs wordt de inhoud van de hieronder vermelde processen-verbaal en geschriften gebruikti, evenals de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Nu hij daarbij voornoemde feiten heeft bekend en de raadsvrouw ten aanzien hiervan geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359 lid 3 Wetboek van Strafvordering (Sv) worden volstaan met de hieronder genoemde opgave van de gebruikte bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

- Een proces-verbaal van aangifte van 13 augustus 2011, p. 1000 en 1001;

- Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van verhoor getuige van 13 augustus 2011, p. 1003 t/m 1008;

- De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2011 heeft afgelegd.

Ten aanzien van feit 2 primair:

- Een proces-verbaal van aangifte van 13 augustus 2011, p. 2000 t/m 2003;

- Een proces-verbaal van aanhouding van 13 augustus 2011, p. 104 t/m 106;

- De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2011 heeft afgelegd.

Ten aanzien van feit 3 primair:

- Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2011, p. 004 t/m 006;

- Een geschrift, zijnde een niet door de aangever ondertekend proces-verbaal van verhoor aangever van 1 augustus 2011, p. 025 en 026;

- De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2011 heeft afgelegd.

Ten aanzien van feit 5:

- Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van 2 augustus 2011, p. 12 t/m 14;

- De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2011 heeft afgelegd.

Ten aanzien van feit 6:

- Een proces-verbaal van aangifte van 16 augustus 2011, p. 15 en 16;

- De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2011 heeft afgelegd.

Ten aanzien van feit 7:

- Een proces-verbaal van aangifte met bijlagen van 5 augustus 2011, p. 19 t/m 24;

- De bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 november 2011 heeft afgelegd.

4. Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 4

4.1. Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij haar beoordeling van het onder 4 tenlastegelegde uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.ii

In de nacht van 28 juli 2011 tussen 04:30 en 04:40 uur hoort de zus van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) gestommel uit de woning van [slachtoffer 4] aan het adres [adres 4] te [plaats]. [slachtoffer 4] is op dat moment niet thuis. Als de zus van [slachtoffer 4] een kijkje gaat nemen, ziet zij dat het licht op de overloop van de woning van haar zus aan is en dat het raam aan de voorzijde openstaat. Die morgen komt [slachtoffer 4] thuis en constateert dat haar laptop, damestas, Xbox en E-reader weg zijn. Uit de afdruk van een schoenzool aan de buitenzijde van het raamkozijn en de inklimsporen aan de binnenzijde blijkt dat de dader via de erker omhoog is geklommen en vervolgens via de dakgoot het reeds op een kier staande raam verder heeft geopend en naar binnen is gegaan.iii

Als de politie op 23 augustus 2011 aan verdachte deze diefstal voorhoudt, verklaart verdachte dat hij in die nacht naast een diefstal in de woning op het adres [adres 3] te [plaats], nog een diefstal heeft gepleegd, maar het adres niet meer weet. Voorts verklaart hij dat hij via een erker omhoog naar een openstaand raam is geklommen en naar binnen is gegaan. Vervolgens heeft hij binnen een tas en een witte spelcomputer meegenomen. De spelcomputer was volgens verdachte een X-box. Verdachte heeft geen laptop uit de woning meegenomen, daar hij die anders wel aan de taxichauffeur zou hebben aangeboden om de ritprijs te betalen.iv De taxichauffeur bevestigt dat hij in de nacht van 28 juli 2011 verdachte van [plaats] naar de [adres 8] te [plaats 2] heeft vervoerd. Verdachte had die nacht een beige schouderdamestas en een spelcomputer met witte kabels eromheen gewikkeld bij zich, welke verdachte aan de taxichauffeur aanbood in ruil voor de ritprijs. Volgens de taxichauffeur was de spelcomputer geen X-box, omdat er geen X op stond.v

4.2. Het standpunt van de verdediging

Feit 4 kan volgens de raadsvrouw niet tot een bewezenverklaring leiden. Zij heeft gewezen op het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij via de erker van een woning in [plaats] omhoog is geklommen en een witte computer heeft meegenomen. Uit de aangifte blijkt dat uit de woning zijn weggenomen een zwarte laptop, een damestas, een Xbox en een E-reader. Taxichauffeur [taxichauffeur], bij wie verdachte later in de taxi zit, heeft verklaard dat verdachte in het bezit was van een schoudertas en een spelcomputer. Ten aanzien van de spelcomputer heeft hij verklaard dat dit zeker geen Wii of Xbox betrof. De schoudertas wordt door de taxichauffeur niet nader gespecificeerd. De goederen die verdachte toen bij zich had zijn niet dezelfde als die bij de diefstal op het adres [adres 4] in [plaats] zijn weggenomen. Verdachte heeft niet een geheel bekennende verklaring afgelegd en is stellig wat betreft hetgeen hij heeft weggenomen. Daarbij was volgens zijn verklaring zeker geen laptop. Gelet op het feit dat verdachte de andere diefstallen wel - in detail - heeft bekend, is dit opmerkelijk. Kortom, de verschillende bewijsmiddelen ondersteunen elkaar niet en laten bovendien twijfel of deze diefstal aan verdachte kan worden toegeschreven. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

4.3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal in de woning aan het adres [adres 4] wettig en overtuigend kan worden bewezen. Naast de deels bekennende verklaring van verdachte en de aangifte, is er sprake van een zelfde modus operandi als bij de overige ten laste gelegde diefstallen die verdachte heeft bekend. Daar komt bij dat verdachte in de nacht van 28 op 29 juli 2011 een half uur na de inbraak in de woning aan het adres [adres 4], heeft ingebroken in een woning aan de [adres 3] te [plaats]. [adres 3] ligt op korte afstand van het adres [adres 4], zodat het zeer wel aannemelijk is dat verdachte ook deze diefstal heeft gepleegd.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden heeft de rechtbank - één en ander in onderling verband en samenhang beschouwd - de overtuiging dat verdachte de - kort gezegd - diefstal heeft gepleegd en daarbij een beige/bruine damestas en een Xbox spelcomputer heeft meegenomen.

Verdachte verklaart bij de politie uit zichzelf dat hij bij een woning in [plaats] in de nacht van 28 juli 2011 via een erker naar een openslaand raam omhoog is gekomen, een woning is binnengekomen en vervolgens een tas en een Xbox heeft weggenomen. Gevoegd bij de aangifte, levert dit voldoende wettig bewijs op dat verdachte de inklimming heeft gepleegd. Dat de taxichauffeur verklaart dat verdachte die nacht een spelcomputer bij zich had, maar dat dat geen Xbox betrof, doet daar niet aan af. Verdachte heeft immers bij de politie zelf verklaard dat het een Xbox betrof. De verklaring van verdachte is ook overigens in overeenstemming met de feiten die ook uit andere bronnen blijken.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de tenlastegelegde laptop en de E-reader niet kunnen worden bewezen, zodat in zoverre vrijspraak moet volgen. De rechtbank acht de ontkennende verklaring van verdachte ten aanzien van de laptop, in het licht van zijn andere bekentenissen, geloofwaardig en heeft geen reden daaraan te twijfelen. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de diefstal van de E-reader is er onvoldoende wettig (steun-) bewijs. De aangifte alleen is onvoldoende voor een bewezenverklaring. De rechtbank zal verdachte dan ook van die onderdelen vrijspreken.

De rechtbank verwerpt dan ook de lezing van de verdediging - voor zover die tot een gehele vrijspraak dient te leiden - zoals weergegeven onder 4.2.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 12 augustus 2011 tot en met 13 augustus 2011 te [plaats] tussen ongeveer 23.00 uur 12 augustus en 06.08 uur 13 augustus 2011 ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 1] weg te nemen goederen toebehorende aan [slachtoffer 1] en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van inklimming, naar voornoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, een fiets onder een openstaand raam van voornoemde woning heeft gezet en vervolgens op voornoemde fiets onder voornoemd raam van voornoemde woning is gaan staan en vervolgens voornoemd raam van voornoemde woning naar buiten heeft geopend en vervolgens door voornoemd geopend raam voornoemde woning binnen is geklommen;

ten aanzien van feit 2 primair:

in de periode van 12 augustus 2011 tot en met 13 augustus 2011 te [plaats] tussen ongeveer 23.00 uur 12 augustus en 07.00 uur 13 augustus 2011 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een rijbewijs, een Nederlands paspoort, een Amerikaans paspoort, een ING bankpas, een iPod en een Sony fotocamera toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan anderen dan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door op een balkon van voornoemde woning te klimmen en vervolgens door een geopende balkondeur voornoemde woning binnen te klimmen en binnen te gaan;

ten aanzien van feit 3 primair:

op 28 juli 2011 te [plaats] tussen ongeveer 04.55 uur en 05.02 uur met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 3] heeft weggenomen een bruine leren portemonnee met daarin twee pinpassen van de Rabobank en een rijbewijs en € 20,- contant geld en een vaarbewijs en diverse pasjes waaronder een pasje van een zonnebankstudio en een autosleutel en een Persol zonnebril toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door via een prullenbak omhoog te klimmen en vervolgens door openstaande ramen voornoemde woning binnen te klimmen en binnen te gaan;

ten aanzien van feit 4:

op 28 juli 2011 te [plaats] tussen ongeveer 04.30 uur en 04.40 uur met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 4] heeft weggenomen een beige/bruine damestas en een Xbox spelcomputer van Sony toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door via de erker van voornoemde woning omhoog te klimmen naar de dakgoot en vervolgens via de dakgoot het reeds op een kier geopende raam van voornoemde woning verder te openen en vervolgens door voornoemd geopend raam van de woning binnen te klimmen en binnen te gaan;

ten aanzien van feit 5:

op 2 augustus 2011 te [plaats] tussen ongeveer 04.40 uur en 04.50 uur ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 5] weg te nemen goederen toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander dan verdachte, en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van inklimming, naar voornoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, omhoog is geklommen naar het Franse balkon van voornoemde woning en vervolgens via de geopende balkondeur voornoemde woning binnen is geklommen en binnen is gegaan;

ten aanzien van feit 6:

op 2 augustus 2011 te [plaats] tussen ongeveer 04.10 uur en 04.15 uur ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 6] weg te nemen goederen toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander dan verdachte,en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van inklimming, naar voornoemde woning is gegaan, waarna hij, verdachte, via een regenpijp aan de voorzijde van voornoemde woning op het balkon van voornoemde woning is geklommen en vervolgens via de geopende balkondeuren voornoemde woning binnen is geklommen;

ten aanzien van feit 7:

op 5 augustus 2011 te [plaats] tussen ongeveer 01.30 uur en 08.00 uur met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen een HTC Wildfire S telefoon, een bruine leren rugtas met daarin meerdere kentekenpapieren, kentekenbewijs deel 1 en 2 van kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] en [kenteken 3], een rijbewijs met nummer [rijbewijsnr] en twee paspoorten, met nummers [paspoortnr 1] en [paspoortnr 2], waardebonnen, een boekenbon van € 30,-, een dinerbon van € 50,-, verschillende passen, een agenda, diverse sleutels, een telefoonlader, een converter voor opladers, een usb-stick, een TROS toegangspas, diverse medicijnen, diverse doktersrecepten, een mapje met adressen en visitekaartjes en twee bankpassen van de rekeningen [rekeningnr 1] en [rekeningnr 2] en een donorcodicil en een zorgpas, een Nokia telefoon, een geldbedrag en een Garmin Zymo 660 navigatiesysteem toebehorende aan [slachtoffer 7], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door op een of meer containers te klimmen en vervolgens op het dak van de fietsenwinkel onder voornoemde woning te klimmen en vervolgens het geopende schuifraam van voornoemde woning verder te openen en vervolgens door het geopende raam van voornoemde woning binnen te klimmen en binnen te gaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren.

Gelet hierop heeft de officier van justitie gevorderd dat de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf van het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 augustus 2010 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam met parketnummer 13/660416-10 zal worden afgewezen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte zich weliswaar blijkens het reclasseringsrapport kan vinden in het advies van de Reclassering tot oplegging van de ISD-maatregel, maar verdachte heeft ter terechtzitting bepleit dat hij begeleiding en structuur nodig heeft en daar vanuit zijn detentiesituatie mee aan de slag te willen gaan. Volgens verdachte dient dit vorm te krijgen door oplegging van een straf met bijzondere voorwaarden, zoals al eerder in het vonnis van deze rechtbank van 7 juli 2011 is vormgegeven. Dat toezicht is toen niet van de grond gekomen, omdat de Reclassering niet direct na de detentie van verdachte met hem aan de slag kon. Bovendien kon verdachte geen uitkering krijgen - wat in het reclasseringsrapport van 31 mei 2011 wordt bevestigd - en werd hij door de uitkeringsinstantie van het kastje naar de muur gestuurd. Verdachte wist geen andere oplossing voor zijn geldnood dan het plegen van de onderhavige strafbare feiten.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan - kort gezegd - (poging tot) diefstal, meermalen gepleegd. Dit zijn feiten waarvoor ingevolge artikel 67 Sv voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het omtrent de verdachte afgegeven Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 augustus 2011 blijkt dat verdachte, in de vijf jaar voorafgaand aan bedoelde diefstallen en pogingen daartoe, meer dan driemaal wegens strafbare feiten onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Daardoor wordt voldaan aan de wettelijk gestelde eisen in artikel 38m lid 1 onder 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De rechtbank dient thans na te gaan of in het onderhavige geval de oplegging van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is.

In het dossier bevindt zich omtrent de noodzaak en wenselijkheid van de ISD-maatregel het Reclasseringsadvies van Inforsa van 27 oktober 2011. Dit advies houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:

Betrokkene pleegt vanaf jeugdige leeftijd vermogensdelicten, voornamelijk diefstal door middel van braak en inklimming. Hij heeft de ISD-maatregel en de daarbij behorende interventies in de periode 2006-2008 goed doorlopen. Betrokkene is gebaat bij een duidelijke structuur. Binnen de ISD en ook tijdens detenties functioneert hij naar behoren. Wanneer deze structuur ontbreekt, verliest hij controle over zijn bestaan en handelt hij impulsief in de vorm van het plegen van delicten. Nu meerdere reclasseringstoezichten nagenoeg niet van de grond zijn gekomen, komt opnieuw de ISD in zicht waar hem de nodige structuur en hulpverlening op het gebied van praktische zaken geboden kan worden. Tevens dient tijdens de ISD-maatregel nadere diagnostiek plaats te vinden zodat door middel van een adequaat behandelaanbod delictgedrag in de toekomst kan worden vermeden. Omdat de situatie van betrokkene onveranderd is gebleven ten opzichte van de periode van voor de ISD, is de recidivekans hoog. De Reclassering adviseert thans de begeleiding tijdens de ISD te richten op het realiseren van basisvoorzieningen als inkomen, dagbesteding en huisvesting. Tevens dient nadere diagnostiek en indien geïndiceerd, behandeling van de gediagnosticeerde problematiek plaats te vinden of een aanzet daartoe te worden gegeven.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in februari 2009 het ISD-traject is uitgestroomd, welk traject hij goed heeft doorlopen. Verdachte is vervolgens weer in delictgedrag vervallen, naar moet worden aangenomen: daar zijn persoonlijke omstandigheden ten opzichte van de periode van voor de ISD-maatregel onveranderd is gebleven. In verband met het plegen van een diefstal heeft de Reclassering op 31 mei 2011 geadviseerd het - reeds bestaande - toezicht voort te zetten teneinde enerzijds de nodige structuur te bieden en anderzijds verdachte te ondersteunen bij het regelen van praktische zaken. De Reclassering heeft de rechtbank toen geadviseerd - samengevat - het toezicht en bijzondere voorwaarden zoals opgelegd bij de zaak met parketnummer 13/660416-10 voort te zetten. Deze rechtbank heeft bij vonnis van 7 juli 2011, naast de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, de proeftijd van de zaak met parketnummer 13/660416-10 met één jaar verlengd, opdat het toezicht en de bijzondere voorwaarden zouden kunnen voortduren. Verdachte heeft kort nadat hij in verband met voornoemde straf is vrijgekomen, de onderhavige diefstallen gepleegd. De rechtbank constateert dat (voortduring van) het toezicht derhalve nog niet van de grond heeft kunnen komen.

De rechtbank acht daarom, niettegenstaande het advies van de Reclassering van 27 oktober 2011, de ISD-maatregel niet passend en geboden. Hoewel in eerste instantie wellicht merkwaardig, levert in het onderhavige geval juist het feit dat verdachte direct na het uitzitten van zijn straf weer strafbare feiten heeft gepleegd, een contra-indicatie op. Hieruit kan immers worden afgeleid dat het toezicht en de bijzondere voorwaarden zoals de rechtbank die sedert 7 juli 2011 door verlenging van de proeftijd heeft laten voortduren, (nog) geen gestalte hebben kunnen krijgen. De rechtbank ziet thans niet de meerwaarde van een ISD-maatregel boven het bieden van structuur door middel van voortduring van het toezicht en de destijds opgelegde bijzondere voorwaarden. Die meerwaarde blijkt ook niet uit de rapportage van de Reclassering van oktober 2011. Sterker nog, de Reclassering overweegt in haar advies van mei 2011 nog dat het zinvol is verdachte door de Reclassering te laten begeleiden. Bij het advies van de Reclassering van oktober 2011 ontbreekt een voorstel voor begeleiding, hetgeen - zoals het Reclasseringsadvies aangeeft en het vorige ISD-traject heeft uitgewezen - juist zo belangrijk voor verdachte is. De rechtbank ziet in voortduring van het toezicht meer mogelijkheden voor verdachte dan in oplegging van de ISD-maatregel.

Om deze redenen zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van de ISD-maatregel, maar tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder ten nadele van verdachte het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich in een korte periode vier keer schuldig gemaakt aan diefstal uit woningen en aan drie pogingen daartoe. Als verdachte 's nachts constateerde dat een raam van een woning op een kier stond, zag hij zijn kans schoon, klom de woning binnen en nam goederen mee. Daarbij heeft hij in sommige gevallen oog in oog gestaan met de aangevers. Dergelijke feiten grijpen diep in in de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting namens één van de slachtoffers voorgelezen slachtofferverklaring. Daarnaast wordt dit soort delicten als schokkend ervaren door de samenleving als geheel, leidt het tot onrust en draagt het in hoge mate bij tot een gevoel van onveiligheid.

De rechtbank beschouwt deze feiten als zo ernstig dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur geboden is.

Blijkens een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 augustus 2011 is verdachte eerder voor het plegen van soortgelijke delicten veroordeeld tot vrijheidsstraffen. Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. De rechtbank heeft ook dit gegeven betrokken bij het bepalen van de op te leggen straf.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is geëist.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 25 augustus 2011 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/660416-10 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 augustus 2010 van de meervoudige kamer, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een extract van het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 25 maart 2011, waaruit blijkt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op de hoogte was van de hem opgelegde voorwaardelijke straf.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Zoals uit het voorgaande blijkt, is het van belang dat verdachte zowel de nodige structuur als hulp krijgt bij het regelen van praktische zaken. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit te worden bewerkstelligd door het voortzetten van het reclasseringstoezicht en de daarbij bij vonnis van 6 augustus 2010 geformuleerde voorwaarden. De rechtbank zal dan ook niet de tenuitvoerlegging gelasten, maar de proeftijd met één jaar verlengen.

8. Beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen heeft de officier van justitie gevorderd dat de telefoon (Samsung) aan verdachte wordt geretourneerd en de sokken aan de rechthebbende.

De rechtbank zal de telefoon en de sokken - voor zover nog niet geschied - teruggeven aan verdachte.

9. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich gevoegd in deze procedure met een vordering tot schadevergoeding, te weten € 422,66 ter zake van materiële schade. Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 3] aangegeven dat de posten zoals blijken uit het voegingsformulier door de verzekering zijn vergoed. Een bedrag van € 20,-, zijnde het bij de diefstal buitgemaakte geldbedrag, wordt niet vergoed. Voorts heeft hij aangegeven dat ook de kosten voor hang- en sluitwerk niet door de verzekering worden vergoed.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 20,- toe te wijzen, nu dat bedrag niet door de verzekering wordt vergoed. Ten aanzien van de overige opgevoerde schadeposten heeft de officier van justitie gevorderd [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk te verklaren. Een en ander met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f Sr en de wettelijke rente.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 primair bewezengeachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank oordeelt echter dat nu de materiële schade van € 422,66 blijkens het voegingsformulier door de verzekering aan [slachtoffer 3] is vergoed, de vordering nihil is en dientengevolge wordt afgewezen. Voorts begrijpt de rechtbank dat de benadeelde partij de bij de diefstal buitgemaakte € 20,- eveneens vergoed wenst te zien. De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 3] tot dat bedrag toewijzen. Voorts heeft de benadeelde partij ter terechtzitting aangevoerd dat hij kosten voor hang- en sluitwerk heeft gemaakt. Die kosten zijn echter niet als vordering tot vergoeding van schade ingediend. De rechtbank zal, bij ontbreken van een concrete vordering, hierop geen beslissing nemen.

De rechtbank waardeert de totale schade op een bedrag van € 20,- (twintig euro). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Ook zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toekennen vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 7]:

De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft zich gevoegd in deze procedure met een vordering tot schadevergoeding, te weten € 400,60 ter zake van materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 7] toe te wijzen.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 7 bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 400,60 (vierhonderd euro en zestig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, 5 en 6:

Poging tot diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair, 3 primair, 4 en 7:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende op het adres [adres 3] [plaats] toe tot een bedrag van € 20,- (twintig euro) wegens materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] het toegewezen bedrag te betalen.

Wijst de vordering van de benadeelde [slachtoffer 3] voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

[slachtoffer 3], te betalen de som van € 20,- (twintig euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere vervallen is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7], wonende op het adres [adres 7], [plaats] toe tot een bedrag van € 400,60 (vierhonderd euro en zestig eurocent) wegens materiële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 7] het toegewezen bedrag te betalen.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

[slachtoffer 7], te betalen de som van € 400,60,- (vierhonderd euro en zestig eurocent) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere vervallen is.

Verlengt de bij vonnis van 6 augustus 2010 met parketnummer 13/660416-10 bepaalde proeftijd met één jaar.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- zaktelefoon, Samsung (117328)

- sokken, wit (117327)

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M. van den Bergh, voorzitter,

mrs. T.H. van Voorst Vader en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

i De processen-verbaal zijn steeds in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Voor de vindplaatsen van die processen-verbaal wordt steeds verwezen naar de desbetreffende pagina's in het dossier. Indien de rechtbank gebruik maakt van andere geschriften als bewijsmiddelen, geldt voor die vindplaatsen hetzelfde als zojuist vermeld.

ii De in de voetnoten genoemde processen-verbaal gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen. Zij zijn steeds in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Voor de vindplaatsen van die processen-verbaal wordt steeds verwezen naar de desbetreffende pagina's in het dossier. Indien de rechtbank gebruik maakt van andere geschriften als bewijsmiddelen, geldt voor die vindplaatsen hetzelfde als zojuist vermeld.

iii Een proces-verbaal van aangifte, p. 09.

iv Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 050.

v Een proces-verbaal van verhoor getuige, p. 3003.