Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5301

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
25-11-2011
Zaaknummer
13-656597-11 en 13-660592-10 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak o.g.v. ontbreken origineel strafdossier, nu het kopiedossier slechts is te kwalificeren als 'overige bescheiden' en daarnaast geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn;

Medeplegen straatroof bewezen; overweging m.b.t. strafmaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 344
Wetboek van Strafvordering 351
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2011, 374
NBSTRAF 2011/374
NJFS 2012/37

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/656597-11 en 13/660592-10 (TUL)

Datum uitspraak: 3 november 2011 (PROMIS)

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Marokko),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "Demersluis" te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 oktober 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.F. Roseval en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.J.B. Rijser, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 09 juni 2011 te Amsterdam op de openbare weg de Prinsengracht, in elk geval op een openbare weg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (inhoudende onder meer een portemonnee en/of een bankpas), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- (met kracht) die tas van de schouder van die [slachtoffer] heeft/hebben afgerukt;

(artikel 312 Wetboek van strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 13 juli 2011 te Zaandam, gemeente Zaanstad, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een makita-koffer (met daarin een accuboormachine en/of twee losse accu's en/of een oplader, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 - kort gezegd: de diefstal van een makita koffer - ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De stukken die zien op het onder 2 ten laste gelegde, genummerd pagina 155 tot en met 162 van het strafdossier, zijn - volgens de op die stukken gezette stempel - kopieën van processen-verbaal conform het origineel. De rechtbank heeft ter terechtzitting geconstateerd dat op deze stukken geen ondertekening door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, noch van de betreffende personen die verklaringen hebben afgelegd, is te zien. De officier van justitie heeft gesteld dat de originele stukken bij de politie te Zaandam zijn, omdat deze onderdeel uitmaken van een onderzoek daar. Nu bedoelde zaak hier te Amsterdam is aangebracht en zou worden behandeld, hebben de officier van justitie, de rechtbank en de verdediging van de betreffende stukken een uitdraai uit het politiesysteem gekregen. Het is, aldus de officier van justitie, juist dat geen sprake is van kopieën van de originele stukken.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze stukken te kwalificeren als 'overige bescheiden' in de zin van artikel 344, eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering. Overige bescheiden zijn ingevolge bedoeld artikel onderhevig aan een bewijsminimumregel, die inhoudt dat dergelijke bescheiden alleen tot het bewijs van het ten laste gelegde kunnen dienen als er daarnaast andere bewijsmiddelen voorhanden zijn. Van die andere bewijsmiddelen is niet gebleken. Verdachte heeft ter terechtzitting geen verklaring afgelegd en ook overigens is er niet van wettig bewijs gebleken.

Voor zover de officier van justitie subsidiair heeft verzocht de zaak aan te houden opdat zij het originele dossier kan opvragen en overleggen, wordt dat verzoek als tardief verworpen. De officier van justitie heeft voldoende tijd en mogelijkheden gehad het origineel tijdig voor en zelfs nog gedurende de zitting te overleggen.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Vooraf

Verdachte heeft ter terechtzitting - voor het eerst - (kort weergegeven) verklaard dat hij niet heeft meegedaan aan de straatroof. Wel is hij die dag met zijn auto in Amsterdam geweest met zijn vriend (en medeverdachte) [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]). Hij hoorde pas in de avond, toen zij Amsterdam weer hadden verlaten, van [medeverdachte], die tijdens hun verblijf in Amsterdam even zijn auto had verlaten om wat op te halen, dat deze toen een tas had gestolen.

Bij het beoordelen van deze zaak zal de rechtbank beginnen met het uiteenzetten van de feiten, zoals die naar voren komen uit het dossier.

3.2. Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat bij haar beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.i

In de ochtend van 9 juni 2011 haalt verdachte met zijn auto, een Peugeot 306 met kenteken [kenteken], [medeverdachte] op en rijden zij richting het Leidseplein te Amsterdam.ii Even voor 11:00 uur rijden zij op het Kleine Gartmanplantsoen te Amsterdam en stoppen ter hoogte van de ABN AMRO-bank. Op dat moment is mevrouw [slachtoffer] (hierna [slachtoffer]) in het bankgebouw van de ABN AMRO en pint een bedrag van € 1.000,-. [slachtoffer] verlaat omstreeks 11:05 uur het bankgebouw met in haar tas, naast voornoemd opgenomen geldbedrag, onder meer een portemonnee en een bankpas. Zij steekt het Kleine Gartmanplantsoen over en loopt richting de Leidsekruisstraat.iii Vrijwel datzelfde moment rijden verdachte en [medeverdachte] weg en gaan ook richting de Leidsekruisstraat.iv Terwijl [slachtoffer] door de Leidsekruisstraat loopt, blijven verdachte en [medeverdachte] aan het begin van die straat even stil staan met hun auto om vervolgens hun weg door die straat te vervolgen.v Ter hoogte van de Lange Leidsedwarsstraat brengt verdachte de auto tot stilstand en [medeverdachte] stapt uit. Verdachte slaat met zijn auto rechtsaf de Lange Leidsedwarsstraat in richting de Spiegelgracht en blijft even later stilstaan op de Spiegelgracht, hoek Prinsengracht.vi [slachtoffer] loopt nog steeds op de Leidsekruisstraat en slaat rechtsaf de Prinsengracht op. Ook [medeverdachte] loopt diezelfde route achter [slachtoffer] aan en als [slachtoffer] de Prinsengracht oploopt, versnelt [medeverdachte] zijn pas, nog steeds in dezelfde richting als [slachtoffer].vii Ongeveer ter hoogte van Prinsengracht nummer [nr], voelt [slachtoffer] een ruk aan haar rechterschouder- en arm en wordt haar tas van haar schouder afgerukt.viii De man, die qua signalement volledig overeenkomt met de man die kort hiervoor achter [slachtoffer] liep, rent met een tas over de Prinsengracht richting de Spiegelgracht.ix Verdachte staat nog steeds op de hoek Spiegelgracht-Prinsengracht en [medeverdachte] stapt met een tas de auto van verdachte in en zij rijden weg.x

Verdachte en [medeverdachte] verwijderen die dag de kentekenplaten van de auto van verdachte. Aan het eind van de middag (17.02 uur) doet verdachte, een achteraf vals gebleken, aangifte van diefstal van de kentekenplaten vanaf zijn auto.xi

In de zak van verdachte is op 6 september 2011 toen hij bezocht zou worden door [medeverdachte] in de Penitentiaire Inrichting Overamstel een opgevouwen brief aangetroffen.xii In die brief staat letterlijk onder meer: Dan heb ik liever dat ik beken dan heb ik strafvermindering en dan zit jij hier ook. (...) Ik wil niet fuckt up zijn ik join je nu door te zwijgen. Het is normaal dat je me moet joinen. [naam] betaald huur alleen (... boodschappen (...) ze geeft me doekoe (...) Zij heeft die tori niet met me gedaan.

Verdachte heeft verklaard dat die brief van zijn hand is en dat deze is gericht aan [medeverdachte].xiii

3.3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde - kort gezegd - medeplegen van een straatroof kan worden bewezen. Zij heeft allereerst gewezen op de wisselende verklaringen van verdachte; in eerste instantie heeft verdachte verklaard dat hij niets te maken heeft gehad met het ten laste gelegde en dat op het tijdstip van de straatroof zijn auto in Zaandam stond. Tevens heeft hij geopperd dat een ander met zijn kentekenplaten in de buurt van het plaats delict moet hebben gereden. Ter terechtzitting betoogt verdachte thans dat hij en [medeverdachte] op de dag van de straatroof met zijn auto op het Leidseplein te Amsterdam reden, [medeverdachte] op enig moment aan verdachte vroeg de auto te stoppen, [medeverdachte] de auto uitstapte en even later de auto weer instapte en opeens een tas bij zich had. Voorts verklaart verdachte dat [medeverdachte] verdachte die avond aan hem vertelde dat hij de tas van een dame had gestolen.

Dat verhaal is in de visie van de officier van justitie niet geloofwaardig. Verdachte en [medeverdachte] hebben van meet af aan het plan gehad [slachtoffer] van haar tas met het gepinde geld te beroven. Daartoe hebben zij met de auto van verdachte bij het bankgebouw van de ABN AMRO op het Leidsplein gewacht tot [slachtoffer] klaar was met pinnen. Vervolgens hebben zij [slachtoffer] met de auto achtervolgd en is [medeverdachte] uitgestapt en heeft hij [slachtoffer] verder te voet gevolgd en uiteindelijk van haar tas beroofd. Verdachte heeft al die tijd in de auto op [medeverdachte] gewacht en ze hebben zich samen met de auto van verdachte uit de voeten gemaakt. Naderhand hebben zij de kentekenplaten van de auto verwijderd en een valse aangifte van diefstal van de kentekenplaten gedaan.

Een en ander leidt volgens de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte en [medeverdachte] de tasjesroof samen hebben gepleegd. Die conclusie wordt bevestigd door een telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte] op 24 juni 2011, tijdens welk gesprek verdachte zegt dat hij 'die vrouw zelf wilde trekken' en dat hij 'naar Streetcorner gaat'. In verband met het optuigen van een mogelijk alibi is tijdens het onderzoek naar voren gekomen dat verdachte aan het eind van de ochtend van 9 juni 2011 bij Streetcorner te Zaandam is geweest. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat het telefoongesprek van 24 juni 2011 verwijst naar de straatroof van 9 juni 2011. Ook de brieven die verdachte aan [medeverdachte] heeft geschreven, maken duidelijk dat zij samen de tasjesroof hebben gepleegd.

3.4. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het oogmerk niet kan worden bewezen. De lezing van het gebeurde zoals die uit de verklaring van verdachte blijkt, in samenhang met het strafdossier, kan niet leiden tot het bewijs daarvan. Verdachte wist niet wat er die dag zou gaan gebeuren. Hij heeft [medeverdachte] die dag met zijn auto in Amsterdam opgehaald en [medeverdachte] heeft verdachte gevraagd in de buurt van het Leidseplein te stoppen en even verderop op hem te wachten omdat hij nog even langs een buurmeisje/vriendin moest. Dat heeft verdachte - nog steeds - nietsvermoedend gedaan. Tijdens het wachten op [medeverdachte], heeft [medeverdachte] [slachtoffer] kennelijk van haar tas beroofd. Daar had verdachte op dat moment geen weet van. Pas in de avond biecht [medeverdachte] verdachte op dat hij gedurende de tijd dat verdachte met de auto op [medeverdachte] aan het wachten was, [slachtoffer] van haar tas heeft beroofd. Als het al een vooropgezet plan van verdachte en [medeverdachte] zou zijn geweest, dan zou verdachte nooit met zijn eigen auto naar het plaats delict zijn gereden; er hangen daar immers veel beveiligingscamera's. Nadat [medeverdachte] zijn daad aan verdachte had opgebiecht, kwam [medeverdachte] met het idee de kentekenplaten van de auto van verdachte te verwijderen en aangifte van diefstal van de kentekenplaten te doen, wat geschiedde. Verdachte besloot niet naar de politie te gaan en [medeverdachte] er bij te lappen, omdat hij in de veronderstelling verkeerde gerede kans te maken dat hij zou worden vrijgesproken, omdat hij er simpelweg niets mee te maken had. Zijn proceshouding is gewijzigd op het moment dat de brieven die hij aan [medeverdachte] heeft geschreven, zijn gevonden. Toen heeft verdachte besloten openheid van zaken te geven. Verder valt niet in te zien dat het telefoongesprek dat verdachte op 24 juni 2011 met [medeverdachte] heeft gevoerd, over de ten laste gelegde tasjesroof op 9 juni 2011 gaat. Dat gesprek is van latere datum en bovendien zou het ook over een andere straatroof kunnen gaan. Daarbij komt dat verdachte zich van dit soort feiten distantieert en er ook niets mee te maken wil hebben.

3.5. Het oordeel van de rechtbank

Door de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden met betrekking tot het verloop van de opeenvolgende en in een relatief kort tijdsbestek gepleegde handelingen heeft de rechtbank - één en ander in onderling verband en samenhang beschouwd - de overtuiging dat verdachte de - kort gezegd - straatroof samen met [medeverdachte] heeft gepleegd.

De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd is voor een deel in overeenstemming met de feiten, die ook uit andere bronnen blijken. Hij is met de auto naar Amsterdam gekomen. Hij was de bestuurder en [medeverdachte] de passagier. [medeverdachte] is uitgestapt en even later weer ingestapt met een tas. Dit alles wordt bevestigd door camerabeelden, een getuigenverklaring en de aangifte. Tenslotte verklaart verdachte dat hij valse aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn kentekenplaten. Dit wordt bevestigd door zijn aangifte op 9 juni om 17.02 uur op politiebureau Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam. Genoemde onderdelen van zijn verklaring volgt de rechtbank dan ook.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de rechtbank verdachte ook volgt in zijn verklaring daar waar hij naar voren brengt dat hij niet heeft geweten dat [medeverdachte] een tasjesroof ging plegen.

De rechtbank acht dit ongeloofwaardig en niet aannemelijk en overweegt daartoe het volgende.

Vaststaat dat verdachte en [medeverdachte] met de auto van verdachte bij de bank waren toen aangeefster [slachtoffer] daar een geldbedrag pinde. Vervolgens zijn zij vrijwel meteen achter haar aangereden. [medeverdachte] is uitgestapt en is naar [slachtoffer] gelopen. Hij heeft haar tas van haar schouder getrokken. Verdachte was intussen een stukje verderop gereden en is blijven staan op de hoek Spiegelgracht-Prinsengracht, daar waar [medeverdachte], nadat hij de tas had gestolen, naar toe is gerend. [medeverdachte] is weer in de auto gestapt waarna ze samen zijn weggereden.

Later in de middag heeft verdachte valse aangifte van diefstal van de kentekenplaten gedaan. Een dergelijke actie valt niet te rijmen met de verklaring van verdachte dat hij eerst 's avonds zou hebben vernomen dat [medeverdachte] iemand had beroofd van een tas.

Een paar maanden later, als verdachte vast zit in verband met verdenking van deze straatroof, heeft verdachte aan [medeverdachte] geschreven dat als hij (verdachte) zou bekennen, hij (verdachte) strafkorting zou krijgen. Verder is de strekking van de brief dat hij dit niet doet, maar dat daar tegenover staat dat [medeverdachte] zich moet ontfermen over de vriendin van verdachte, die geen geld heeft.

Als verdachte niets te maken zou hebben met de straatroof valt niet in te zien waarom hij schrijft over een eventuele bekentenis.

Voorts valt het niet redelijkerwijs te verklaren dat verdachte maandenlang in voorlopige hechtenis doorbrengt, terwijl hij onschuldig zou zijn door niet meteen - of in ieder geval in een later stadium - aan de politie te vertellen dat niet hij maar zijn vriend een straatroof zou hebben gepleegd.

Genoemde elementen zijn slechts te verklaren in de vaststelling van de rechtbank dat verdachte medepleger is van de straatroof.

Overigens speelt ook een rol bij de ongeloofwaardigheid van de verklaring van verdachte dat hij eerder, tegenover de politie, heeft verklaard dat hij niet met de auto in Amsterdam was geweest op de betreffende dag. Pas op de terechtzitting, nadat verdachte al ruim 4 maanden voor dit feit in voorlopige hechtenis zat en over de inhoud van het dossier beschikt, brengt verdachte naar voren dat zijn vriend de overval heeft gepleegd en hij van niets wist. Verdachte heeft, hoewel daar nadrukkelijk naar is gevraagd ter terechtzitting, geen begrijpelijke verklaring kunnen geven voor het pas na een dergelijk lange periode naar voren brengen van hoe het volgens hem echt is gegaan. Verdachte heeft in dat verband eerst ontkend dat hij onder druk stond van [medeverdachte] en later heeft hij verklaard dat dat wel zo was, zonder dit op welke wijze dan ook te kunnen aantonen of onderbouwen. Van een eventuele dergelijke druk is de rechtbank niets gebleken.

Uit bovenstaande komt naar voren dat nauw is samengewerkt tussen de verdachte en [medeverdachte]. Zowel van te voren, het bij de bank stil staan en achter [slachtoffer], die net geld had gepind, aanrijden, als tijdens de straatroof, het op [medeverdachte] wachten, als na de straatroof, het samen weer wegrijden is sprake van samenwerking. De straatroof werd mogelijk door deze gecoördineerde aanpak. Voorts heeft verdachte na de straatroof valse aangifte gedaan van diefstal van kentekenplaten. Voorgaande duidt er op dat ze samen hebben gewerkt en dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat [medeverdachte] de tas zou gaan trekken. Het oogmerk van verdachte is dus gericht geweest op het plegen van een straatroof.

De rechtbank verwerpt dan ook de lezing van de verdediging zoals weergegeven onder 3.4.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden wettig bewezen dat verdachte

op 09 juni 2011 te Amsterdam op de openbare weg de Prinsengracht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, inhoudende onder meer een portemonnee en een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat zijn mededader met kracht die tas van de schouder van die [slachtoffer] heeft afgerukt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straffen

6.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/660592-10 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden gevorderd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte gewezen op de persoonlijke omstandigheden betreffende verdachte, waaronder het belang van het aanhouden van zijn woning. Verder heeft hij gesteld dat de eis ten onrechte is gebaseerd op recidive. Verdachte heeft wel documentatie voor wat betreft diefstal met geweld, maar dat betrof een hele andere zaak, die niet te vergelijken is met deze. De raadsman heeft - als de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen - bepleit dat verdachte ook een taakstraf zou kunnen uitvoeren; daarnaast zou gedacht kunnen worden aan een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder ten nadele van verdachte het volgende laten meewegen. Verdachte heeft samen met zijn mededader op klaarlichte dag op de openbare weg een brutale straatroof gepleegd. Daarbij hebben zij een 75-jarige dame die net geld uit de pinautomaat had opgenomen, achtervolgd en, toen zij hun kans schoon zagen, haar handtas van haar schouder gerukt. De vastgestelde feiten geven blijk van een geraffineerde werkwijze. Naast het feit dat verdachte en zijn mededader het gemikt hadden op een kwetsbaar slachtoffer, hebben zij na de straatroof geprobeerd om deze straatroof te verdoezelen, zelfs door het doen van een valse aangifte.

Daar komt bij dat het slachtoffer door de straatroof grote angst is aangejaagd, zoals ook blijkt uit de door haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Het had bovendien voor het slachtoffer net zo goed anders kunnen aflopen aangezien zij bijvoorbeeld had kunnen vallen door de onverhoedse ruk aan haar tas. Dat zij geen letsel heeft opgelopen, is een kwestie van geluk.

De rechtbank beschouwt het feit door de wijze waarop het is uitgevoerd als zo ernstig dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur geboden is. Daarbij speelt, naast vergelding, nadrukkelijk ook de generale preventie een rol. Jongvolwassenen, zoals verdachte, moeten er van doordrongen worden dat het plegen van een straatroof onverbiddelijk zal leiden tot opsluiting.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte spelen in de opvatting van de rechtbank maar een beperkte rol. Verdachte is blijkens zijn Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 juli 2011, eerder veroordeeld voor diefstal en ook voor geweldsdelicten.

De rechtbank ziet aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie geëist, nu die eis mede gebaseerd is op bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft dat feit echter niet bewezen geacht en verdachte daarvan vrijgesproken.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 26 juli 2011 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/660592-10 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 maart 2011 van de meervoudige kamer, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een extract van het vonnis van de meervoudige strafkamer te Amsterdam van 25 maart 2011, waaruit blijkt dat het vonnis op tegenspraak is gewezen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op de hoogte was van de hem opgelegde voorwaardelijke straf.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten.

7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [slachtoffer], heeft zich gevoegd in deze procedure met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering valt uiteen in € 2.483,50,- aan materiële schade en € 300,- ter zake van immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer] toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de wettelijke rente.

De raadsman heeft gelet op de door hem bepleite vrijspraak gevorderd dat [slachtoffer] in haar vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair, dat de gevorderde schade die ziet op het bijmaken van de sleutels, wordt gematigd tot vergoeding van de kosten van 12 sleutels.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank oordeelt dat alle door [slachtoffer] gemaakte opgevoerde materiële schade voor vergoeding in aanmerking komt, waaronder ook de kosten van alle bijgemaakte sleutels. In de tas van [slachtoffer] zaten ingevolge haar aangifte tevens de sleutels van de centrale toegangsdeur van haar appartementencomplex. [slachtoffer] heeft de sloten van de centrale toegangsdeur moeten vervangen. Dat betekent dat niet alleen [slachtoffer], maar ook de andere bewoners van het appartementencomplex genoodzaakt waren nieuwe sleutels aan te schaffen. Dat niet alleen nieuwe sleutels voor de 12 bewoners moesten worden gemaakt, maar ook een, beperkt, aantal (5) voor derden, zoals bijvoorbeeld de huishoudelijke hulp, vloeit rechtstreeks voort uit het strafbare feit. De kosten van deze - extra - sleutels komen dehalve ook voor vergoeding in aanmerking.

Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte feit, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank is er van overtuigd geraakt dat er sprake is van immateriële schade, mede gelet op de slachtofferverklaring, zoals die ter terechtzitting door [slachtoffer] is voorgelezen.

De rechtbank waardeert de totale schade op een bedrag van € 2.783,50 (tweeduizend en zevenhonderd drieëntachtig euro en vijftig eurocent). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Ook zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toekennen vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Nu twee daders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, zal de rechtbank bepalen dat de toewijzing van de vordering voor de totale schade hoofdelijk wordt opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], wonende op het adres [adres] [woonplaats] toe tot een bedrag van € 2.783,50 (tweeduizend en zevenhonderd drieëntachtig euro en vijftig eurocent), waarvan een bedrag van € 300,- immateriële schade betreft, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

[slachtoffer], te betalen de som van € 2.783,50 (tweeduizend en zevenhonderd drieëntachtig euro en vijftig eurocent) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere vervallen is.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis d.d. 25 maart 2011 opgelegde voorwaardelijke straf, groot 3 maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. S.E. Sijsma en H.P. Kijlstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leeuwenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 november 2011.

i De in de voetnoten genoemde processen-verbaal gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen. Zij zijn steeds in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Voor de vindplaatsen van die processen-verbaal wordt steeds verwezen naar de desbetreffende pagina's in het dossier. Indien de rechtbank gebruik maakt van andere geschriften als bewijsmiddelen, geldt voor die vindplaatsen hetzelfde als zojuist vermeld.

ii De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 oktober 2011.

iii Een proces-verbaal van bevindingen, p. 34 en een proces-verbaal van aangifte, p. 13.

iv De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 oktober 2011 en een proces-verbaal van bevindingen, p. 34.

v Een proces-verbaal van bevindingen, p. 35.

vi De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 oktober 2011, een proces-verbaal van bevindingen, p. 35 en het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 28.

vii Een proces-verbaal van bevindingen, p. 35.

viii Een proces-verbaal van aangifte, p. 14.

ix Een proces-verbaal van bevindingen, p. 40.

x Een proces-verbaal van verhoor getuige, p. 28

xi De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 oktober 2011 en een proces-verbaal van aangifte, p. 70.

xii De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 oktober 2011 en een proces-verbaal van bevindingen, p. 279.

xiii De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 oktober 2011.