Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU6172

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
501414 / KG ZA 11-1591 MvW/MRSB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verhoudingen tussen erfgenamen en tussen de executeur en haar gevolmachtigde, beiden tevens erfgenamen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

tussenvonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 501414 / KG ZA 11-1591 MvW/MRSB

Vonnis in kort geding van 25 november 2011

in de zaak van

1. [zus 1],

wonende te [woonplaats],

2. [zus 2],

wonende te [woonplaats]

eiseressen bij dagvaarding van 27 oktober 2011,

advocaat mr. J.W. Damstra te Apeldoorn,

tegen

1. [broer],

wonende te [woonplaats],

2. [zus 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. H.W. Prillevitz te Bussum.

Partijen zullen hierna, waar afzonderlijk bedoeld [zus 1], [zus 2], [broer] en [zus 3] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 14 november 2011 hebben eiseressen gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren aanwezig [zus 1] en [zus 2] met mr. Damstra en mr. Prillevitz namens gedaagden.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn broer en zussen van elkaar. Zij zijn erfgenamen van de op 9 juni 2008 overleden [moeder] (hierna: de moeder). De vader van partijen, [vader] (hierna: de vader) is op 18 april 2006 overleden.

2.2. In een op 6 december 2006 naar aanleiding van het overlijden van de vader door de notaris opgemaakte verklaring van erfrecht staat voor zover voor deze procedure van belang het volgende:

“7. Nadere bepalingen testament

In gemeld testament staat onder meer bepaald:

“Indien ten tijde van mijn overlijden nieuwe erfrechtelijke bepalingen van kracht mochten zijn geworden, bepaal ik dat alle rechten, welke ik op grond van die nieuwe bepalingen aan mijn genoemde echtgenote zal kunnen geven, aan haar zullen toekomen, voor zover zij zulks verlangt.”

De echtgenote van overledene (…) heeft verklaard te kiezen voor de erfrechtelijke bepalingen van het nieuwe erfrecht, zoals dat geldt sinds een januari tweeduizend drie, te weten de bij achterlating van een langstlevende echtgeno(o)t(e) en een of meer kinderen van toepassing zijnde wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 Burgerlijk Wetboek, welke verklaring blijkt uit een onderhandse verklaring, welke aan deze akte is gehecht. In vier onderhandse verklaringen hebben voornoemde

kinderen van de overledene verklaard dat zij zich in deze keuze kunnen vinden; Dez verklaringen zijn eveneens aan deze akte gehecht.”

2.3. De moeder heeft een testament opgemaakt, welk testament zij voor het laatst heeft gewijzigd op 11 december 2007. In dit testament heeft de moeder partijen als enig erfgenamen benoemd. [zus 1] en [zus 2] hebben ieder 3/10e deel van de nalatenschap toebedeeld gekregen. [broer] en [zus 3] ieder 2/10e deel.

Voorts heeft de moeder [zus 1] benoemd als executeur en als afwikkelingsbewindvoerster en [zus 2] als opvolgend executeur en als afwikkelingsbewindvoerster voor het geval [zus 1] de benoeming daartoe niet zou accepteren. [zus 1] en [zus 2] hebben de door de moeder aan hen toebedeelde taken bij schriftelijke verklaring van 18 juli 2008 aanvaard.

2.4. Tot de nalatenschap behoort een viertal pendanten, zijnde acht schilderijen met portretten. Pendanten zijn in de kunst twee bij elkaar behorende werken, zoals schilderijen, bedoeld om samen te worden getoond. De pendanten zijn op basis van een bruikleenovereenkomst van 22 juli 2009 aan het Frans Hals museum in bruikleen gegeven. Deze overeenkomst is door [zus 1] als bruikleengever voor het laatst op 6 maart 2011 verlengd voor de duur van een jaar, met ingang van 19 februari 2011.

2.5. Bij verzoekschrift van 21 april 2011 hebben gedaagden de kantonrechter van de rechtbank Arnhem verzocht [zus 1] te schorsen en te ontslaan als executeur en afwikkelingsbewindvoerster van de nalatenschap. Op 26 april 2011 heeft in deze verzoekschriftprocedure de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [zus 1], [zus 3] en [broer] hebben ter zitting een regeling getroffen, die is vastgelegd in een proces-verbaal. Deze regeling luidt - voor zover voor deze procedure van belang - als volgt:

“ Mevrouw [zus 1], executeur (…) verleent volmacht aan de heer [broer] om afspraken voor de verkoop van de 4 pendanten te maken mits de netto-opbrengst voor de boedel tenminste € 650.000,00 zal zijn. De gevolmachtigde heeft hiervoor de tijd tot 1 september 2011 één of meer overeenkomsten hiertoe te sluiten.

(…)

Verzoekers trekken hun verzoek in.”

2.6. Bij brief van 7 mei 2011 heeft [zus 1] de directeur van het Frans Hals museum op de hoogte gesteld van de tussen [zus 1], [broer] en [zus 3] bereikte schikking en de door haar aan [broer] verleende volmacht (zie 2.5.). [zus 1] heeft in de brief - onder meer - geschreven:

“Deze volmacht behelst niet dat de portretten verplaatst mogen worden noch dat mijn broer [broer] financiële transacties kan doen. Ik ben en blijf executeur/afwikkelingsbewindvoerder.”

2.7. In een e-mail van 31 augustus 2011 aan, onder anderen, [zus 1] en [zus 2] heeft [broer] geschreven - samengevat weergegeven - dat hij de 4 pendanten bij koopovereenkomst van 24 augustus 2011 voor een bedrag van EUR 650.000,00 in contanten heeft verkocht, welk bedrag inmiddels is bijgeschreven op de derdengeldrekening van zijn notaris. [broer] heeft [zus 1] en [zus 2] voorts verzocht hun rekeningnummers op te geven zodat hij tot verdeling van het bedrag kan overgaan. In de e-mail heeft [broer] niet vermeld wie de koper van de pendanten is. Hij heeft de pendanten opgehaald bij het Frans Hals museum en deze bevinden zich nu op een voor [zus 1] en [zus 2] onbekende plaats.

2.8. Gedaagden hebben op 3 oktober 2011 verlof gevraagd om op de koopsom van de pendanten onder de notaris beslag te mogen leggen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verlof op 4 oktober 2011 verleend en de vordering daarbij, inclusief rente en kosten, begroot op een bedrag van EUR 1.024.110,00. Gedaagden hebben op 5 oktober 2011 beslag gelegd onder notariskantoor Horst & van der Graaff te Hilversum (hierna: de notaris) op de koopsom van de pendanten.

2.9. Bij dagvaarding van 19 oktober 2011 hebben gedaagden de erven in de nalatenschap van de moeder gedagvaard en van hen onder meer betaling aan [broer] en [zus 3] gevorderd van een bedrag van EUR 414.213,00 ieder.

3. Het geschil

3.1. Eiseressen vorderen samengevat - :

I. Dat gedaagden op straffe van verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [zus 1] de originele koopovereenkomst met betrekking tot de vier pendanten ter hand te stellen.

II. Dat gedaagden op straffe van verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [zus 1] alle bankafschriften over te leggen waaruit blijkt op welke rekening het bedrag van EUR 650.000,00 is gestort door de koper van de pendanten en vanaf welke bankrekening dit bedrag vervolgens is doorgestort naar de notaris.

III. Opheffing van het door gedaagden onder de notaris op de koopsom gelegde conservatoire derdenbeslag.

IV. Dat gedaagden worden veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de notaris schriftelijk opdracht te geven een bedrag van EUR 650.000,00 met rente terzake de verkoopopbrengst van de 4 pendanten, te storten op de ervenrekening met rekeningnummer [rek.nr.] op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van gedaagden om de notaris opdracht te geven het bedrag van EUR 650.000,00 op de ervenrekening te storten.

V. Dat gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.

3.2. Eiseressen leggen aan hun vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. Ingevolge het testament van 11 december 2007 is [zus 1] benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerster van de nalatenschap welke benoemingen zij heeft aanvaard. In deze hoedanigheid heeft zij de bevoegdheid de tot de nalatenschap behorende goederen te gelde te maken. Zij heeft naar haar broer en zussen de plicht om met betrekking tot de nalatenschap jaarlijks over haar handelen rekening en verantwoording af te leggen. [zus 1] heeft [broer] gevolmachtigd om afspraken te maken voor de verkoop van de 4 pendanten. [broer] stelt dat hij de pendanten heeft verkocht voor een bedrag van EUR 650.000,00. [broer] weigert echter de identiteit van de koper bekend te maken. Tevens weigert hij het onder zijn notaris gestorte bedrag over te maken op de ervenrekening. [broer] maakt het [zus 1] door zijn handelen onmogelijk op een deugdelijke wijze rekening en verantwoording af te leggen ten aanzien van de pendanten en de opbrengst van de schilderijen te verdelen over de erven. Het staat [broer] niet vrij de opbrengst van de schilderijen onder zich te houden. [broer] is tot deze verdeling, zoals hij in zijn e-mail van 31 augustus 2011 heeft voorgesteld, niet bevoegd. Uit de volmacht die [zus 1] aan [broer] op 26 april 2011 heeft verstrekt, vloeit in redelijkheid voort dat [broer] aan [zus 1] de informatie dient te verstrekken die zij voor een goede uitoefening van haar taak als executeur nodig heeft.

De erven hebben er voorts, daargelaten de verplichtingen van [zus 1] als executeur van het testament van de moeder, allen recht en belang bij te weten aan wie de familiestukken zijn verkocht. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich ertegen dat [broer] als gevolmachtigde van de executeur de identiteit van de koper geheimhoudt.

Eiseressen houden het voor mogelijk dat [broer] de schilderijen in werkelijkheid aan zichzelf heeft verkocht en een koper heeft gevonden die de pendanten voor een aanzienlijk hoger bedrag van hem zal afnemen. Hiermee zou [broer] misbruik maken van de aan hem verleende volmacht en onrechtmatig handelen jegens de erven.

[zus 1] heeft [broer] niet gevolmachtigd tot het leveren van de pendanten en het innen van de verkoopopbrengst. Door de verkoopopbrengst te innen en de schilderijen uit het museum weg te halen, heeft [broer] de grenzen van de volmacht overschreden. De koopovereenkomst is daarmee vernietigbaar.

Op deze gronden stellen eiseressen dat de vordering tot overlegging van de originele koopovereenkomst en het verschaffen van inzicht in de transactie toewijsbaar is. [broer] heeft voorts evenmin de bevoegdheid (gekregen) de opbrengst van de schilderijen onder zijn notaris te storten. Hij is derhalve gehouden dit bedrag op de ervenrekening te betalen zodat [zus 1] kan overgaan tot verdeling daarvan overeenkomstig het testament. De aan het derdenbeslag ten grondslag gelegde vorderingen berusten voorts geen van alle op een deugdelijke grondslag zodat het beslag opgeheven dient te worden en [broer] dient te worden veroordeeld de opbrengst van de pendanten op de ervenrekening te betalen. [zus 3] is in deze procedure betrokken omdat zij samen met [broer] beslag heeft gelegd onder de notaris. Alle vordering zijn derhalve toewijsbaar, aldus eiseressen.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Dit verweer zal in het hiernavolgende, voor zover van belang, nader worden besproken.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Gedaagden hebben allereerst aangevoerd dat eiseressen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen omdat zij niet in hun hoedanigheid als executeur(s) gedaagden hebben gedagvaard maar pro se. Daarnaast hebben gedaagden vooropgesteld dat aan de vorderingen van eiseressen een spoedeisend belang ontbreekt en dat zij om deze reden reeds moeten worden afgewezen.

4.3. Deze verweren treffen geen doel. Eiseressen hebben behalve in hun hoedanigheid van executeur van de nalatenschap ook een individueel (eigen) belang bij de vorderingen aangezien zij beiden erven in de nalatenschap zijn. Zij zijn derhalve ontvankelijk in hun vorderingen en het is niet nodig dat in de aanhef van de dagvaarding ook de hoedanigheid van executeur is genoemd. Nu de pendanten volgens [broer] inmiddels zijn verkocht, en de afwikkeling van de nalatenschap, die thans al ruim drie jaar voortduurt, daarmee tot een definitief einde zou kunnen komen, hebben eiseressen bij de vorderingen een voldoende spoedeisend belang. Thans wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

4.4. Met betrekking tot de eerste vordering van eiseressen (weergegeven bij I. onder 3.1.) wordt overwogen en geoordeeld als volgt. Partijen hebben op 26 april 2011 afspraken gemaakt over de verkoop van de pendanten. Onderdeel van die afspraken was dat [zus 1] aan [broer] een volmacht heeft verstrekt om de verkoop van de vier pendanten op zich te nemen tot 1 september 2011. Daarmee heeft [zus 1] de bevoegdheden die haar ingevolge het testament als executeur zijn toebedeeld voor wat betreft het verkopen van de schilderijen voor deze periode aan [broer] uit handen gegeven. Een redelijke uitleg van de op 26 april 2011 gemaakte afspraken brengt met zich dat met deze overdracht van rechten voorshands ook een aantal verantwoordelijkheden op [broer] zijn komen te rusten. [zus 1] heeft als executeur het recht de tot de nalatenschap behorende goederen zonder instemming van de andere erven naar eigen inzicht te verkopen. Dit recht brengt met zich dat [zus 1] zich van deze taak op een verantwoordelijke en eerlijke manier dient te kwijten, hetgeen impliceert dat zij voor de te verkopen goederen een redelijke prijs moet verkrijgen en de opbrengst overeenkomstig het bepaalde in het testament over de erven dient te verdelen. Over haar handelen dient zij aan de erven (jaarlijks) rekening en verantwoording af te leggen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient [broer] zich de belangen van [zus 1] als executeur van de nalatenschap aan te trekken. Dit betekent dat hij aan [zus 1] desverzocht de inlichtingen moet verstrekken die zij nodig heeft om haar taak als executeur naar behoren te kunnen uitoefenen.

Daarnaast hebben ook de overige erven een belang bij de verkoop van de schilderijen. Niet alleen komt aan hen een deel van de opbrengst toe; zij hebben ook een immaterieel belang om te weten aan wie hun familiestukken zijn verkocht. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen voor [broer], optredend als vertegenwoordiger van de erven, mee dat hij ook deze belangen in ogenschouw moet nemen. Hij dient derhalve aan [zus 1] en [zus 2] de identiteit van de koper bekend te maken. [broer] kan zich van de op hem rustende verplichtingen, anders dan hij heeft betoogd, niet kwijten door het overleggen van een geanonimiseerde koopovereenkomst, of met hetgeen hij in de e-mail van 31 augustus 2011 aan uitleg over de verkoop heeft gegeven. Uit deze stukken blijkt immers niet aan wie de schilderijen zijn verkocht. [broer] kan als gevolmachtigde aan zijn verplichtingen jegens de executeur en de overige erven voldoen door de originele koopovereenkomst te overleggen. Deze vordering is derhalve toewijsbaar, maar slechts tegen [broer], nu onbetwist is gelaten dat [zus 3] niet in het bezit van de originele koopovereenkomst is.

De verweren van [broer] tegen overlegging van de originele koopovereenkomst gaan niet op. Dat [zus 1] de koper van de vier pendanten zou benaderen en daarmee de koop in gevaar zou brengen is onvoldoende grond om het origineel niet af te geven, ook niet indien juist is dat [zus 1] de directeur van het Frans Hals museum onheus zou hebben bejegend, nadat zij erachter was gekomen dat hij de pendanten zonder haar toestemming aan [broer] had meegegeven. Dit was immers expliciet in strijd met de door haar aan de directeur gegeven opdracht (zie 2.6.), zodat begrijpelijk is dat [zus 1] haar onvrede over dit feit aan de directeur heeft geuit. Ook het verweer dat [zus 1] in staat moet zijn rekening en verantwoording af te leggen met de thans aan haar verstrekte informatie is niet reëel. [broer] kan niet volstaan met een dergelijke beperkte informatieverstrekking. Integendeel, als gevolmachtigde van de executeur rust op hem de plicht de erven zo volledig mogelijk te informeren omtrent de verkoop van de pendanten.

[broer] zal twee weken de tijd krijgen om de originele koopovereenkomst aan de advocaat van eiseressen te overhandigen. De op nakoming van deze verplichting gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gemaximeerd als na te melden.

4.5. Met betrekking tot de gevorderde overlegging van de bankafschriften (weergegeven bij II. onder 3.1.) wordt overwogen en geoordeeld als volgt. Eiseressen achten het mogelijk dat [broer] de pendanten aan zichzelf heeft verkocht met als doel deze vervolgens voor een hoger bedrag door te verkopen aan een derde. Indien deze vrees gegrond is, handelt [broer] onrechtmatig jegens de executeur en de erven, naar wie hij immers, zoals hierboven overwogen, als gevolmachtigde van de executeur de plicht heeft zich te gedragen overeenkomstig hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid dicteren. Deze eisen brengen met zich dat [broer] zich ervan dient te onthouden de overige erven willens en wetens te benadelen, hetgeen zou gebeuren als hij weet dat hij de pendanten aan een derde voor een hogere prijs kan verkopen dan dat hij er zelf voor heeft betaald. Voorshands is echter onvoldoende aannemelijk dat dit het geval is geweest. De overlegging van de originele koopovereenkomst zal in deze kwestie meer duidelijkheid verschaffen. De procedure zal derhalve worden aangehouden en [zus 1] zal, zo zij daartoe na afgifte van de originele koopovereenkomst nog noodzaak ziet, aan de hand van die overeenkomst verder moeten bepleiten dat zij belang heeft bij inzicht in de transactie door middel van het overleggen van bankafschriften. Het bovenstaande laat uiteraard onverlet dat [broer] bij de overhandiging van de originele koopovereenkomst vrijwillig bankafschriften kan verstrekken om eiseressen gerust te stellen. Dit zou bovendien een voortzetting van de procedure overbodig maken. De procedure zal worden aangehouden tot 16 december 2011. Uiterlijk op 12:00 uur op die datum dienen eiseressen zich tegenover de voorzieningenrechter uit te laten over het door hen gewenste verdere procesverloop. Op verzoek van beide partijen is een verdere aanhouding overigens mogelijk.

4.6. Met betrekking tot de gevorderde opheffing van het door gedaagden onder de notaris gelegde beslag (weergegeven bij III. onder 3.1.) wordt overwogen en geoordeeld als volgt. Onder 3. van het beslagrekest is gesteld dat de vader de goederen uit de nalatenschap bij zijn overlijden heeft gelegateerd aan de moeder. Dit is onjuist. Uit de in het geding gebrachte verklaring van erfrecht (2.2.) blijkt dat de moeder ervoor gekozen heeft gerechtigd te zijn tot de gehele nalatenschap en dat alle goederen dus eigendom zijn geworden van de moeder. Zij heeft derhalve, anders dan bij een legaat, geen inbrengverplichting jegens de kinderen. De kinderen hebben een vorderingsrecht op haar.

Voorts is in het beslagrekest onder 7. als feit geponeerd dat de erven tot op heden zijn overbedeeld. Dit blijkt echter een conclusie van [broer] en [zus 3] te zijn die door [zus 1] en [zus 2] wordt weersproken. Dit verweer is aannemelijk, omdat het voor de hand ligt dat de reeds verrichte uitkeringen uit de nalatenschap in de eerste plaats zijn gedaan ter delging van de vorderingen van de erven op de (nalatenschap van) de moeder. De beheershandelingen van de executeur hadden immers blijkens het testament ten doel om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Daarom had in het rekest niet (als feit) mogen worden gesteld dat de erven waren overbedeeld. Ten slotte is de procedure bij de kantonrechter, waarbij [zus 1], [broer] en [zus 3] op 26 april 2011 een regeling hebben getroffen, ten onrechte niet in het rekest genoemd. Op gedaagden rustte de verplichting de voorzieningenrechter, met name nu een beslagrekest een ex parte verzoek betreft, juist te informeren omtrent de feiten. Met betrekking tot het vermelden van de lopende procedures is deze verplichting tevens opgenomen in de beslagsyllabus onder A. bij 2, bladzijde 4. Gelet op de aard van een beslagrekest, dienen aan onjuistheden in de aan de voorzieningenrechter voorgelegde feiten, zware consequenties te worden verbonden. Reeds op grond van de in het onderwerpelijke beslagrekest vermelde onjuistheden is er aanleiding het gelegde beslag op te heffen, zodat deze vordering toewijsbaar is.

4.7. Met betrekking tot de gevorderde betaling van EUR 650.000,00 op de ervenrekening (weergegeven bij IV. onder 3.1) wordt overwogen en geoordeeld als volgt. De volmacht aan [broer] hield voorshands niet in dat hij de koopsom tot zich mocht nemen. De volmacht kan in alle redelijkheid niet aldus worden uitgelegd, ook niet als de zienswijze van gedaagden wordt gevolgd, dat [broer] naast het maken van afspraken met betrekking tot de verkoop van de pendanten ook bevoegd was de pendanten te leveren en de koopsom te innen. Ook in dat geval zou zonder expliciete andersluidende afspraak [broer] gehouden zijn de geïnde koopsom (door) te storten op de ervenrekening. Uit niets blijkt dat [zus 1] [broer] ook heeft gemachtigd de koopsom te verdelen over de erven, zoals hij in zijn e-mail van 31 augustus 2011 heeft voorgesteld. [broer] is derhalve gehouden het bedrag van EUR 650.000,00 te betalen op de ervenrekening. Hij zal worden veroordeeld zijn notaris daartoe de opdracht te geven. Dat er eerder van de ervenrekening bedragen ‘in rook zijn opgegaan’ zoals door gedaagden aangevoerd, is niet steekhoudend. Gedaagden hebben hun verzoekschrift strekkende tot het ontslag van [zus 1] als executeur op de grond dat zij haar taken niet naar behoren zou uitvoeren, ingetrokken. Nu [broer] de koopsom tot zich heeft genomen, is de veroordeling echter niet toewijsbaar jegens [zus 3]. Op nakoming van de aan [broer] op te leggen veroordeling zal een dwangsom worden gesteld die zal worden beperkt als na te melden. Gelet op de op te leggen dwangsom bestaat voorshands onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering om dit vonnis in de plaats te stellen van de opdracht aan de notaris.

4.8. In de familierechtelijke relatie tussen partijen wordt aanleiding gevonden de proceskosten te compenseren. Deze beslissing zal worden gegeven in het in deze te wijzen en uit te spreken eindvonnis.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [broer] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan de advocaat van eiseressen de originele koopovereenkomst met betrekking tot de vier verkochte pendanten af te geven,

5.2. bepaalt dat [broer] aan eiseressen een dwangsom zal verbeuren van EUR 10.000,00 voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan het onder 5.1. bepaalde te voldoen, totdat een maximum van EUR 200.000,00 is bereikt,

5.3. heft op het op 5 oktober 2011 gelegde conservatoire derdenbeslag op de onder de notaris liggende koopsom voor de pendanten,

5.4. veroordeelt [broer] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan de notaris schriftelijk opdracht te geven het bedrag van EUR 650.000,00, te vermeerderen met de (tussen de notaris en [broer] overeengekomen) rente daarover, te storten op de ervenrekening met rekeningnummer [rek.nr.],

5.5. bepaalt dat [broer] aan eiseressen een dwangsom zal verbeuren van EUR 10.000,00 voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan het onder 5.4. bepaalde te voldoen, totdat een maximum van EUR 200.000,00 is bereikt,

5.6. houdt de procedure aan tot 16 december 2011,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2011.