Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5287

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
AWB 11-4186 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking van de inkomensvoorziening op grond van de WIJ met ingang van 17 mei 2010. Artikel 40, derde lid van de WIJ kan geen grondslag bieden voor een intrekking van de inkomensvoorziening vanwege een schending van de inlichtingenverplichting zoals bedoeld in artikel 44 van de WIJ. Onderdeel b van dat artikel biedt daarvoor evenmin grondslag. Zoals blijkt uit de toelichting op artikel 40, derde lid, van de WIJ is de toepassing van onderdeel b van dat artikel beperkt tot die gevallen waarin door een fout van het college teveel aan inkomensvoorziening of ten onrechte inkomensvoorziening is verstrekt en waarin de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Die situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4186 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M.H. Klijnstra,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Mulders.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de inkomensvoorziening van eiseres op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) met ingang van 17 mei 2010 ingetrokken.

Bij besluit van 11 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2011.

Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres ontving met ingang van 17 mei 2010 een uitkering op grond van de WIJ. Op 10 juli 2010 heeft eiseres een zoontje gekregen. De vader van het kind is [vader] (hierna [vader]).

1.2. Naar aanleiding van een melding van de Sociale Recherche Haarlemmermeer heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres. In het kader van dat onderzoek heeft eiseres op 30 mei 2011 op het kantoor van verweerder een verklaring afgelegd. Later die dag heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het adres van eiseres. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 juni 2011.

1.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [vader] al sinds 17 mei 2010 zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Eiseres heeft verzuimd dit te melden en daarmee heeft eiseres haar inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder kon als gevolg daarvan niet vaststellen of eiseres in de periode van 17 mei 2010 tot en met 9 juli 2011 recht had op een WIJ-inkomensvoorziening. Ten aanzien van de periode vanaf 10 juli 2010 geldt dat eiseres en [vader] een gezamenlijke huishouding voerden aangezien eiseres en [vader] hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en zij vanaf die datum samen een kind hebben. De WIJ-inkomensvoorziening kon daarom worden ingetrokken, aldus verweerder.

2.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, noch in het primaire besluit heeft opgenomen op grond van welke wettelijk bepaling de inkomensvoorziening is ingetrokken. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de inkomensvoorziening van eiseres op grond van artikel 40, derde lid, van de WIJ is ingetrokken.

2.2 Ter zitting is voorts besproken dat de systematiek van de WIJ een andere is dan die van de Wet werk en bijstand (WWB). De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. In de nota naar aanleiding van het verslag Aanpassingswet van de WIJ, (Tweede Kamer vergaderjaar 2009-2010, 32260, nr. 7, p. 7) is naar aanleiding van de vraag of is overwogen een equivalent van artikel 54 WWB in de WIJ op te nemen, het volgende opgemerkt: “In aanvulling op hetgeen dienaangaande al is vermeld in de nota naar aanleiding van het verslag bij de WIJ merkt de regering het volgende op. Inderdaad verschilt het derde lid van artikel 40 van artikel 54 van de WWB in die zin dat in artikel 39 niet genoemd wordt dat bij het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, de inkomensvoorziening kan worden herzien of ingetrokken. In de WIJ is dit op een andere manier geregeld. In onderdeel b van artikel 21 WIJ is namelijk bepaald dat het college het recht op een werkleeraanbod kan intrekken of herzien indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 44 en 45 en hem dit te verwijten valt. Indien het college op grond van deze bevoegdheid het werkleeraanbod herziet of intrekt, heeft dit tevens gevolgen voor de inkomensvoorziening, die in de WIJ immers een afgeleide van het werkleeraanbod is. Op grond van artikel 25, eerste lid, WIJ, stelt het college het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met het recht op een werkleeraanbod. Als het college het werkleeraanbod intrekt, wordt met het betreffende besluit tevens de inkomensvoorziening ingetrokken. En als het werkleeraanbod wordt herzien, zal het college tevens opnieuw het recht op een inkomensvoorziening moeten bezien. Daarnaast kan - bij wijze van maatregel - op grond van artikel 41 WIJ het bedrag van de inkomensvoorziening worden verlaagd.”

2.3 Vast staat dat verweerder het werkleeraabod van eiseres niet eerder dan bij besluit van 12 augustus 2011 met ingang van 8 augustus 2011 heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan artikel 40, derde lid van de WIJ in een situatie als deze geen grondslag bieden voor een intrekking van de inkomensvoorziening met ingang van 17 mei 2010 vanwege een schending van de inlichtingenverplichting zoals bedoeld in artikel 44 van de WIJ. Verweerder heeft ter zitting gewezen op onderdeel b van het derde lid. Dit onderdeel kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin grondslag bieden voor de intrekking wegens schending van de inlichtingenverplichting. Zoals blijkt uit de toelichting op artikel 40, derde lid, van de WIJ is de toepassing van onderdeel b van dat artikel beperkt tot die gevallen waarin door een fout van het college teveel aan inkomensvoorziening of ten onrechte inkomensvoorziening is verstrekt en waarin de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Gesteld noch gebleken is dat die situatie zich hier voordoet.

2.4 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het besluit tot intrekking van de inkomensvoorziening niet op enige wettelijke grondslag berust. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep slaagt aldus.

2.5 Nu, rekening houdend met het feit dat het werkleeraanbod nog bestond tot en met 7 augustus 2011, herstel van dit gebrek niet tot de mogelijkheden behoort, zal de rechtbank op grond van artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen.

2.6 De rechtbank zal het verzoek van eiseres om schadevergoeding toewijzen en bepalen dat verweerder de wettelijke rente als bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek dient te vergoeden over de ten onrechte niet uitbetaalde inkomensvoorziening. Voor zover het verzoek op vergoeding van andere schade ziet, zal het verzoek worden afgewezen nu niet aannemelijk is gemaakt waar de schade uit bestaat.

3. De rechtbank ziet aanleiding verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseres voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op

€ 874,- (één punt voor het opstellen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting x € 437,- per punt x wegingsfactor 1). Omdat eiseres heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, dient verweerder deze kosten te voldoen aan de griffier van de rechtbank. De rechtbank ziet ook aanleiding bepalen dat verweerder de kosten in bezwaar vergoedt, nu het primaire besluit wordt herroepen. De rechtbank begroot deze kosten eveneens op € 874,- (één punt voor het opstellen van het bezwaarschrift en één punt voor het verschijnen bij de hoorzitting x € 437,- per punt x wegingsfactor 1), te betalen aan eiseres.

Verweerder dient voorts het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 15 juni 2011;

- wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade bestaande uit de wettelijke rente over de ten onrechte niet uitbetaalde inkomensvoorziening aan eiseres toe;

- wijst het verzoek om toekenning van een schadevergoeding voor het overige af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.784,-, waarvan € 874,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank en € 874,- te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

1 november 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB