Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BU5271

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
AWB 11/1368 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang wegens overtreding van de Verordening op het binnenwater 2010. Niet is aangetoond dat vaartuig permanent werd bewoond. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam is daarom niet bevoegd tot opleggen van de last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1368 VEROR

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. drs. D.H. Woelinga,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. E.G. Blees.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft verweerder eiser op straffe van toepassing van bestuursdwang gelast om diens woonboot te verwijderen en verwijderd te houden uit het openbaar water van het beheersgebied van het stadsdeel (het primaire besluit).

Bij besluit van 9 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.H. Woelinga. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. E.G. Blees.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is sinds 26 november 2008 eigenaar van vaartuig UK 134 (hierna: het vaartuig). Het betreft een voormalig vissersvaartuig met zeer lage opbouw en enkele patrijspoorten.

2. Standpunten partijen

2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het vaartuig is aan te merken als een woonboot. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op twee constateringen van de nautische Inspectie van de Dienst Binnenwaterbeheer op 11 februari 2010 en 19 mei 2010 alsmede op getuigenverklaringen, opnames van omwonenden en meerdere observaties van de nautisch inspecteur van het toenmalige stadsdeel Zeeburg tijdens de wintermaanden. Volgens verweerder is dit vaartuig geschikt voor bewoning. Dit vaartuig was voorheen ook in gebruik als woonboot.

2.2. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zijn vaartuig ten onrechte heeft aangemerkt als een woonboot. Volgens eiser kan uit de constateringen op 11 februari en 19 mei 2010 niet worden opgemaakt dat sprake is van bewoning. Verder bestrijdt eiser de observaties van de nautisch inspecteur van stadsdeel Zeeburg. Eiser verzoekt de rechtbank te bepalen dat het vaartuig als pleziervaartuig dient te worden aangemerkt.

3. Juridisch kader

3.1. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

3.2. Krachtens artikel 5:22 van de Awb in samenhang met artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang met betrekking tot overtredingen, indien toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

3.3. Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van de Verordening op het binnenwater 2010 (VOB) wordt onder een woonboot verstaan een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf, niet zijnde een object dat valt onder de Woningwet.

3.4. In de toelichting behorend bij artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van de VOB staat vermeld dat het gebruik als of bestemd zijn tot wonen bepalend is, of een vaartuig of object op het openbaar water als woonboot moet worden aangemerkt. Het begrip bestemmen is geobjectiveerd en derhalve niet afhankelijk van hetgeen een belanghebbende voor ogen heeft met het object. De beantwoording van de vraag, of een object als woonboot kan worden aangemerkt, dient te geschieden naar spraakgebruik. De betrokken boot moet naar bouw of inrichting of uiterlijke kenmerken duidelijk, naar objectieve maatstaven, als woonboot te herkennen zijn. Oorspronkelijke vrachtschepen of (grote) voormalige pleziervaartuigen zijn, als ze bewoond worden, ook als woonboot te herkennen.

3.5. Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder d, van de VOB wordt onder een pleziervaartuig verstaan een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.

3.6. In de toelichting behorend bij artikel 2.2.1, aanhef en onder d, van de VOB staat vermeld dat het begrip varende recreatie onder meer het onderscheid aangeeft tussen een pleziervaartuig en een (meestal duurzaam op een ligplaats afgemeerde) woonboot. Ook hier heeft het begrip bestemmen een objectieve betekenis. De beantwoording van de vraag, of een vaartuig als pleziervaartuig kan worden aangemerkt dient, evenals bij woonboten, te geschieden naar spraakgebruik. Het vaartuig dient naar bouw, inrichting en uiterlijke kenmerken duidelijk, naar objectieve maatstaven, als zodanig te herkennen te zijn. Als een pleziervaartuig bij voorbeeld duidelijk waarneembaar permanent bewoond wordt, wordt het een woonboot en zal het onder het woonbotenregime komen te vallen.

3.7. Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, van de VOB is het verboden, zonder of in afwijking van een vergunning van het college met een woonboot ligplaats in te nemen.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder het vaartuig van eiser op goede gronden heeft aangemerkt als woonboot en daarom een last onder bestuursdwang kon opleggen.

4.2. Verweerder heeft gesteld dat het vaartuig geschikt is voor bewoning en dat het vaartuig ook door de vorige eigenaar werd bewoond. Hieruit zou volgens verweerder blijken dat het vaartuig als woonboot dient te worden aangemerkt.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat het vaartuig, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, niet als woonboot is te herkennen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar een besluit van het dagelijks bestuur van toenmalig stadsdeel Zeeburg waarbij het vaartuig als pleziervaartuig is aangemerkt. De rechtbank doelt op de aan de vorige eigenaar [vorige eigenaar] verleende ontheffing van 10 juli 2008 van het verbod om met pleziervaartuigen langer dan 12 meter af te meren. Dit neemt niet weg dat het vaartuig wel als woonboot kan worden gekwalificeerd. De rechtbank verwijst daarvoor naar de toelichting behorend bij artikel 2.2.1., onder a en onder d, van de VOB. Daaruit blijkt dat bepalend is of sprake is van (duidelijk waarneembare) bewoning. Uit die toelichting volgt dus dat de kwalificatie in voorkomende gevallen ook kan afhangen van het gebruik. Omdat verweerder uitgaat dat het vaartuig door eiser wordt bewoond, is in het licht van het vorenstaande niet van belang dat het vaartuig in het verleden werd bewoond door de vorige eigenaar.

4.4. Verweerder heeft de twee observaties op 11 februari 2010 en 19 mei 2010 aan zijn beslissing ten grondslag gelegd.

4.5. De rechtbank overweegt dat uit de verslaglegging van voornoemde observaties niet blijkt wat er is waargenomen en geconstateerd. De verslagen van de observaties bevatten enkel de conclusie dat sprake is van bewoning. Dit brengt mee dat niet is na te gaan of die conclusie gerechtvaardigd is. Aan die conclusie kent de rechtbank dan ook geen betekenis toe.

4.6. Verweerder heeft voorts betekenis toegekend aan getuigenverklaringen, opnames van omwonenden en observaties tijdens de wintermaanden door een nautisch inspecteur. De verklaringen, opnames en observaties ontbreken in het dossier, zoals eiser terecht heeft opgemerkt. Ook ter zitting heeft verweerder deze niet overgelegd. Zij kunnen daarom niet bijdragen aan het standpunt van verweerder dat sprake is van bewoning.

4.7. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het vaartuig wordt bewoond omdat in de nachtelijke uren licht brandde op het vaartuig. Ook stonden volgens verweerder permanent fietsen en een bromfiets, in eigendom toebehorend aan eiser, op het vaartuig. Ter zitting heeft verweerder tevens aangevoerd dat eiser tijdens de hoorzitting van 14 oktober 2010 heeft erkend dat hij ’s nachts op het vaartuig slaapt en deze als woning gebruikt.

4.8. Eiser heeft bevestigd dat er in de nachtelijke uren verlichting op de boot aanwezig was. Echter, dit was afkomstig van op de boot aanwezige anti-inbraak verlichting, aldus eiser. De fietsen en bromfiets heeft eiser op het vaartuig gestald bij zijn vertrek naar St. Eustatius. Eiser geeft ter zitting aan dat hetgeen hij tijdens de hoorzitting van 14 oktober 2010 heeft erkend over het slapen en wonen op de boot, slechts de zomermaanden betrof en dat dit conform het beleid van de havendienst is. Eiser ontkent dat hij gezegd zou hebben dat hij ’s winters op het vaartuig sliep en het vaartuig bewoonde. Dit komt volgens eiser niet duidelijk naar voren uit het verslag van de hoorzitting.

4.9. Desgevraagd heeft verweerder bevestigd ter zitting dat er in de zomermaanden inderdaad niet streng wordt opgetreden tegen nachtelijke bewoning van vaartuigen. Het advies van de bezwaarschriftencommissie dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt biedt geen aanknopingspunten voor de lezing van verweerder. Het verslag van de hoorzitting van 14 oktober 2010 is op dit punt niet duidelijk. Gelet hierop acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat eiser tijdens die hoorzitting op de wijze heeft verklaard zoals onder 4.8. is aangegeven.

4.10. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat bewoning van het vaartuig niet is komen vast te staan en dat het vaartuig daarom niet als woonboot kan worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat van overtreding van artikel 2.3.1, eerste lid, van de VOB geen sprake is. Verweerder was daarom niet bevoegd tot het opleggen van deze last onder bestuursdwang. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept tevens het primaire besluit.

4.11. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

4.12. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 655,50 (0,5 punt voor indiening gronden van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

4.13. Eiser heeft de rechtbank verzocht te bepalen het vaartuig aan te merken als pleziervaartuig, omdat eiser pas dan een ontheffing zou kunnen aanvragen. Of het vaartuig als pleziervaartuig dient te worden aangemerkt, valt volgens de rechtbank buiten de omvang van dit geding. Het staat eiser geheel vrij om te allen tijde een aanvraag tot ontheffing ingevolge artikel 2.5.1, derde lid, van de VOB in te dienen. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog het volgende op. Als gevolg van de uitspraak gaat verweerders redenering dat het vaartuig geen pleziervaartuig is omdat het een woonboot is niet op. Maar dit brengt niet automatisch mee dat het vaartuig moet worden aangemerkt als een pleziervaartuig. De VOB kent namelijk ook nog de restcategorie object. Zie het bepaalde in artikel 2.2.1, onder e, van de VOB. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een pleziervaartuig biedt de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BN1883 enige houvast. Volgens die uitspraak biedt een vaartuig dat ongeveer tien keer per jaar wordt gebruikt om mee te varen, onvoldoende grond voor het oordeel dat het vaartuig, ten tijde van belang, hoofdzakelijk werd gebruikt voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 655,50 te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. M.F. Evans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB